Strafrecht overig
Woningoverval Breskens. Inrijden op politie tijdens vlucht. Medeplegen. DNA-profiel met extreem grote…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 februari 2019
ECLI:NL:RBZWB:2019:688 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2019-688
Zaakgegevens
Op 20 februari 2019 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 20 februari 2019
- Datum publicatie
- 20 februari 2019
- Zaaknummer
- 02-700264-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2019:688
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Woningoverval Breskens. Inrijden op politie tijdens vlucht. Medeplegen. DNA-profiel met extreem grote bewijskracht. Strafmaat.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/700264-17
vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2019
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring De Schie, te Rotterdam ,
raadsvrouw mr. C.M. Koole, advocaat te Goes.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2019, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Aan verdachte is, met inachtneming hiervan, ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 20 december 2017 te Breskens, in de gemeente Sluis,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of
bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van enig
goed, te weten een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
en/of
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
portemonnee en/of een hoeveelheid geld en/of vier, althans een of meer
horloge(s) en/of autosleutel(s) en/of een auto (Range Rover), in elk geval
enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd
van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] en/of [naam 2]
, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of
zijn/haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit
van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte
en/of zijn mededader(s) die [naam 2] meermalen, althans eenmaal, met een
pistool althans hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of
meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt
en/of die [naam 1] meermalen, althans eenmaal, met een pistool, althans hard
voorwerp, tegen het lichaam en/of het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [naam 1]
met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
heeft/hebben bedreigd en/of geroepen - zakelijk weergegeven - dat hij/zij geld
wilde(n) hebben.
2.
hij op of omstreeks 20 december 2017 te Breskens, gemeente Sluis, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om twee, althans
een opsporingsambtena(a)r(en) van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant
(ZEBRA-01 en/of ZEBRA-02) opzettelijk van het leven te beroven,
met een auto (Range Rover) met hoge/aanzienlijke snelheid door een (gesloten)
hek is gereden tegen/op een dienstvoertuig van voornoemde
opsporingsambtena(a)r(en) (die dat voertuig tijdig uit kon(den) vluchten),
waarna de verdachte(n) met deze auto zijn/hun weg vervolgden waarbij werd
gereden in de richting van (een) van die opsporingsambtena(a)r(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2017 te Breskens, gemeente Sluis, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om twee, althans
een opsporingsambtena(a)r(en) van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant
(ZEBRA-01 en/of ZEBRA-02) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een auto (Range Rover) met hoge/aanzienlijke snelheid door een (gesloten)
hek is gereden tegen/op een dienstvoertuig van voornoemde
opsporingsambtena(a)r(en) (die dat voertuig tijdig uit kon(den) vluchten),
waarna de verdachte(n) met deze auto zijn/hun weg vervolgden waarbij werd
gereden in de richting van (een) van die opsporingsambtena(a)r(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 primair samen met medeverdachte [naam 3] heeft begaan. Verdachte [verdachte] heeft een bekennende verklaring afgelegd over zijn aandeel aan de woningoverval en over de wijze waarop ze zijn gevlucht. Uit de bewijsmiddelen komt als meest plausibele toedracht naar voren dat het verdachte [naam 3] is geweest die de tweede dader van de overval was en dat hij de bestuurder van de Range Rover was die op het dienstvoertuig van de agenten is ingereden. De gevonden kleding is van de tweede dader van de overval, en op deze kleding wordt het DNA van verdachte [naam 3] aangetroffen met de meest verstrekkende match. Het petje is doorschoten met een politiekogel. Verdachte [naam 3] had een motief, hij wist de aangevers te wonen en hij wist dat ze over contant geld konden beschikken. Uit de telefoongegevens van verdachte [naam 3] is gebleken dat hij zowel de dagen vóór de overval als ook op de dag van de overval in Zeeland en in Zeeuws-Vlaanderen is geweest. Deze bewijsmiddelen worden in onderling verband en samenhang bezien.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2
Verdachte heeft geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de twee politieagenten. Er kan niet worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededader van dit feit, omdat verdachte geen enkele uitvoeringshandeling heeft verricht, en omdat hij ook in de voorbereiding of afhandeling geen enkele rol heeft gespeeld. Er was niets afgesproken over het wegrijden. Het louter aanwezig zijn is onvoldoende voor het aannemen van medeplegen. Verder heeft verdachte geen enkele mogelijkheid gehad om de bestuurder tegen te houden. Hij kon zich niet distantiëren van het door de ander uitgeoefende geweld.
De kans dat de agenten geraakt zouden worden en daardoor zouden komen te overlijden of zwaar letsel zouden oplopen is niet aanmerkelijk te noemen.
Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 2 primair en subsidiair.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Wat is er op 20 december 2017 gebeurd?
Op basis van het dossier gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
Op 20 december 2017 om ongeveer 19:00 uur is de woning aan [adres 2] te Breskens overvallen door twee overvallers. Aangever [naam 2] heeft hierover het volgende verklaard.
[naam 2] kwam om ongeveer 19:00 uur aan bij de woning. Hij reed in de Range Rover van [naam 1] door de geopende ijzeren toegangspoort over de oprit het erf op en parkeerde de auto bij de voordeur van de woning. Toen hij uitstapte hoorde hij voetstappen. Hij zag twee personen met bivakmutsen komen aanrennen vanuit de richting van de poort. Beide personen hadden een vuurwapen. Met één van die vuurwapens werd hij hard op zijn hoofd geslagen, waardoor hij voor de voordeur op de grond viel. Toen hij op de grond lag werd hij geschopt. Zijn handen werden met tape achter zijn rug vastgebonden. Er werd in het Engels aan hem gevraagd “where is the money”. Toen zijn vrouw, aangeefster [naam 1] , de voordeur opendeed stormden de twee overvallers naar binnen. [naam 2] bleef liggen voor de voordeur. Toen ze weer naar buiten kwamen vroegen ze [naam 2] om geld en de autosleutel. De autosleutel is door één van de overvallers gepakt, zijn portemonnee heeft [naam 2] zelf afgegeven. Daarna zijn de overvallers in de Range Rover gestapt. Ze reden heel hard achteruit en toen de oprit af. Volgens [naam 2] was de ene dader groter dan de andere dader en was de kleinere dader heel agressief.
