Strafrecht overig

Verdachte heeft met een pistool in de richting van een politieagent geschoten. Geen poging tot doodslag, maar…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 maart 2021

Zaakgegevens

Op 5 maart 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
5 maart 2021
Datum publicatie
8 maart 2021
Zaaknummer
02-286355-20
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:994
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft met een pistool in de richting van een politieagent geschoten. Geen poging tot doodslag, maar wel bewezenverklaring voor poging tot bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Ook een bewezenverklaring voor wapen- en munitiebezit. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/286355-20

vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1988 te [Geboorteplaats]

verblijvende te [Adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht

raadsvrouw mr. S.A.A.P. van Hees, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: geprobeerd heeft hoofdagent [Slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen door met een pistool meermalen in zijn richting te schieten dan wel hem op die manier te bedreigen;

feit 2: een pistool met munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ten aanzien van feit 1, primair, van mening dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte gericht heeft geschoten op het lichaam van hoofdagent [Slachtoffer] . Gelet op de afstand van ongeveer 30 meter en de schootsrichting schuin omhoog, dient verdachte van de poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling vrijgesproken te worden.

Wel kan de bedreiging onder feit 1, subsidiair, wettig en overtuigend bewezen worden, nu verdachte in de richting van de politieauto heeft geschoten.

Ook feit 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is ten aanzien van feit 1, primair, van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Gelet op de omstandigheden was er geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel van hoofdagent [Slachtoffer] .

Ook ten aanzien van de bedreiging zoals tenlastegelegd onder feit 1, subsidiair, dient verdachte vrijgesproken te worden. Verdachte had geen opzet op de bedreiging. Bovendien is het de vraag of de strafbepaling van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht niet te ver wordt opgerekt als het enkel geconfronteerd worden met het geluid van schoten voldoende is voor een bedreiging met de dood dan wel zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 11 november 2020 komt bij verbalisant [Slachtoffer] een melding binnen betreffende een personenauto waarvan de bestuurder waarschijnlijk onder invloed was van lachgas. Verbalisant [Slachtoffer] krijgt de personenauto in zicht en er ontstaat een achtervolging. Deze achtervolging eindigt in een straat die is afgesloten door middel van paaltjes in de weg. Een persoon komt uit het voertuig en begint te rennen. Verbalisant [Slachtoffer] roept “Politie, staan blijven”, maar de persoon blijft rennen. Het zicht van verbalisant [Slachtoffer] op de persoon wordt belemmerd door een rietkraag en hij gaat zelf ook rennen. Direct daarna hoort hij dat er drie schoten worden gelost. De afstand tussen verbalisant [Slachtoffer] en de achtervolgde persoon was op dat moment naar schatting 30 meter. Verbalisant [Slachtoffer] schrikt enorm en staakt de achtervolging en doorzoekt de auto die hij achtervolgde. Hij vindt een paspoort op naam van verdachte.

Getuige [Naam] ziet dat na een achtervolging een persoon uit een personenauto stapt en begint te rennen. Tijdens het rennen schiet deze persoon met kromme arm naar achteren, waarbij de loop diagonaal naar boven gericht was, maar echt wel in de richting van de politieagent. Ter plaatse zijn vijf hulzen aangetroffen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij inderdaad al rennend schuin in de lucht naar achteren heeft geschoten. Dit om de politieagent af te schrikken en omdat hij weet dat de politie als er geschoten wordt een achtervolging altijd zal staken, aldus verdachte..

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder feit 1, primair, tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit het dossier en hetgeen op zitting is besproken is namelijk niet af te leiden dat verdachte gericht heeft geschoten op het lichaam van verbalisant [Slachtoffer] of de kans heeft genomen dat hij hem zou raken. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling is vereist, dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte - tijdens een achtervolging te voet - meermalen schieten in de richting van de achtervolgende politieagent, bij die politieagent in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen laten. Dat verdachte het opzet had op deze bedreiging volgt uit zijn verklaring ter zitting dat hij de schoten loste ter afschrikking en om de beëindiging van de achtervolging te bewerkstelligen. Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte politieagent [Slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 1, subsidiair, ten laste gelegde.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, komt de rechtbank ook hier tot een bewezenverklaring.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1, subsidiair:

op 11 november 2020 te Breda [Slachtoffer] (zijnde in functie als hoofdagent van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, met een vuurwapen meermalen in de richting van die [Slachtoffer] geschoten;

2

op 11 november 2020 te Breda een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- een pistool (merk Steyr, type M9, kaliber 9mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en

- 7 kogelpatronen (kaliber 9mm)

voorhanden heeft gehad

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat bij een bewezenverklaring de op het strafblad voorkomende recidive niet als strafverzwarend meegenomen mag worden, omdat de feitelijkheden van die zaken anders waren en er inmiddels ook sprake is van een tijdsverloop. Voor het overige heeft de verdediging zich niet uitgelaten over de strafmaat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, terwijl hij op de vlucht was voor de politie, met een pistool meerdere schoten gelost in de richting van verbalisant [Slachtoffer] . Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft door deze bedreiging het openbaar gezag op onaanvaardbare wijze ondermijnd. Daarbij vindt de rechtbank het gemak waarmee verdachte gebruik maakt van een vuurwapen zeer zorgelijk.

