Strafrecht overig

10 (gekwalificeerde) diefstallen, vrijspraak van medeplegen, onvoorwaardelijke gevangenisstraf en…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 december 2021

Zaakgegevens

Op 31 december 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
31 december 2021
Datum publicatie
29 december 2021
Zaaknummer
02-160371-21 en 02-310695-20 (vordering tenuitvoer
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:6694
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

10 (gekwalificeerde) diefstallen, vrijspraak van medeplegen, onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tenuitvoerlegging eerdere voorwaardelijke straf. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-160371-21 en 02-310695-20 (vordering tenuitvoerlegging)

vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997, te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Middelburg, Torentijdweg 1, 4337 PE Middelburg,

raadsman mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 december 2021, waarbij de officier van justitie A.A. Vroombout en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer alsook de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: op meerdere tijdstippen op meerdere plaatsen diefstallen heeft gepleegd, waarbij hij bij door middel van braak, inklimming of het gebruik van een valse sleutel goederen heeft meegenomen;

feit 2: twee keer op een verschillend tijdstip een diefstal heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde (grond)feiten heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de aangiftes en op de bekennende verklaring van verdachte dat hij de diefstallen heeft gepleegd. Daarnaast benoemt de officier van justitie per feit nog aanvullende bewijsmiddelen.

Bij feit 1, gedachtestreepje 7 (de diefstal bij [naam 1] ) kan ook medeplegen bewezen worden. Daar zijn immers twee mensen te zien op de camerabeelden. Bij de overige feiten is geen sprake van medeplegen en moet verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Bij feit 1, gedachtestreepje 1 (de diefstal bij [naam 2] ) kan braak wettig en overtuigend bewezen worden, omdat braakschade aan de poort is geconstateerd.

Bij feit 1, gedachtestreepje 2 (de diefstal bij [naam 3] ) kan inklimming wettig en overtuigend bewezen worden, omdat verdachte daar over het hek is geklommen.

Bij feit 1, gedachtestreepje 3 (de diefstal bij [naam 4] ), kan braak wettig en overtuigend bewezen worden, omdat braakschade aan de schuurdeur is geconstateerd.

Bij feit 1, gedachtestreepje 4 (de diefstal bij [naam 5] ) kan braak wettig en overtuigend bewezen worden. Weliswaar is niet het slot verbroken, maar de paal van de poort is verbogen zodat de poort kon worden geopend. Daarmee is sprake van braak.

Bij feit 1, gedachtestreepje 5 (de diefstal bij [naam 6] ) kan diefstal met een valse sleutel wettig en overtuigend bewezen worden. De deur is vermoedelijk geopend met een sleutel die in de garage hing. Er was geen verdere braakschade.

Bij feit 1, gedachtestreepje 6 (de diefstal bij [naam 7] ) kan braak en inklimming wettig en overtuigend bewezen worden. Er zijn braaksporen aangetroffen op de poort van de nabijgelegen woning. Op de vuilbak tegen de schutting op het perceel van aangever zijn schoensporen aangetroffen van verdachte.

Bij feit 1, gedachtestreepje 7 (de diefstal bij [naam 1] ) en gedachtestreepje 8 (de diefstal bij [naam 8] ) kan de tenlastegelegde braak niet wettig en overtuigend worden bewezen en moet verdachte daarvan worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich grotendeels aansluiten bij het standpunt van de officier van justitie. Slechts op de volgende punten wijkt de visie van de verdediging daarvan af.
Bij feit 1, gedachtestreepje 1 (de diefstal bij [naam 2] ) is geen sprake is van braak. Verdachte ontkent schade aan de poort te hebben toegebracht. Hij heeft verder verklaard dat de deur openstond en hij zo de woning binnen is gegaan. Verdachte moet daarom gedeeltelijk, voor wat betreft de braak, worden vrijgesproken.

Bij feit 1, gedachtestreepje 2 (de diefstal bij [naam 3] ) kan de tenlastegelegde inklimming niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het klimmen over een hek is juridisch geen inklimming. Verdachte moet om die reden gedeeltelijk, voor wat betreft de inklimming, worden vrijgesproken.
Verdachte heeft ter zitting nog verklaard steeds alleen te hebben gehandeld, ook bij het plegen van feit 1, gedachtestreepje 7 (de diefstal bij [naam 1] ).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft de tenlastegelegde feiten bekend, met uitzondering van het medeplegen en de braak en inklimming, een en ander zoals onder 4.2 hiervoor is weergegeven. Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen kunnen alle tenlastegelegde diefstallen bewezen worden verklaard.

Gelet op het standpunt van de verdediging gaat de rechtbank wel nader in op de vraag of bij de twee door de raadsman genoemde feiten sprake is van braak respectievelijk inklimming. Ook zal de rechtbank ingaan op het bewijs voor het tenlastegelegde medeplegen, waarvan volgens de officier van justitie sprake is bij feit 1, gedachtestreepje 7 (de diefstal bij [naam 1] ).

Feit 1, gedachtestreepje 1 (de diefstal bij [naam 2] )

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde braak wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de aangifte is sprake van schade aan de poort die ten tijde van het feit deugdelijk was afgesloten. Dat de deur van de woning niet was afgesloten en dat daaraan geen braakschade is geconstateerd, doet hieraan niet af.