Aangeefster [naam 1] heeft over het voorval verklaard dat ze rond 19:00 uur een bonk of klap hoorde buiten aan de voordeur. Ze hoorde haar man heel hard “au” roepen. Toen ze bij de voordeur ging kijken zag ze door het raam naast de deur haar man al liggen. Haar dochter deed de voordeur open. [naam 1] zag dat haar man veel bloed aan zijn hoofd had. Hij lag heel raar met zijn handen op zijn rug. Ze zag direct daarna twee personen bij haar man. Toen wilde ze snel de voordeur weer sluiten, maar omdat tegen de deur werd geduwd lukte dat niet. De persoon die zij dader 1 noemt kwam als eerste naar binnen. Hij drukte een pistool tegen haar hoofd. Het was een zwart pistool. Dader 1 gooide haar direct op de grond. Toen zij op de grond lag sloeg dader 1 haar met het pistool op haar rechter knie. Beide daders hebben daarna geprobeerd om haar handen achter haar rug vast te binden met tape, maar dat lukte niet. In de Engelse taal werd haar om geld en naar de kluis gevraagd. [naam 1] heeft geantwoord dat er geen kluis in huis was. Dader 1 werd ‘helemaal gek’ en bleef haar maar slaan. Op een gegeven moment heeft ze hem verteld dat ze wel wat geld in haar portemonnee had. Toen ze was opgestaan trok dader 1 haar aan haar haren mee. In de bijkeuken heeft [naam 1] het geld uit haar portemonnee gepakt. Dader 1 werd erg boos omdat er maar zo weinig geld was. Hierna heeft hij haar meegenomen naar de woonkamer en op de bank gegooid. Op de bank werd [naam 1] ook geslagen en steeds was er de dreiging van het pistool. Dader 1 heeft toen ook een kussen op haar gezicht geduwd. Dader 2 zag zij pas weer toen ze op de bank lag. Achteraf is gebleken dat hij op de eerste verdieping de kasten heeft doorzocht. Toen dader 2 naar beneden kwam zijn de daders vertrokken. Vanuit de kamer zag zij dat haar auto keihard naar het hek reed en het hek stuk reed.
Dader 1 was geheel in het zwart gekleed en kleiner dan dader 2. Dader 2 droeg een halflange jas.
Uit de door de forensisch geneeskundige van de Ggd opgemaakte beschrijving van het letsel van [naam 1] komt naar voren dat sprake is van licht huidletsel aan de rechter knie, rode plekken op beide polsen, en kleine schaafwondjes.
Uit de door de forensisch geneeskundige van de Ggd opgemaakte beschrijving van het letsel van [naam 2] komt naar voren dat sprake is van meerdere gehechte huidwonden op het achterhoofd/behaarde hoofdhuid en lichte roodheid op de knieën. Uit medische informatie van de huisarts van [naam 2] blijkt dat [naam 2] op 20 december 2017 onder behandeling is geweest in het ziekenhuis in Knokke vanwege een schedelbreuk.
Betrokkenheid verdachte [verdachte]
Beide (stief)kinderen van [naam 2] en [naam 1] waren tijdens de overval in de woning en hebben zich achter een gordijn verstopt. Eén van hen heeft 112 gebeld. Naar aanleiding van de melding zijn twee verbalisanten bij de toegangspoort van het erf gearriveerd terwijl de overvallers nog in de woning waren. Verbalisanten ‘Zebra 1’ en ‘Zebra 2’ hebben gerelateerd dat zij rond 19:00 uur een melding kregen van een mogelijke woningoverval op het adres [adres 2] te Breskens. Zij gingen ter plaatse. Aangekomen bij het adres heeft Zebra 1 het dienstvoertuig een klein stuk op het begin van de oprit gedraaid. Op het moment dat zij voor het gesloten hek stonden zagen zij op de oprit op minder dan 30 meter achter het hekwerk, twee koplampen oplichten. Een groot voertuig kwam op hen afrijden. Het voertuig ramde het hek en raakte het dienstvoertuig. Het voertuig kwam kort daarna tot stilstand. In het voertuig werd op de bijrijdersstoel beweging gezien. De persoon die uit het voertuig kwam bleek verdachte [verdachte] te zijn. In zijn kleding werd een ongeladen vuurwapen aangetroffen, alsmede de portemonnee van [naam 2] .+ Verder werden twee horloges van de slachtoffers bij verdachte [verdachte] aangetroffen. Verdachte [verdachte] was bij zijn aanhouding geheel in het zwart gekleed.
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij samen met een ander de woningoverval heeft gepleegd en dat hij daarbij een vuurwapen heeft gebruikt. De mededader heeft ervoor gezorgd dat ze de woning binnen kwamen. Verdachte [verdachte] is in de woning beneden en boven geweest. Hij heeft in het Engels gevraagd waar het geld lag. Verdachte [verdachte] en de mededader hadden afgesproken dat ze onderling Engels tegen elkaar zouden spreken.
Verdachte [verdachte] heeft een horloge en geld gepakt. Beneden heeft hij het vrouwelijke slachtoffer hardhandig vanuit de keuken meegetrokken en in de woonkamer op de bank gegooid. Daar moest ze gaan liggen. Hij heeft toen een kussen op haar hoofd gedaan zodat ze niets kon zien. Hij hield haar op de bank zodat er verder doorzocht kon worden. Medeverdachte [verdachte] had gedurende die handelingen het vuurwapen in zijn hand.+ Toen de mededader klaar was liep die naar buiten naar de auto. Verdachte [verdachte] is er toen achteraan gegaan. De mededader was als eerste bij de auto en was daarom de bestuurder. Hij had de sleutel van die auto. Verdachte [verdachte] is toen ingestapt en ze zijn weggereden.
Verdachte [verdachte] heeft niet willen verklaren wie de mededader was.
