Strafrecht overig

Gegrond: beroep tegen verkeersboete, gedraging staat niet vast, gegrond en proceskostenvergoeding.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026

Zaakgegevens

Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
11588492 \ MB VERZ 25-414
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5746
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gegrond: beroep tegen verkeersboete, gedraging staat niet vast, gegrond en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Zittingsplaats Breda

zaaknummer : 11588492 \ MB VERZ 25-414

CJIB-nummer : [cjib-nummer]

uitspraakdatum : 9 juni 2026

proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats]

hierna: betrokkene

gemachtigde : [gemachtigde] (Meesterboete.nl)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 11 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Westerparklaan kruising Weerschijnvlinder te Breda op 11 november 2023 om 23:55 uur.

Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de inleidende beschikking vernietigd moet worden. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie en stelt dat de officier van justitie heeft nagelaten om het bewijs rond te hebben in de fase van bezwaar. Daarbij ontbreekt de foto en onderliggende meting in het dossier. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.

De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren, aangezien de schouwrapporten niet in orde zijn.

Overwegingen

Inhoudelijk

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de schouwrapporten niet in orde zijn. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.

Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Proceskostenvergoeding

Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is voor de fase bij de kantonrechter de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing. De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:

administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00

telefonische hoorzitting: 0,5 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 166,50

beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75

€ 616,25

Beslissing

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep gegrond;

‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;

‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 119, dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 616,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Datum verzending:

Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.