Personen- en familierecht
Volledige overeenstemming zorgregeling
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7790 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-7790
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/450016 / KG ZA 26-378
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken, mr. W.C.G.M. van Hoof te Tilburg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Volledige overeenstemming zorgregeling
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer C/02/450016 / KG ZA 26-378
17 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
maar feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
eiser,
advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde,
advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof te Tilburg.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de vordering geadviseerd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 5 producties;
- de conclusie van antwoord met 1 productie.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 9 juli 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de mondelinge behandeling is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, vergezeld door een collega. Ook is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad om de voorzieningenrechter over de vordering te adviseren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
3 De vorderingen
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen, waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- Het oneven weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 12.00 uur (waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer thuis brengt).
- Het even weekend van zaterdag 10.00 uur tot zaterdag 18.30 uur na het eten (waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer thuis brengt).
- Gedurende anderhalve week aaneengesloten in de vakantieperiode van 3 tot en met 23 augustus 2026, de dagen en tijden in onderling overleg nader te bepalen.
II. de vrouw te gebieden uitvoering te geven aan de onder I. verzochte zorgregeling, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat de vrouw de opgelegde omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,=.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
Op 13 juni 2026 heeft de vrouw de relatie van partijen verbroken. Sindsdien heeft de vrouw de man nog toegestaan om [minderjarige] te kunnen zien op 21 juni 2026 (Vaderdag), gedurende een uurtje. Dat is ook meteen de laatste keer dat de man [minderjarige] heeft mogen zien. Deze wending is voor de man onbegrijpelijk, omdat partijen geen ruzie met elkaar hebben. Uit het mailbericht van de vrouw aan zijn advocaat begrijpt de man dat de vrouw op dit moment nog geen contact wil toestaan tussen hem en [minderjarige] . Volgens de vrouw is het allemaal te onrustig voor [minderjarige] . Daarbij geeft de vrouw geen termijn of voorstel voor hervatting van het contact. Dit standpunt van de vrouw is voor de man onverteerbaar. Naar de mening van de man bestaat er geen enkele aanleiding om het contact tussen hem en [minderjarige] op te schorten.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan.
De vrouw geeft aan dat zij de relatie met de man beëindigd heeft, omdat de man weliswaar aardig was in de relatie, maar hij ook regelmatig opvliegend en explosief gedrag liet zien.
Daarbij kan de man ook explosief reageren naar [minderjarige] toe. Een tweede belangrijke reden voor de vrouw om de relatie te beëindigen is omdat de man in de ogen van de vrouw geen echte band heeft met [minderjarige] , hij daar ook geen moeite voor doet en hij negatief op haar reageert. Hierbij komt volgens de vrouw dat [minderjarige] een druk kind is dat niet zo goed luistert en moeilijk eet. De man kan op dat gedrag van [minderjarige] gepikeerd raken, tegen haar gaan snauwen en lelijke dingen zeggen. Momenteel gaat het met [minderjarige] weer redelijk goed.
Primair acht de vrouw het voor omgang tussen de man en [minderjarige] nog te vroeg.
Subsidiair acht de vrouw vaststelling van de door haar in de conclusie van antwoord onder randnummer 13. voorgestelde voorlopige zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] .
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast, nu sinds 21 juni 2026 elk contact tussen de man en [minderjarige] is uitgebleven.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen – na een korte schorsing – alsnog overeenstemming bereikt over hervatting van het contact tussen de man en [minderjarige] .
Partijen zijn de navolgende voorlopige zorgregeling overeengekomen:
De man en [minderjarige] zijn gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar op vrijdag 10 juli 2026 en op dinsdag 14 juli 2026 van 14.30 uur tot 18.30 uur.
Vervolgens zal [minderjarige] op zaterdag 18 juli 2026 van 10.00 uur tot 18.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven. Het weekend daarna, op zaterdag 25 juli 2026, zal [minderjarige] van 10.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de man verblijven.
Daarna zal [minderjarige] in de zomervakantie tijdens een periode van drie weken telkens drie keer gedurende twee dagen met overnachting bij de man verblijven. [minderjarige] wordt op dag 1 om 11.00 uur opgehaald en op dag 3 wordt [minderjarige] tussen 12.00 en 14.00 uur teruggebracht. Partijen zullen nog met elkaar in overleg gaan wat in die drie vakantieweken de meest passende dagen zullen zijn.
Voor na de zomervakantie hebben partijen de gedachte om door te gaan met een regeling, waarbij de man en [minderjarige] in de ene (even) week gerechtigd zullen zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdagmiddag van 14.30 uur (indien de man werkt om 15.00 uur) tot 18.30 uur. En in de andere (oneven) week van zaterdag op zondag.
De man zal telkens zorgdragen voor het ophalen en weer terugbrengen van [minderjarige] bij de vrouw.
Tevens hebben partijen met elkaar afgesproken dat zij bij het Centrum voor Jeugd en Gezin met elkaar in gesprek zullen gaan om voor de langere termijn tot afspraken te komen.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn vordering gewijzigd, en wel in die zin dat een voorlopige zorgregeling zal hebben te gelden als partijen ter zitting zijn overeengekomen. De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De Raad ondersteunt de tussen partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarige [minderjarige] .
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt acht de voorzieningenrechter het opleggen van dwangsommen niet nodig en zal hij de vordering ook voor het overige afwijzen.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering van de man, zoals ter zitting gewijzigd en beschreven in rechtsoverweging 4.2., toe;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
[afbeelding niet beschikbaar]
[afbeelding niet beschikbaar]