Gelet op deze verklaring van verdachte [verdachte] en de kleding die hij bij zijn aanhouding droeg gaat de rechtbank ervan uit dat hij degene is geweest die door [naam 1] is aangemerkt als dader 1 en door [naam 2] is omschreven als de heel agressieve dader.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] één van de daders van de woningoverval is geweest.
Betrokkenheid verdachte [naam 3]
Op 14 februari 2018 zijn in een schuur bij een vakantiewoning in Breskens kledingstukken gevonden die niet toebehoorden aan de eigenaren van die vakantiewoning. De kleding betrof een halflange jas, een joggingbroek en een pet. De afstand tussen de overvallen woning en de vakantiewoning is hemelsbreed 900 meter. Omdat het vermoeden bestond dat de kleding mogelijk te maken kon hebben met de overval, is de kleding door de politie in beslag genomen en onderzocht. In de jaszakken van de jas werden onder meer aangetroffen een stuk bruine tape, een zwart gelaatsmasker en een Mercedes autosleutel. Deze autosleutel bleek te behoren bij de Mercedes bestelbus van het visbedrijf van [naam 2] . Het stuk bruine tape is vergeleken met de stukken bruine tape die zijn aangetroffen in de overvallen woning. Uit dit vergelijkend onderzoek is naar voren gekomen dat die verschillende stukken tape soortgelijk zijn.
De jas voldoet deels aan de omschrijving die door aangeefster [naam 1] wordt gegeven van de jas van dader 2.
De aangetroffen pet bevatte aan de voorkant twee kleine perforaties. Uit het dossier komt naar voren dat door de ter plaatse aanwezige politieagenten is geschoten op de auto die van het erf kwam, door het (gesloten) hek is gereden en daarna het politievoertuig heeft geraakt. Deze auto betrof de Range Rover van aangeefster [naam 1] . De politiekogels zijn door de ramen van het bestuurdersportier en het passagiersportier van de Range Rover gegaan.
Er is forensisch onderzoek verricht aan de pet om na te gaan of daarop schotresten aanwezig zijn. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) heeft geconcludeerd dat haar onderzoeksbevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de hypothese ‘op de bemonsteringen van de pet zijn schotresten aanwezig’ waar is dan wanneer de hypothese ‘op de bemonsteringen van de pet zijn géén schotresten aanwezig’ waar is. Uit dat onderzoek van het NFI komt naar voren dat in de aangetroffen schotresten één categorie
A-deeltje is aangetroffen met een elementsamenstelling die karakteristiek is voor gemarkeerde munitie zoals die wordt gebruikt door de Nederlandse politie. Categorie A-deeltjes zijn deeltjes waarvan geen andere bron van herkomst bekend is dan een schietproces.
Op basis van de hierboven genoemde onderzoeksbevindingen en omdat de afstand van de schuur tot de overvallen woning hemelsbreed slechts 900 meter bedraagt en die route rechtstreeks over een stuk land gelopen kan worden, gaat de rechtbank ervan uit dat de aangetroffen kleding is gedragen bij de overval door de tweede dader.
Aan de aangetroffen jas en pet is ook DNA-onderzoek verricht. Het DNA-profiel dat is verkregen uit de bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de jas matcht met het DNA-profiel van verdachte [naam 3] dat is opgeslagen in de DNA-databank, waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard.
Op de pet zijn bloedsporen aangetroffen, met name bij de twee perforaties. De DNA-profielen verkregen uit het bloedspoor aan de voorkant binnenzijde van de pet en uit het bloedspoor aan de achterkant binnenzijde van de pet matchen met het DNA-profiel van verdachte [naam 3] , waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard.
De rechtbank begrijpt dat de matchkans staat voor de kans dat een willekeurig niet aan de donor verwant persoon dit DNA-profiel heeft, en dat deze extreem kleine matchkansen dus resulteren in een extreem grote bewijskracht. De rechtbank combineert deze bewijskracht met de overige bevindingen in het dossier.
Er is onderzoek gedaan naar telefoongegevens van verdachte [naam 3] . Hieruit is naar voren gekomen dat het zeer aannemelijk is dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ) en [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) in gebruik zijn geweest bij verdachte [naam 3] .
Onderzoek naar de contacten van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] leverde op dat dit telefoonnummer in de periode vóór en op 20 december 2017 vele malen contact had met de telefoonnummers van de halfbroer, de stiefvader, de vrouw en de schoonmoeder van verdachte [naam 3] .Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] had op 13 en 18 december 2017 ook telefonisch contact met getuige [naam 6] . Deze getuige heeft verklaard dat hij met verdachte [naam 3] contact heeft gehad en hem ook heeft ontmoet. De verdediging heeft ter terechtzitting bevestigd dat verdachte [naam 3] [naam 6] heeft ontmoet.
Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de simkaart met het telefoonnummer
[telefoonnummer 2] was uitgeleverd aan [naam 9] aan de President Kennedylaan in Uden. Dit adres is 750 meter verwijderd van de woning van de schoonmoeder van verdachte aan [adres 3] te Uden, waar verdachte verbleef.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is verder teruggevonden in de contactenlijst van getuigen [naam 7] en [naam 8] , die over dit telefoonnummer hebben verklaard dat zij dit telefoonnummer hadden gekregen van iemand omdat de persoon van dat telefoonnummer volgens degene die het telefoonnummer gaf hen meer kon vertellen over de woningoverval waarbij ook hun vriend verdachte [verdachte] was betrokken. [naam 7] en [naam 8] hadden dit telefoonnummer in hun contactenlijst opgeslagen onder de naam ‘Turk’ respectievelijk ‘ [naam 3] ’.+
Verdachte heeft zich met betrekking tot deze onderzoeksgegevens beroepen op zijn zwijgrecht.
De rechtbank gaat er op grond van deze onderzoeksgegevens en omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat van het tegendeel, van uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in genoemde periode in gebruik is geweest bij verdachte [naam 3] .