Feit 1, gedachtestreepje 2 (de diefstal bij [naam 3] )

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde inklimming wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door middel van het klimmen over een afgesloten poort heeft verdachte zich toegang verschaft tot de schuur van [naam 3] . Deze wijze van toegangsverschaffing valt ook onder het begrip inklimming als bedoeld in artikel 311, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 1, gedachtestreepje 7 (de diefstal bij [naam 1] )

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij dit feit geen sprake is van medeplegen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Verdachte heeft verklaard alleen te hebben gehandeld. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat een tweede persoon betrokken was bij de diefstal uit de auto van [naam 1] . Getuige [naam 9] , de man van aangever [naam 1] , heeft verklaard om 4 juni 2021 omstreeks 02.45 uur wakker te zijn geworden van lawaai en vanuit het raam een auto te hebben gezien met één persoon die de deuren en de achterklep van die auto probeerde te sluiten. Op beelden van de deurbelcamera van [naam 1] zijn tussen 02.45 uur en 03.18 uur niet meerdere personen waargenomen. Dat verdachte eerder die nacht omstreeks 00.32 uur kortstondig in aanwezigheid van een ander is vastgelegd op beelden van dezelfde camera is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte het feit later die nacht in vereniging met die ander heeft begaan. De verklaring van verdachte dat hij die andere persoon was tegengekomen en dat zij vervolgens ieder hun eigen weg zijn gegaan, laat de nodige vragen over de mogelijke betrokkenheid van die ander bestaan, maar kan niet afdoen aan de conclusie.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten:
- op 1 juni 2021 te Rucphen, enige sigaretten en gsm's en autosleutel en een portemonnee (met inhoud) en een personenauto (Volkswagen Passat), toebehorende aan [naam 2] , en


enig goed, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming, te weten:
- op of omstreeks 1 juni 2021 te Roosendaal, een (race)fiets, toebehorende aan [naam 3] , en

goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten:
- op of omstreeks 1 juni 2021 te Roosendaal, enig gereedschap en flesjes bier, toebehorende aan [naam 4] , en

goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten:
- op 2 juni 2021 te Roosendaal, enig gereedschap, toebehorende aan [naam 5] , en

goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten:
- omstreeks 2 juni 2021 te Roosendaal, een autosleutel en enig geldbedrag (van in totaal ongeveer 400 euro) en een huissleutel, toebehorende aan [naam 6] , met een tot opening van een bepaald slot niet bestemd werktuig, en

goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, te weten:
- op 4 juni 2021 te Stampersgat, gemeente Halderberge enig serviesgoed/tafelzilver, toebehorende aan [naam 7] en

goederen, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:
- op omstreeks 4 juni 2021 te Stampersgat, gemeente Halderberge, een colbert en een flesje parfum en een multitool en een zonnebril, toebehorende aan [naam 1] , en

enige goed, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:
- op 4 juni 2021 te Stampersgat, gemeente Halderberge, een boormachine, toebehorende aan [naam 8] ;


2
op nader te noemen data en nader te noemen plaatsen, telkens enig goed, welke aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:
- op of omstreeks 3 juni 2021 te Stampersgat, gemeente Halderberge, enig gereedschap, toebehorende aan [naam 10] , en
- op of omstreeks 2 juni 2021 te Roosendaal, een fiets, toebehorende aan [naam 11] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de door de officier van justitie geëiste straf redelijk en passend.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele dagen schuldig gemaakt aan het plegen van tien diefstallen, uit woningen, schuren en auto’s, deels onder strafverzwarende omstandigheden. Naast de materiële schade en overlast die deze feiten veroorzaken, leiden woninginbraken over het algemeen tot (sterke) gevoelens van onveiligheid bij de bewoners en aantasting van hun privacy.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in februari 2020 naar Nederland is gekomen om te werken. In het najaar van 2020 is hij in de problemen geraakt, is zijn (hard)drugsgebruik toegenomen en zijn schulden opgelopen. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat de diefstallen waren ingegeven door de problemen die hij met andere, niet nader genoemde personen had: zij zouden hem onder druk hebben gezet om zijn schulden te betalen.
Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd en zijn excuses aangeboden voor zijn handelen. Hij heeft verklaard zijn problemen met behulp van familie in Duitsland te willen aanpakken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de verkeerde weg heeft gekozen om zijn, vermoedelijk aanzienlijke, problemen op te lossen. Verder stelt zij vast dat verdachte in het voorjaar van 2021 al driemaal voor vermogensdelicten is veroordeeld. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde nog in een proeftijd, wat hem er niet van heeft weerhouden nieuwe strafbare feiten te begaan.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die voor één woninginbraak uitgaan van drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Rekening houdend met al het voorgaande is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf aan verdachte opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 1.262,48 voor feit 1 (gedachtestreepje 7).

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 797,48, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat benadeelde op de nieuwprijs van de gestolen goederen die in de vordering zijn opgenomen, al een reëel afschrijvingspercentage in mindering heeft gebracht.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de schade die voort zou vloeien uit gemaakte uren en gestolen parfum onvoldoende is onderbouwd. Het bedrag voor het opgegeven parfum is betwist door verdachte aangever heeft verklaard niet meer te weten welk parfum was weggenomen. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 Het beslag

8.1

De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de inbeslaggenomen gereedschapskist met inhoud vatbaar voor verbeurdverklaring nu voldoende aannemelijk is geworden dat het delictgerelateerde voorwerpen betreft.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 9 maart 2021 onder parketnummer 02-310695-20 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36e, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf telkens heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming of een valse sleutel, meermalen gepleegd;

en

Diefstal, meermalen gepleegd,

feit 2: Diefstal, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd: G2341671 (gereedschapskist met diverse gereedschappen);

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd:

G2340680, G2340682, G2340683, G2340684, G2340685, G2340686, G2340687, G2345764, G2345779, G2345763, G2345766, G2345784, G2345762, G2345781.

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 9 maart 2021 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-310695-20 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van

€ 797,48, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] (feit 1, gedachtestreepje 7), € 797,48 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Schouw, voorzitter, mr. M. Veldhuizen en

mr. J.C.A.M. Los, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 december 2021.

Mr. Veldhuizen en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.