Personen- en familierecht
Kort geding - vervangende toestemming inschrijving basisschool in woonplaats van moeder, ondanks dat zoon van…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7433 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 10 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-7433
Zaakgegevens
Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Datum publicatie
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448696 / KG ZA 26-274
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F Ergec te Bergen op Zoom, mr. D.V. Garib te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7433
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding - vervangende toestemming inschrijving basisschool in woonplaats van moeder, ondanks dat zoon van partijen in op een andere basisschool zit - belang van het kind is leidend en niet de praktische bezwaren van ouders.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448696 / KG ZA 26-274
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. F. Ergec te Bergen op Zoom ,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D.V. Garib te Rotterdam.
Partijen zullen hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ genoemd worden.
Over de minderjarige:
- [minderjarige 1]geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022.
De voorzieningenrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met twee producties;
- de brief met bijlagen van mr. Ergec van 6 juli 2026, betreffende producties 3 en 4;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met zes producties, ingekomen bij de griffie op 6 juli 2026.
Op 8 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast zijn verschenen een medewerker namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat de vertegenwoordigster van de GI digitaal, via MS Teams, bij de zitting aanwezig was. Tevens is met bijzondere toestemming van de voorzieningenrechter als toehoorder bij de zitting aanwezig een stagiaire van mr. Garib.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018 (hierna: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022 (hierna: [minderjarige 1] ).
Het geschil tussen partijen heeft enkel betrekking op [minderjarige 1] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
Bij beschikking van 13 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 maart 2026 tot 13 maart 2027.
Bij beschikking van 27 maart 2026 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en er een zorgregeling geldt waarbij zij bij de man verblijven:
- de ene week van donderdag ( [minderjarige 2] na school, [minderjarige 1] om 9:00 uur) tot en met maandag ( [minderjarige 2] voor school, [minderjarige 1] tot 09:00 uur);
- de andere week van donderdag ( [minderjarige 2] na school, [minderjarige 1] om 09:00 uur) tot zaterdagochtend 10:00 uur.
Daarnaast heeft de rechtbank de regie voor de monitoring en de wijziging van voornoemde zorgregeling en vakantieregeling bij de GI belegd alsmede een regeling bepaald in het kader van videobellen.
Bij vonnis van 6 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter in het geschil van partijen over de inschrijving van [minderjarige 2] op een andere basisschool de vordering van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving afgewezen.
[minderjarige 2] gaat naar [basisschool 1] te [plaats 1] .
De vrouw woont in [woonplaats 2] . De man verblijft vooralsnog op een camping, maar heeft zicht op een woning in [plaats 2] per september 2026.
3. De vorderingen
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de man vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vrouw vervangt, om [minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool 1] , gelegen te [plaats 1] , een en ander onder veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, waaronder in ieder geval de kosten van de advocaat van de man en het griffierecht.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] , in te schrijven op de [basisschool 2] te [woonplaats 2] ;
- de man te veroordelen in de kosten van het geding.
4 De standpunten en het advies van de Raad
Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn vorderingen in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De zoon van partijen, [minderjarige 2] , zit op [basisschool 1] in [plaats 1] . Het ligt in de rede dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven op dezelfde basisschool. Dit zorgt voor de meeste stabiliteit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , alsook voor partijen zelf. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten dan op dezelfde school, op dezelfde locatie, beginnen en eindigen gelijktijdig de schooldag en hebben dezelfde studiedagen. Wanneer [minderjarige 1] op [basisschool 2] wordt ingeschreven vergt dit meer communicatie en afstemming tussen partijen. Bovendien zijn de schooltijden niet gelijk, wat zou betekenen dat wanneer de man [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit school moet halen, hij 45 minuten met [minderjarige 2] moet wachten voordat [minderjarige 1] uit is. Dit is niet in het belang van [minderjarige 2] . De stelling van de vrouw dat [minderjarige 2] geen aansluiting heeft met klasgenootjes, waar zij ook bij [minderjarige 1] voor vreest, wordt door de man betwist. [minderjarige 2] heeft vriendjes, doet het goed op school en er zijn geen signalen dat hij niet op zijn plek zit op zijn huidige school. De angst dat [minderjarige 1] sociaal geïsoleerd zal raken wanneer zij wordt ingeschreven op dezelfde school als [minderjarige 2] is dan ook ongefundeerd. [minderjarige 1] kan gewoon afspreken met vriendjes en vriendinnetjes, omdat de reistijd tussen de school in [plaats 1] en de woonplaats van [minderjarige 1] in [woonplaats 2] zeer beperkt is. Het standpunt van de man wordt bovendien ondersteund door de GI, maar ondanks dat wijkt de vrouw niet af van haar visie.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. Het enkele feit dat [minderjarige 2] naar [basisschool 1]
en [basisschool 1] gaat is voor de vrouw onvoldoende reden om [minderjarige 1] daar te laten inschrijven. De vrouw kan het advies van de GI dan ook niet volgen. Anders dan de man stelt, vormt een inschrijving van [minderjarige 1] op [basisschool 2] geen praktische belemmering. De scholen hebben weliswaar andere schooltijden, maar de school- en reistijden van de twee scholen zijn goed met elkaar te combineren. Daarbij geldt ook dat [minderjarige 2] al in de bovenbouw zit en het halfzusje van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de toekomst ook naar [basisschool 2] zal gaan. [minderjarige 1] heeft vriendjes en vriendinnetjes in de buurt die ook naar [basisschool 2] zullen gaan. In [plaats 1] heeft [minderjarige 1] geen sociale contacten. Hetzelfde geldt voor [minderjarige 2] . Hij wordt niet door kinderen uit [plaats 1] uitgenodigd om te spelen of voor een kinderfeestje. De vrouw wil niet dat bij [minderjarige 1] hetzelfde gaat gebeuren. Daarnaast is [basisschool 2] kleinschaliger, is er ruimte voor meer individuele aandacht en biedt het een rustige leeromgeving. [minderjarige 1] heeft dit nodig. Bovendien geeft [minderjarige 1] zelf aan naar [basisschool 2] te willen gaan.
Namens de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het lukt de ouders niet om samen afspraken te maken. Binnen de ondertoezichtstelling wordt hulpverlening ingezet. De ouders staan daarvoor op een wachtlijst. Op dit moment geldt er nog geen definitieve zorgregeling en is er nog geen ouderschapsplan. Regelingen over het halen en brengen kunnen dus nog worden aangepast. De GI adviseert om [minderjarige 1] in te schrijven op dezelfde school als [minderjarige 2] . Het kiezen voor verschillende scholen vraagt meer overleg en communicatie tussen de ouders, wat hen niet lukt. Bovendien gelden dan voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dezelfde schooltijden. De situatie is dan ook het meest stabiel als [minderjarige 1] ook zal worden ingeschreven op [basisschool 1] .
De Raad adviseert de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt. De Raad maakt zich zorgen over de wijze waarop ouders met elkaar omgaan en het hen niet lukt om afspraken met elkaar te maken. [minderjarige 1] wordt hiermee belast. Zij komt in een spagaat te zitten tussen haar beide ouders. Zij uit zich bij beide ouders nu al verschillend over wat zij zou willen. Dat is zorgelijk en wijst op een loyaliteitsconflict. Haar schoolgang verloopt nu al op een belastende manier, wijzend naar de wendag die de man voor haar heeft geregeld, zonder medeweten van de vrouw. De Raad ziet geen doorslaggevende reden om voor één van de scholen te kiezen; voor beide scholen valt wat te zeggen. Wanneer zij naar [basisschool 2] zal gaan, zal zij eerder zelfstandig worden. Anderzijds kennen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan andere schooltijden. Voor de Raad is het belangrijkste dat er een knoop wordt doorgehakt en [minderjarige 1] uit het conflict tussen haar ouders wordt gehaald.
5 De beoordeling
Spoedeisend belang
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Zij zijn het niet met elkaar eens over de inschrijving van [minderjarige 1] op een basisschool, terwijl beide ouders [minderjarige 1] volgend schooljaar naar de basisschool willen laten gaan. Daarvoor nodig is dat zij op korte termijn wordt ingeschreven.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Inhoudelijke beoordeling
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Aanleiding voor dit kort geding is het feit dat partijen het niet eens kunnen worden over de keuze van een basisschool voor hun dochter [minderjarige 1] . Over en weer vragen zij de voorzieningenrechter om vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven op school. Omdat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [minderjarige 1] is sprake van een geschil in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek dat aan de rechter kan worden voorgelegd.