Uit onderzoek naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] kwam naar voren dat dit telefoonnummer in de periode van 12 december 2017 tot 11 juni 2018 veel contact heeft gehad met de telefoonnummers van de vrouw en van de schoonmoeder van verdachte [naam 3] . Op 30 mei 2018 wordt een telefoongesprek afgeluisterd. Het telefoonnummer van de vrouw van verdachte, dat wordt afgeluisterd, maakt contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De vrouw van verdachte heeft dan een man aan de lijn en zij noemen elkaar ‘schatje’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man die aan dit telefoongesprek deelneemt en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] verdachte [naam 3] is. Verder is dit telefoonnummer op 31 mei 2018 gelokaliseerd op of in de directe omgeving van het adres [adres 3] te Uden. Op dit adres werd die dag verdachte [naam 3] aangehouden.
De rechtbank gaat op grond van deze onderzoeksgegevens én op grond van de hieronder weergegeven zendmastgegevens van dit telefoonnummer op 20 december 2017 ervan uit dat ook telefoonnummer [telefoonnummer 1] bij verdachte in gebruik was in de genoemde periode.
Uit het aantal contactgegevens van beide telefoonnummers leidt de rechtbank af dat verdachte de telefoons met daarin de telefoonnummers een groot deel van de tijd bij zich droeg in de periode dat hij deze telefoonnummers gebruikte.
Uit onderzoek naar de zendmastgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is gebleken dat het telefoonnummer op 20 december 2017 om 00:40 uur en 08:40 uur is aangestraald op een zendmast in Uden, de plaats waar verdachte verbleef in de woning van zijn schoonmoeder. Om 12:46 uur is het telefoonnummer die dag voor het eerst aangestraald op een zendmast in Zeeuws-Vlaanderen, te weten Philippine. Om 14:30 uur is het telefoonnummer die dag voor het laatst aangestraald op een zendmast, in Aardenburg. In de tussenliggende periode straalde het telefoonnummer aan op zendmasten in Biervliet, IJzendijke en Schoondijke. Na 20 december 2017, 14:30 uur is het telefoonnummer niet meer in gebruik geweest.
Uit het onderzoek blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 20 december 2017 op vrijwel dezelfde tijdstippen dezelfde zendmasten heeft aangestraald als het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
Verdachte heeft zich voor wat betreft de onderzoeksresultaten van de zendmastgegevens van 20 december 2017 en van de historische gegevens van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en
[telefoonnummer 1] beroepen op zijn zwijgrecht. In het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario is geen verklaring gegeven voor deze onderzoeksgegevens. Verdachte heeft geen alibi voor het tijdstip van de woningoverval gepresenteerd.
Met inachtneming daarvan gaat de rechtbank er op grond van de zendmastgegevens vanuit dat verdachte op 20 december 2017 in Zeeuws-Vlaanderen was, op relatief korte afstand van de overvallen woning.
Aangevers [naam 1] en [naam 2] hebben beiden verklaard dat de daders verschilden in lengte. Volgens [naam 1] was dader 1, te weten verdachte [verdachte] , kleiner dan
dader 2. Ter terechtzitting van 6 februari 2019 heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte [verdachte] kleiner is dan verdachte [naam 3] .
Uit het politieonderzoek zijn geen aanknopingspunten naar voren gekomen dat verdachte [verdachte] de aangevers kende of dat hij wist waar hun woning was gelegen. Dit is anders voor verdachte [naam 3] . Getuige [naam 10] , de halfbroer van verdachte [naam 3] en werknemer bij één van de visbedrijven van aangevers, heeft verklaard dat verdachte [naam 3] hem tot twee jaar geleden met enige regelmaat kwam opzoeken bij het visbedrijf waar [naam 10] werkte en dat verdachte [naam 3] daardoor ook de aangevers kende. Ook heeft aangeefster [naam 1] verklaard dat zij enkele jaren geleden - een vriendschappelijke relatie met verdachte [naam 3] heeft gehad. Zij heeft hem toen een geldbedrag van enkele duizenden euro’s geleend. Mede gelet op deze contacten acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte [naam 3] bekend was met de locatie van de woning van de aangevers en de gezinssamenstelling, en dat hij bekend was met hun bedrijfsmatige activiteiten en hun financiële positie. Het mag bekend worden verondersteld dat in de vishandel veel contant geld omgaat. Verdachte [naam 3] kon dus weten dat de aangevers over contant geld konden beschikken.
Samengevat bevat het dossier bewijs dat de bij de vakantiewoning aangetroffen kleding bij de woningoverval is gedragen door de tweede dader, dat op die kleding DNA van verdachte [naam 3] is aangetroffen, en verdachte [naam 3] op de dag van de overval op 20 december 2017 in Zeeuws-Vlaanderen geplaatst kan worden. Verdachte [naam 3] is groter dan verdachte [verdachte] , wat overeenkomt met de omschrijving van de daders door de aangevers. Verdachte [naam 3] kende de aangevers, wist van hun bedrijfsactiviteiten en hun financiële positie, en kende de locatie van hun woning.
Op basis van deze bewijsmiddelen, in hun onderlinge samenhang bezien, staat voor de rechtbank vast dat verdachte [naam 3] de tweede dader van de woningoverval is geweest.
Het standpunt van de verdediging dat de bewijsmiddelen niet in samenhang mogen worden bezien, maar dat ieder bewijsmiddel slechts op zichzelf moet worden gewaardeerd volgt de rechtbank niet. Noch de wet, noch de jurisprudentie biedt aanknopingspunten voor dat standpunt. De rechtbank is vrij in haar selectie van bewijsmiddelen en de waardering daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksresultaten in de aangehaalde bewijsmiddelen geheel passen in het scenario dat verdachte [naam 3] de tweede dader van de woningoverval is geweest. De bewijskracht van de aangehaalde bewijsmiddelen in samenhang bezien is zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van wettig en overtuigend bewijs van de betrokkenheid van verdachte [naam 3] .
Medeplegen
Uit de verklaringen van de aangevers en verdachte [verdachte] komt naar voren dat de verdachten de woningoverval van het begin tot het eind samen hebben uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat tussen de verdachten [verdachte] en [naam 3] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking in de uitvoering van de woningoverval.