Bij het schieten heeft verdachte gebruik gemaakt van een vuurwapen met daarbij behorende munitie en daarmee dus voorhanden gehad. Vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het aanwezig hebben van een vuurwapen leidt daarnaast vaak al te gemakkelijk tot het gebruik daarvan met ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, temeer nu verdachte met het wapen daadwerkelijk meermalen in een woonwijk heeft geschoten. Dit moet voor de bewoners en ooggetuigen in deze wijk schokkend zijn geweest en de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid versterken. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf (LOVS). Uitgaande van deze landelijke oriëntatiepunten, wordt doorgaans voor een bedreiging door het tonen van een vuurwapen een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd. Nu er een politieambtenaar bedreigd is, kan dit gelet op voorgaande oriëntatiepunten verhoogd worden met nog eens maximaal 4 maanden. In dit geval is er daarbij daadwerkelijk met een vuurwapen meermalen in een woonwijk geschoten. De rechtbank zal dit, en het gemak waarop verdachte overgaat tot het hanteren van een wapen, als extra strafverzwarend meenemen.

Uitgaande van voormelde oriëntatiepunten wordt voor het bezit van een pistool uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. . Gelet op de omstandigheden waaronder het vuurwapen is aangetroffen, te weten geladen en gebruikt in het openbaar, neemt de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor het wapenbezit als uitgangspunt. Ook had verdachte verboden munitie in bezit en gebruikt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank zwaar in het nadeel van verdachte rekening met het strafblad van verdachte van 15 januari 2021 waaruit volgt dat hij in 2015 onherroepelijk is veroordeeld voor vuurwapenbezit en in 2018 voor onder andere bedreiging van beroepsbeoefenaars.

Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen omstandigheden in het feit of in de persoon van verdachte op grond waarvan een voorwaardelijk deel moet worden opgelegd.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.000,- voor feit 1, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 11 november 2020.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1, primair, tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, subsidiair: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1. STK simkaart van zaktelefoon (Omschrijving: G_632345, [provider] )

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van € 2.000,-. ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] (feit 1), € 2.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Wetering, voorzitter, mr. Beudeker en mr. Schuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2021.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 11 november 2020 te Breda

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[Slachtoffer] (in functie als hoofdagent van de politie Eenheid Zeeland-West

Brabant

opzettelijk

van het leven te beroven, althans om aan die [Slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen

immers heeft hij, verdachte, op, althans in de richting van, althans in de nabijheid

van die [Slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 november 2020 te Breda

[Slachtoffer] (zijnde in functie als hoofdagent van de politie, Eenheid Zeeland-

West-Brabant) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers

heeft hij, verdachte met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, op, althans

in de richting van, althans in de nabijheid van die [Slachtoffer] geschoten;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 11 november 2020 te Breda

een wapen en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te

weten

- een pistool (merk Steyr, type M9, kaliber 9mm)

zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of

- 7 kogelpatronen (kaliber 9mm)

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer Orange ZBR020088 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 346.

Feit 1:

Het proces-verbaal van aangifte door [Slachtoffer] , pagina 74 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 november 2020 om 20.59 uur hoorde ik via mijn mobilofoon in mijn dienstvoertuig dat een politie-eenheid in Breda een achtervolging met hoge snelheid had op de locatie Backer en Ruebweg te Breda. Ik hoorde dat het voertuig een grijze Seat betrof voorzien van het kenteken [Kenteken] en dat het voertuig in de richting van de Nieuwe Kadijk te Breda reed. Ik begreep ondertussen dat de bestuurder van het voertuig zeer waarschijnlijk onder invloed was van lachgas.

Ik ben via de Kapittelweg gereden in de richting van de Maasdijk te Breda. Bij de aldaar

gesitueerde rotonde zag ik voor mij van rechts een grijze Seat Leon in de richting

van de rotonde rijden. Ik zag dat het voertuig, naar mijn beleving toen de bestuurder van het voertuig mijn dienstauto zag, zijn snelheid verhoogde. (…) Ik zag dat de route vervolgens rechtsaf de Joris Nempestraat was en direct links de Jacob Franckaertstraat in. Mij was bekend dat aldaar halverwege de straat paaltjes gesitueerd zijn en dat de straat doodloopt. Ik zag kort hierop dat de Seat een paal ramde. Ik zag direct hierna dat het bestuurdersportier open ging. Ik zag daarna een persoon uit het voertuig komen en direct in de richting van het aldaar gelegen fietspad rende. Deze persoon werd voor mij als verdachte aangemerkt inzake artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Ik zag dat de verdachte in zuidelijke richting rende. Ik heb