De voorzieningenrechter stelt voorop, zoals tijdens de zitting ook is besproken, dat bij de beoordeling van de vorderingen van partijen het belang van [minderjarige 1] voorop staat. [minderjarige 1] wordt op [geboortedag 1] 2026 vier jaar oud en heeft daarmee de leeftijd bereikt dat zij naar de basisschool mag. Van belang is dan ook dat zij komend schooljaar naar de basisschool kan gaan. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Wel staat tussen partijen ter discussie naar welke basisschool [minderjarige 1] gaat. Zij hebben daarover beiden een eigen visie en zien in elkaars voorkeur bezwaren, waarvan een groot deel praktisch van aard is; verschillende schooltijden, reistijd tussen de scholen en andere studiedagen. De voorzieningenrechter ziet en hoort geen fundamentele redenen waarom wel (of niet) voor een van de scholen moet worden gekozen. In hun strijd lijken partijen het belang van [minderjarige 1] uit het oog te verliezen. Evenals de Raad maakt de voorzieningenrechter zich hierover grote zorgen. Het optreden van de GI, die uit praktische overwegingen heeft geadviseerd om [minderjarige 1] in te schrijven op [basisschool 1] , heeft tussen partijen niet tot een oplossing geleid. Een poging tot overleg tijdens de schorsing van de zitting heeft ook niet tot overeenstemming geleid. Samen met de Raad acht de voorzieningenrechter het van belang dat er een knoop wordt doorgehakt en [minderjarige 1] uit de strijd wordt gehaald. De voorzieningenrechter zal partijen in dit vonnis de duidelijkheid geven waar zij om vragen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in het belang van [minderjarige 1] dat zij wordt ingeschreven op [basisschool 2] te [woonplaats 2] . De eis in reconventie van de vrouw zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter slaat daarbij geen acht op de praktische bezwaren van de man; de toename in reistijd is minimaal, het schoolrooster met studiedagen is ruim van tevoren bekend en partijen kunnen daarop tijdig anticiperen. [minderjarige 2] zit al in de bovenbouw, wat maakt dat [minderjarige 1] een korte tijd samen met haar broer op dezelfde school zal zitten. Bovendien zal de man binnenkort verhuizen en zal zijn reistijd sowieso anders zijn. Dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] andere schooltijden hebben, is niet onoverkomelijk. Partijen kunnen, binnen de kaders van de ondertoezichtstelling en met hulp van professionals, afspraken maken over het halen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ter zitting is aangevoerd dat de zorgregeling nog niet definitief is, wat maakt dat partijen hun afspraken kunnen afstemmen op de inschrijving van [minderjarige 1] bij [basisschool 2] . Wanneer [minderjarige 1] in haar woonplaats, op zeer korte afstand van de woning van de vrouw bij wie zij haar hoofdverblijfplaats heeft, naar school gaat zal zij gemakkelijker met vriendjes en vriendinnetjes kunnen afspreken en heeft zij eerder de gelegenheid om zelfstandig te worden en bijvoorbeeld zelf naar school te kunnen lopen.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de man in conventie, betreffende de inschrijving van [minderjarige 1] op [basisschool 1] te [plaats 1] , zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat een inschrijving van [minderjarige 1] op [basisschool 2] meer overleg en afstemming van partijen zal vragen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij hen. [minderjarige 1] mag daardoor niet het kind van de rekening worden. Binnen de kaders van de ondertoezichtstelling kunnen én moeten partijen hiermee aan de slag.
Proceskosten
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal de over en weer door partijen ingediende vorderingen om de andere partij te veroordelen in de kosten van deze procedure dan ook afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal het vonnis, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Tot slot heeft de voorzieningenrechter van de man begrepen dat hij het voornamelijk van belang vindt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde basisschool zitten. De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging dat dit ook kan betekenen dat [minderjarige 2] wordt ingeschreven op [basisschool 2] te [woonplaats 2] , mits dit ook een wens van [minderjarige 2] is. Dit kan geschieden als partijen hierover overeenstemming kunnen bereiken.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
verleent de vrouw vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022, in te schrijven op [basisschool 2] te [woonplaats 2] ;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Kraats, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.