Ten aanzien van feit 2
Wat is er gebeurd?
[naam 2] , verdachte [verdachte] en de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 hebben verklaard dat de verdachten met de Range Rover van [naam 1] na de woningoverval van het erf van de woning zijn gereden, waarbij zij het toegangshek – dat gesloten was – hebben geramd. Achter dit toegangshek stond het dienstvoertuig van de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2. Zij zaten in dat dienstvoertuig. Vanwege de snelheid waarmee de Range Rover op hen af kwam en toen duidelijk werd dat het toegangshek geramd zou worden, zijn de verbalisanten uit het dienstvoertuig gesprongen, waarna de Range Rover door het gesloten toegangshek reed en daarna tegen de rechter voorkant van het dienstvoertuig botste. De Range Rover is vervolgens rechtsaf geslagen en nog een korte afstand doorgereden en tenslotte in de linkerberm van de Slikkenburgseweg tot stilstand is gekomen.
Medeplegen
Hierboven heeft de rechtbank reeds overwogen dat verdachten [verdachte] en [naam 3] de woningoverval tezamen en in vereniging hebben uitgevoerd. Vast staat dat de woning in het buitengebied ligt. Verdachten hebben er rekening mee moeten houden dat de slachtoffers, na hun vertrek, direct de politie zouden bellen. Zij moeten dus ook hebben nagedacht over de manier waarop zij zouden vluchten. Bij of in de omgeving van de woning is geen vluchtauto aangetroffen.
Door verdachte [naam 3] is aan [naam 2] gericht om de autosleutels van zijn auto gevraagd. Ook heeft hij gevraagd naar de afstandsbediening om het toegangshek te openen. Verdachte [naam 3] heeft vervolgens de auto gestart en verdachte [verdachte] is zonder enige aansporing in de auto gestapt. De rechtbank komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de manier waarop de verdachten na de woningoverval zijn gevlucht, te weten met een auto van de bewoners van de overvallen woning, besloten lag in het plan dat zij hadden gemaakt over de uitvoering van de woningoverval.
Het doel van de vlucht met de auto van de aangevers na de woningoverval kan geen andere zijn geweest dan te ontkomen met de buit en uit handen te blijven van de politie. Verdachten hebben bij het zien van het politievoertuig – dat duidelijk zichtbaar geparkeerd stond achter het toegangshek van de overvallen woning – daadwerkelijk geprobeerd op de vlucht te slaan om aan aanhouding te ontkomen. Dat daardoor gevaarlijke verkeerssituaties kunnen ontstaan ligt voor de hand. Voor verdachten was dit te voorzien. De wijze waarop verdachten met de Range Rover zijn gevlucht lag als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de gewapende woningoverval, dat ook wat betreft die vlucht en de daaruit voortvloeiende botsing met het politievoertuig zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Of verdachte [verdachte] zich tijdens de vlucht al dan niet heeft kunnen distantiëren van het vluchtgedrag van de bestuurder (verdachte [naam 3] ), zoals door de verdediging is aangevoerd, doet hieraan niet af. Door met een ander bewust deel te nemen aan een beroving waarbij voorafgaand, blijkens de aanwezigheid van een vuurwapen en andere attributen, werd geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of dreiging met geweld heeft verdachte [verdachte] zich verbonden aan hetgeen in de uitvoering daarvan besloten lag, te weten een eventuele vlucht waarbij geweld niet zou worden geschuwd. Overigens zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou volgen dat verdachte [verdachte] niet met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag instemde (vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2018:740)
Omstandigheden waarmee de rechtbank ook rekening houdt
Om te beoordelen of door het handelen van verdachten sprake is geweest van een poging tot doodslag dan wel een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 acht de rechtbank de volgende nadere feiten en omstandigheden van belang.
Het dienstvoertuig van de verbalisanten stond achter het toegangshek – een hek met spijlen --en het blokkeerde slechts gedeeltelijk de toegang naar de openbare weg, aldus
Zebra 1. De verlichting van het dienstvoertuig scheen in de richting van de woning. Uit het technisch onderzoek aan het dienstvoertuig is naar voren gekomen dat het dienstvoertuig op het moment van het uitkomen van de airbags verlichting voerde. De rechtbank begrijpt dat dit was op het moment dat de politieauto door de Range Rover werd geraakt. Het voeren van verlichting heeft naast de lichtgevende striping die op het dienstvoertuig is aangebracht, de zichtbaarheid van de politieauto vergroot. De Range Rover voerde eveneens verlichting toen deze het erf afreed, zo hebben verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 gerelateerd. Verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij achter het toegangshek een politieauto zag. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het dienstvoertuig voor verdachte [naam 3] als bestuurder ook zichtbaar moet zijn geweest, met name toen hij het toegangshek steeds dichter naderde.
Uit het technisch onderzoek van de Range Rover komt naar voren dat de Range Rover het toegangshek raakte met een snelheid gelegen tussen de 42,01 kilometer per uur en 35,55 kilometer per uur, terwijl de bestuurder het rempedaal bediende. Vervolgens accelereerde de bestuurder en botste met een snelheid tussen de 34,95 kilometer per uur en 26 kilometer per uur tegen het dienstvoertuig, waarbij de airbag aan de bijrijderszijde in werking trad. Hierdoor trad de ongevalsuitschakeling in werking waarbij de motor van de Range Rover werd uitgeschakeld.+
Het dienstvoertuig werd aan de rechter voorkant geraakt. De airbags aan het stuurwiel, het dashboard en de gordijnairbags aan beide zijden zijn in werking getreden.
De Range Rover had recente aanrijdschade aan de linker voorzijde, en de airbag in het dashboard was in werking getreden.
Uit het feit dat in beide auto’s airbags in werking zijn getreden, leidt de rechtbank af dat de impact van de botsing tussen beide auto’s aanzienlijk moet zijn geweest.
De verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 hebben verklaard dat zij op het moment dat hun dienstvoertuig werd geraakt nog dichtbij hun dienstvoertuig stonden. Zebra 1 heeft verklaard dat hij de bestuurder was en dat hij aan zijn kant uit het dienstvoertuig sprong. Hij rende en struikelde naar de linkerkant van de oprit. Op het moment dat hij uit het voertuig sprong en nog dicht bij dat voertuig was, ramde de Range Rover het hek van de oprit. De afstand tussen Zebra 1 en dat hek was toen maximaal vier meter. Toen het hek geraakt werd stond hij nog voor het hek. Na het hek reed de Range Rover in op het dienstvoertuig, terwijl er voldoende ruimte was om met de Range Rover langs het dienstvoertuig te rijden.
Zebra 2 heeft verklaard dat hij bijrijder was in het dienstvoertuig. Toen hij uit het dienstvoertuig sprong, kwam hij rechts van dat voertuig terecht. Hij hoorde op dat moment een harde knal en zag dat de Range Rover het toegangshek tot het erf open ramde. Hij zag vervolgens dat de Range Rover het dienstvoertuig ramde aan de rechtervoorkant. Op het moment dat de Range Rover het dienstvoertuig ramde stond hij in het gras, nog naast het voertuig, ongeveer drie tot vier meter van de plaats van de aanrijding vandaan.
De rechtbank houdt ook rekening met het volgende. De rechtbank acht aannemelijk dat door het frontaal inrijden op het hoge ijzeren toegangshek de Range Rover vanaf dat moment kortdurend niet steeds onder controle is geweest. Ondanks de impact van het inrijden op het hoge ijzeren toegangshek heeft verdachte [naam 3] , die bestuurder was, na het doorrijden van het hek nog geaccelereerd, waarna het dienstvoertuig aan de rechter voorzijde is geraakt.
Opzet
De rechtbank moet beoordelen of de verdachten door op de hierboven omschreven wijze te rijden en het dienstvoertuig van de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 te raken, opzet hadden op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die verbalisanten.
De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten dat verdachten het vol opzet hadden om de verbalisanten te doden of om hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachten voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (25 maart 2003, NJ 2003/552) aanwezig is, als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans (1) dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van die vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is voorts vereist dat verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (2). Uit de enkele omstandigheid dat de wetenschap van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg bij de verdachte aanwezig is of bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld, dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over dat wat op het moment van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Ook daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties (3) – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Aanmerkelijke kans (1)
Was de kans dat verdachten door hun rijgedrag de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2 zouden doden of zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen aanmerkelijk? De rechtbank neemt voor de beantwoording van die vraag in aanmerking dat door de verdachten met de Range Rover op het erf van de overvallen woning al zodanig geaccelereerd was dat het toegangshek met een snelheid van tussen de 42.01 en 35,55 kilometer per uur werd geraakt. Meteen na de klap tegen het hek werd weer geaccelereerd en reden zij met een iets lagere snelheid vanaf de uitrit van het erf af op een haaks op die uitrit gelegen openbare weg.
In het algemeen wordt op een erf bij een woning stapvoets gereden. Onder stapvoets dient gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad te worden verstaan 15 kilometer per uur
(HR 5 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AJ6603). Verder dient bij het naderen van een openbare weg altijd rekening gehouden te worden met medeweggebruikers, zeker wanneer die in het donker mogelijk niet meteen zichtbaar zijn. Verdachten reden veel harder dan stapvoets en zij moesten in ieder geval rekening houden met het dienstvoertuig van verbalisanten dat voor de verdachten zichtbaar was. Gelet op wat zich had afgespeeld in en bij de woning van de aangevers konden verdachten er op rekenen dat de politie er alles aan zou doen om hun vlucht te verijdelen en moesten zij bovendien rekening houden met de aanwezigheid van politieagenten in of bij het dienstvoertuig.
Gelet op de relatief beperkte snelheid op het moment van de botsing van de Range Rover met het dienstvoertuig, is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de verbalisanten, indien zij door de Range Rover zouden zijn geraakt, het leven zouden laten niet aanmerkelijk is.
De rechtbank acht, gelet op de snelheid en het type voertuig (volgens algemeen toegankelijke informatiebronnen met een gewicht van circa 2.200 kilogram), de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel wel aanmerkelijk.
Bewuste aanvaarding (2)
Vervolgens is de vraag of verdachten de aanmerkelijke kans dat zij verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen bewust hebben aanvaard (op de koop toe genomen hebben). De grens tussen voorwaardelijk opzet en schuld wordt bepaald door de bewustheid van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. Bij voorwaardelijk opzet handelt een verdachte terwijl hij zich bewust is van de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg. Bij bewuste schuld handelt een verdachte terwijl hij zich daarvan niet bewust is.
De verklaringen van verdachten geven geen inzicht in wat ten tijde van de gedragingen in hen is omgegaan. Op basis daarvan weet de rechtbank niet of zij de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust hebben aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beschreven gedragingen van verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm echter aan te merken als zodanig gericht op het ontstaan van letsel bij de verbalisanten dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. De rechtbank kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan het feit dat na de botsing met het hek opnieuw is geaccelereerd, hetgeen erop duidt dat verdachten koste wat het kost wilden ontkomen aan de politie, ook als dat ertoe zou leiden dat politieagenten letsel zouden oplopen.
Contra-indicaties (3)
Contra-indicaties die erop wijzen dat de verdachten de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten niet -langer- aanvaardden, zijn niet gebleken.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, verdachten vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde (poging doodslag) en zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachten voorwaardelijk opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten Zebra 1 en Zebra 2.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op of omstreeks 20 december 2017 te Breskens, in de gemeente Sluis,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of
bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van enig
goed, te weten een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
en/of
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
portemonnee en/of een hoeveelheid geld en/of vier, althans een of meer
horloge(s) en/of autosleutel(s) en/of een auto (Range Rover), in elk geval
enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld
en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] en/of [naam 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/haar
mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte
en/of zijn mededader(s) die [naam 2] meermalen, althans eenmaal, met een
pistool althans hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of
meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt
en/of die [naam 1] meermalen, althans eenmaal, met een pistool, althans hard
voorwerp, tegen het lichaam en/of hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [naam 1]
met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
heeft/hebben bedreigd en/of geroepen - zakelijk weergegeven - dat hij/zij geld
wilde(n) hebben.
