Personen- en familierecht

Vervangende toestemming vakantie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
C/02/448247 / KG ZA 26-250
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. Ç. Bayrak uit Bergen op Zoom
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6640
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervangende toestemming vakantie

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/448247 / KG ZA 26-250

Vonnis in kort geding van 19 juni 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. Ç. Bayrak uit Bergen op Zoom,

tegen

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen de man,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3]geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 mei 2026 met drie producties;

- de brief van de man van 3 juni 2026, ontvangen op 5 juni 2026.

1.2.

Op 11 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de zitting is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is, na voorafgaande kennisgeving, niet op de zitting verschenen. Aan de man is geen verstek verleend omdat de man voorafgaand aan de zitting een brief naar de rechtbank heeft verzonden waarin hij zijn standpunt ten aanzien van de vordering van de vrouw heeft gegeven. De man is hiermee “formeel” verschenen in het geding.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op
[datum 2] 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Tijdens het huwelijk van partijen zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Na het huwelijk van partijen is [minderjarige 3] geboren.

2.3.

De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog vanuit dat partijen over alle drie de minderjarigen samen het ouderlijk gezag hebben.

2.4.

De minderjarigen wonen bij de vrouw.

2.5.

De vrouw en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.

3 De vordering

3.1.

De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar toestemming te verlenen om met de minderjarigen in de periode van
29 juli 2026 tot en met 12 augustus 2026 via Duitsland (Düsseldorf) op vakantie te gaan naar Turkije, kosten rechtens.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Aangezien de man (in ieder geval) de Turkse nationaliteit heeft, heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de vrouw.

4.2.

De vordering van de vrouw betreft een geschil in het kader van de gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen over de minderjarigen. De vordering dient daarom te worden gekwalificeerd als kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. In zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid is bevoegd het gerecht van de lidstaat waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op het moment waarop dit kort geding aanhangig is gemaakt in Nederland is gelegen (en bovendien nog steeds ligt), is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vordering in deze zaak kennis te nemen.

4.3.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, is daarop Nederlands recht van toepassing.

Spoedeisend belang

4.4.

Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt de spoedeisendheid van de vordering voldoende uit de aard van die vordering.

Wettelijk kader

4.5.

Het geschil van partijen betreft een geschil in de zin van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Nu de man geen toestemming heeft verleend voor een vakantie van de vrouw samen met de minderjarigen naar Turkije, moet de voorzieningenrechter beslissen of aan de vrouw vervangende toestemming moet worden verleend. De voorzieningenrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

4.6.

De vrouw heeft haar vordering ter zitting toegelicht. De vrouw wil graag met de minderjarigen op vakantie naar Turkije. Een belangrijk doel van de vakantie is het bezoeken van het graf van de vader van de vrouw. Dit vormt voor de vrouw een belangrijk onderdeel van haar verwerkingsproces. Het overlijden van haar vader heeft een grote impact op de vrouw gehad. Daarnaast kijken de minderjarigen erg uit naar een vakantie in Turkije. Zij zijn ruim twee jaar niet meer op vakantie geweest, en ervaren een vakantie naar Turkije als iets positiefs en belangrijks. De tickets voor de vakantie zijn inmiddels gekocht en de minderjarigen zijn voorbereid op de vakantie. De man weigert toestemming te verlenen voor de vakantie omdat er sinds december 2025, op aangeven van de minderjarigen, geen contact meer tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt. De minderjarigen hebben negatieve ervaringen met de man gehad tijdens contactmomenten. Er is inmiddels hulpverlening betrokken om toe te werken naar contactherstel.

4.7.

De man heeft in zijn brief aangegeven dat hij volgens de geldende rechterlijke uitspraak recht heeft op contact met de minderjarigen in de weekenden. Desondanks heeft de man de minderjarigen zeven maanden niet meer gezien ondanks diverse pogingen om met de minderjarigen in contact te komen. De man mist de minderjarigen heel erg en maakt zich zorgen over het uitblijven van het contact. De man wenst weer een normale en liefdevolle relatie met de minderjarigen te kunnen hebben. De man verzoekt de voorzieningenrechter om bij de beoordeling van de vordering van de vrouw (ook) rekening te houden met het uitblijven van contact tussen hem en de minderjarigen.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat door de man geen bezwaren naar voren zijn gebracht ten aanzien van de door de vrouw gewenste vakantie samen met de minderjarigen naar Turkije. Ook de voorzieningenrechter heeft geen aanwijzing dat het niet in het belang van de minderjarigen zou zijn om samen met hun moeder naar Turkije te gaan voor vakantie. Als uitgangspunt geldt dat het in het belang van kinderen is om van tijd tot tijd met hun ouders op vakantie te kunnen gaan. Doorgaans is een vakantie voor kinderen een ontspannen en plezierige tijd, waarin vaak leuke dingen worden ondernomen en zij nieuwe ervaringen en indrukken opdoen die in het belang van hun ontwikkeling zijn. De rechtbank is niet gebleken van contra-indicaties om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. De voorzieningenrechter zal daarom aan de vrouw vervangende toestemming verlenen om samen met de minderjarigen via Duitsland af te reizen naar Turkije en aldaar te verblijven in de periode van 29 juli 2026 tot en met 12 augustus 2026.

4.9.

De man heeft de voorzieningenrechter nog aandacht gevraagd voor de contacten tussen hem en de minderjarigen. Hij hoopt dat er een oplossing kan worden gevonden waardoor hij de minderjarigen weer regelmatig kan zien. De voorzieningenrechter heeft hierover tijdens de zitting gesproken met de vrouw. Voor de voorzieningenrechter is natuurlijk wel een beperking gelegen in de omstandigheid dat in deze procedure uitsluitend een vordering van de vrouw tot vervangende toestemming vakantie voorligt zodat er geen formele ruimte is om over andere zaken iets te beslissen. De vrouw heeft het wel goed gevonden dat er in dit vonnis iets wordt overwogen met betrekking tot het contact tussen de man en de minderjarigen. Het is de voorzieningenrechter ter ore gekomen dat de problemen tussen de man en de vrouw en tussen de man en de minderjarigen best ingewikkeld zijn. Het lijkt noodzakelijk dat er intensieve gesprekken worden gevoerd alleen met de vrouw en alleen met de man om van daaruit een plan van aanpak op te maken bij voorkeur door een neutrale instantie. Gesprekken met partijen afzonderlijk zijn in deze situatie echt nodig om tot de kern van de problemen door te dringen. Als de man en de vrouw bereid zijn een dergelijk traject aan te gaan dan kunnen zij ieder individueel daarvoor de aandacht vragen bij de toegang van de gemeente. Dit vonnis kan daarbij als toelichting worden gebruikt.

4.10.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent - ter vervanging van de toestemming van de man - toestemming aan de vrouw om met de minderjarigen:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3]geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 3] ,

via Duitsland af te reizen naar Turkije en aldaar te verblijven in de periode van 29 juli 2026 tot en met 12 augustus 2026;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, griffier.

[afbeelding niet beschikbaar]

[afbeelding niet beschikbaar]