2 subsidiair.
op of omstreeks 20 december 2017 te Breskens, gemeente Sluis, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om twee, althans
een opsporingsambtena(a)r(en) van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant
(ZEBRA-01 en/of ZEBRA-02) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een auto (Range Rover) met hoge/aanzienlijke snelheid door een (gesloten)
hek is gereden tegen/op een dienstvoertuig van voornoemde
opsporingsambtena(a)r(en) (die dat voertuig tijdig uit kon(den) vluchten),
waarna de verdachte(n) met deze auto zijn/hun weg vervolgden waarbij werd
gereden in de richting van (een) van die opsporingsambtena(a)r(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor de feiten 1 en 2 primair een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt geformuleerd over de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft samen met de mededader een woning overvallen, waarbij zeer fors geweld is gebruikt. Daarbij is de man van het gezin buiten de woning een schedelfractuur geslagen met de kolf van een vuurwapen. Nadat de verdachten de woning waren binnengedrongen is de vrouw van het gezin door één van hen hardhandig aangepakt en met het vuurwapen geslagen, terwijl de andere de woning doorzocht. De minderjarige kinderen, die zich verborgen hielden achter de gordijnen, hebben dit allemaal moeten meemaken. Verdachten hebben de woning doorzocht naar geld en waardevolle spullen en hebben de man en de vrouw – naast het op hen uitgevoerde geweld – zodanig bedreigd dat zij geld en horloges afgaven. Een op deze manier uitgevoerde overval moet voor het gezin een bijzonder traumatische ervaring zijn geweest. Namens de slachtoffers is ter terechtzitting naar voren gebracht dat zij getraumatiseerd zijn geraakt en dat de woningoverval nog elke dag invloed heeft op hun leven. De angst is ook nu nog zo groot dat zij niet naar de zitting durfden te komen. Na de gewelddadige overval is veel beveiliging aangebracht in en om de woning, maar dat heeft hun gevoel van onveiligheid niet weggenomen. Ze kunnen daarom niet langer in de woning wonen en zullen gaan verhuizen. De slachtoffers hebben geen vordering tot schadevergoeding willen indienen omdat zij geld van verdachten niet kunnen accepteren, en omdat zij verdachten geen aanleiding willen geven om uit geldgebrek opnieuw over te gaan tot geweldsdelicten en daarmee nieuwe slachtoffers te maken. Verdachten hebben kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de ingrijpende gevolgen die hun handelen kon hebben voor de slachtoffers. In ieder geval hebben die gevolgen hen er niet van weerhouden om de woningoverval te plegen. Zij hebben uitsluitend hun eigen gewin vooropgesteld. De rechtbank rekent hen dit alles zwaar aan.
Na de overval sloegen zij in de Range Rover van aangeefster op de vlucht. Omdat het toegangshek tot het erf van de overvallen woning niet snel genoeg open ging hebben zij het hek met de Range Rover geramd. Daarna is extra gas gegeven en zijn zij tegen een politieauto gebotst die achter dat hek stond. De politieagenten konden nog net op tijd uit de politieauto springen en waren nog dichtbij hun auto toen de Range Rover tegen hun auto botste. Dat de politieagenten er lichamelijk grotendeels goed vanaf kwamen is niet te danken aan enig handelen van verdachten. De politieagenten voelden zich door de situatie zodanig bedreigd dat zij zich genoodzaakt zagen met hun dienstwapen te schieten. Ter terechtzitting is namens politieagent Zebra 1 een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen. Hieruit blijkt dat het incident nog steeds een groot deel van zijn leven beheerst en dat hij psychische schade heeft opgelopen. De verdachten hebben koste wat het kost willen ontkomen aan de politie. Het gaat hier om ernstig gevaarzettend en nietsontziend gedrag tegen politiemensen door op onacceptabele en onverantwoorde wijze op hen in te rijden. Er is door de verdachten geen begin van respect voor het gezag van de politie getoond. De rechtbank houdt hier in straf verhogende zin rekening mee.
Blijkens het strafblad op naam van verdachte van 16 januari 2019 is hij recent veroordeeld wegens een geweldsdelict en in 2016 en 2011 voor het voorhanden hebben van vuurwapens. In deze zaken zijn onder meer (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen opgelegd. De oplegging van deze straffen heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank houdt hiermee in de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening.
De straforiëntatiepunten noemen voor een woningoverval waarbij meer dan licht geweld of bedreiging is toegepast een gevangenisstraf van vijf jaren als uitgangspunt. Factoren als recidive, kwetsbare slachtoffers, samenwerkingsverband en een professionele aanpak kunnen een strafvermeerderende invloed hebben. Ook de aard en de ernst van het letsel van de slachtoffers en de aard van het gebruikte wapen kunnen in dat kader van belang zijn.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstig letsel bij [naam 2] aan het hoofd, te weten een schedelfractuur. De aard en de ernst van dit letsel zal de rechtbank in strafvermeerderende zin betrekken bij de bepaling van de strafmaat, evenals het gebruik van een vuurwapen bij de overval. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten en afpersing.
Daarbij komt dat op het moment van de overval in de woning twee minderjarige kinderen aanwezig waren; een omstandigheid waarmee in ieder geval verdachte [verdachte] bekend was gelet op zijn verklaring hierover bij de politie. Aangezien verdachte [naam 3] de slachtoffers kende mag worden aangenomen dat ook hij hiermee bekend is geweest. Desondanks hebben zij de woningoverval doorgezet. Verder hebben verdachten planmatig gehandeld. Zij hadden vooraf afgesproken dat ze Engels tegen elkaar zouden praten, ze hadden tape bij zich om de slachtoffers mee vast te binden en er was sprake van een duidelijke rolverdeling. Ook hadden zij in hun plan betrokken de manier waarop zij zouden vluchten.
De rechtbank acht, gelet op genoemde feiten en omstandigheden, voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van acht jaren passend en geboden. Dat is, gelet op de bewezenverklaring, een zwaardere straf dan door de officier van justitie gevorderd. In de ernst van die bewezenverklaarde feiten ligt naar het oordeel van de rechtbank daarvoor de rechtvaardiging.
7 De benadeelde partijen bij feit 2
De benadeelde partij Zebra 1 vordert een schadevergoeding van € 950,- voor feit 2, met wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft aangevoerd dat Zebra 1 eerst een vordering van € 700,- heeft ingediend en daarna een gewijzigde vordering ter hoogte van € 950,-, terwijl niet duidelijk is waar de verhoging ten opzichte van het oorspronkelijke bedrag op ziet.
De rechtbank overweegt dat in de onderbouwing van de vordering met het verhoogde bedrag meer informatie is opgenomen over de toestand van de knie van Zebra 1. Deze informatie is recent en was nog niet beschikbaar op het moment dat de oorspronkelijke vordering werd ingediend. Uit deze aanvullende informatie blijkt dat Zebra 1 sinds het indienen van de oorspronkelijke vordering is geopereerd aan de knie waaraan hij letsel had opgelopen en dat de klachten nog steeds niet geheel verdwenen zijn. Er is nog geen medische eindsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze aanvullende informatie de verhoging van de oorspronkelijke vordering dragen, nu hieruit een ernstiger medische situatie blijkt dan uit de onderbouwing van de oorspronkelijke vordering.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.
Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De benadeelde partij Zebra 2 vordert een schadevergoeding van € 700,- voor feit 2, met wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.
Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
8 Het beslag
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen:
- 1 stk computertoebehoren, Toshiba, G1827140;
- 2 stuks Alcatel Touch gsm, kleur zwart, G1827149;
- 4 stuks telefoonkaart Lebara Onetouch, G1827174;
- 1 stk computer HP laptop, G1827216;
- 2 stuks zwarte handschoen, G1820751;
- 2 stuks zwart schoeisel, Nike, G1820752;
- 1 stk zwarte broek, G1820991;
- 1 stk grijze trui
- 4 stuks sok, G1821021;
- 1 stk groen vest, Nike;
- 1 stk zwarte jas, We, G1821033.
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van drie stuks in beslag genomen tapeband G1827122 (Tesa), G1827206 (Gamma) en nummer 9 op beslaglijst (geen G-nummer, Tesa) aan verdachte. De Gamma tapeband met G1827206 staat twee keer op de beslaglijst vermeld, namelijk onder nummer 8 en onder nummer 14.
De onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist met betrekking tot het zwarte pistool CZ 99 (G1820962) dat dat voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat feit 1 is begaan met dit voorwerp.
De volgende in beslag genomen voorwerpen zijn eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer:
- 1 stk vlindermes, G1827109;
- 1 stk imitatiewapen, zwart bolletjespistool, Galaxy Red Line, G1827096;
- 1 stk imitatiewapen, zwart bolletjesmitrailleur, G1827112;
- 0,9 gram verdovende middelen, kleur bruin, korrel;
- 2,1 gram verdovende middelen, kleur wit, kristal, G1832474.
Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De verbeurdverklaring
De hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.
- 1 stk zwarte bivakmuts, G1827133;
- 1 plastic fles, lege fles zonder wikkel, G1821159;
- 1 stk zwarte bivakmuts, G1821045;
- 1 stk bruine tapeband, Tesa, G1820965;
- 1 stk bruine tapeband, Tesa rol, G1821037;
- 1 stk bruine tapeband, G1821039;
Gebleken is dat feit 1 is begaan met betrekking tot deze voorwerpen.
De bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp, aangezien thans niemand, althans niet verdachte, als rechthebbende kan worden aangemerkt:
- 1 stk blauwe broek, 7 for all mankind, G1821027.
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen Breitling horloge (G1820748) aan [naam 1] , omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 10, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
en
Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
feit 2 subsidiair: Medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen
gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten :
- 1 stk zwarte bivakmuts, G1827133;
- 1 plastic fles, lege fles zonder wikkel, G1821159;
- 1 stk zwarte bivakmuts, G1821045;
- 1 stk bruine tapeband, Tesa, G1820965;
- 1 stk bruine tapeband, Tesa rol, G1821037;
- 1 stk bruine tapeband, G1821039;
- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- 1 stk zwart pistool, CZ99, G1820962;
- 1 stk vlindermes, G1827109;
- 1 stk imitatiewapen, zwart bolletjespistool, Galaxy Red Line, G1827096;
- 1 stk imitatiewapen, zwart bolletjesmitrailleur, G1827112;
- 0,9 gram verdovende middelen, kleur bruin, korrel;
- 2,1 gram verdovende middelen, kleur wit, kristal, G1832474.
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten
- 1 stk computertoebehoren, Toshiba, G1827140;
- 2 stuks Alcatel Touch gsm, kleur zwart, G1827149;
- 4 stuks telefoonkaart Lebara Onetouch, G1827174;
- 1 stk computer HP laptop, G1827216;
- 2 stuks zwarte handschoen, G1820751;
- 2 stuks zwart schoeisel, Nike, G1820752;
- 1 stk zwarte broek, G1820991;
- 1 stk grijze trui
- 4 stuks sok, G1821021;
- 1 stk groen vest, Nike;
- 1 stk zwarte jas, We, G1821033;
- 1 stk tapeband, Tesa tape plakband, G1827122;
- 1 stk tapeband, Gamma, G1827206;
- 1 stk tapeband, Tesa, geen G-nummer, nummer 9 op beslaglijst
- gelast de teruggave aan [naam 1] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
- 1 stk horloge, chroom, Breitling, G1820748;
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
- 1 stk blauwe broek, 7 for all mankind, G1821027;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Zebra 1 van € 950,- (negenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Zebra 1 (feit 2 subsidiair), € 950,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Zebra 2 van € 700,- (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Zebra 2 (feit 2 subsidiair), € 700,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en
mr. C. Phillips, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 februari 2019.
Mr. Philips is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.