vervolgens mijn voertuig stilgezet, ben uitgestapt en zag de verdachte nog rennen. Op

dat moment had de duisternis al ingetreden en was er ter plaatse verlichting door

aldaar gesitueerde straatlantaarns. Ik riep direct op luide en niet mis te verstane

wijze "Politie, staan blijven". Ik zag dat de verdachte hier niet aan voldeed en in zuidelijke

richting bleef rennen. Daar mijn zicht op dat moment enigszins belemmerd werd door de

gesitueerde rietkraag ben ik achter de verdachte aan gaan rennen. Direct hierop

hoorde ik, in mijn beleving, drie schoten. Ik bemerkte direct dat dit schoten als

zijnde schoten uit een vuurwapen waren en niet bijvoorbeeld vuurwerk. Ik hoorde dat

de schoten zeer dicht bij mijn positie werden gelost door het harde geluid ervan. Ik

wist direct dat ik beschoten werd. Op dat moment was de afstand tussen mij en de

verdachte naar schatting een 30-tal meters. Ik begreep direct dat het menens was en

ik voelde direct dat ik in een soort overlevingsmodus terecht kwam. Ik bedacht me dat

ik op dit moment wel eens zwaar gewond zou kunnen raken of deze situatie niet zou

overleven. Ik was er van overtuigd dat er net op mij was geschoten en dat de

verdachte er alles aan deed om weg te komen. Ik heb vervolgens de achtervolging

direct gestaakt en heb een veilige dekking gezocht achter mijn dienstvoertuig.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [Naam] , pagina 50 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

A: Ik kwam uit de Willem van de Bruynstraat, ik was op de kruising met de Cornelis Florisstraat, ik keek daar naar rechts en ik zag in de C.Florisstraat een auto aan komen racen en ik zag daarachter gelijk zwaailichten. Toen kwam er een donker grijze Seat Leon voorbij racen en daarachter dus de politieauto.

De auto probeerde af te remmen, maar raakte de paaltjes toch, dat is dus de donker grijze Seat. De bestuurder stapte uit, maar de auto rolde nog naar achteren, waardoor de bestuurder viel. De politie auto stond al achter hem, met zijn lampen vol op hem.

Ik zag dat de persoon weer overeind kwam. Toen de persoon op was gestaan, ging die meteen rennen, naar de zuidelijke richting naar de straat Tussen de Dijken, dit is een steegje/fietspad, richting de Groenedijk. Ik zag de verdachte richting het zuidelijke gedeelte lopen, richting het winkelcentrum [Naam winkelcentrum] . Ik zag nog wel voordat hij uit het zicht verdween dat hij drie schoten loste tijdens het rennen. Deze waren achteruit gericht, naar de politieauto, maar het was meer in de lucht. Het had te maken met zijn snelheid hij was aan het rennen.

Ik ben toen gelijk naar de politieagent gegaan, die achter de auto was. Ik gaf hem gelijk het signalement op. Ik had niet het idee dat dit bij de politieman binnen kwam, hij stond echt te shaken achter zijn auto, dat begrijp ik heel goed.

V: Het schieten, wat kan u daar over vertellen?

A: Hij haalde het wapen uit zijn linker jaszak. De jas hing over zijn heupen heen, het was een strakke langere jas, dus geen bomberjack en hij haalde met zijn linkerhand het pistool uit zijn linker jaszak. Het was ook geen dikke man, het was een slank figuur.

Het leek alsof hij ongecontroleerd schoot, het was geen natuurlijke houding, hij schoot met zo'n kromme arm, wat naar achteren, al rennend in de lucht.

V: Kan u zeggen hoe de loop van het wapen gericht was?

A: Tussen horizontaal en verticaal in, maar het was echt wel richting die politieagent.

V: U zei dat hij 3x schoot.

A: Ja, dat weet ik 100 % zeker, ik zag het vuur bij het einde van de loop.

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 19 februari 2021, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik reed weg. De politie wilde mij controleren vanwege ballonnen. Dat was ook zo. Ik had inderdaad lachgas gebruikt terwijl ik reed. In verband met een bedreiging had ik een vuurwapen bij mij. Ik wist dat ik achtervolgd werd door de politie. Ik had het vuurwapen op mijn lichaam. Er zaten kogels in het vuurwapen. Ik begon te rennen. De agent riep “stop”. Ik deed dat niet. Ik wilde niet gestopt worden. Ik heb toen de schoten gelost om de agent af te schrikken. Ik wist dat als schoten gelost worden, de politie de achtervolging staakt. Ik heb in de lucht geschoten tijdens het rennen.

Kort daarvoor had ik naar achteren gekeken en de politieman bij de auto zien staan. Misschien drie seconden daarna heb ik geschoten. Het klopt dat mijn houding van het schieten was, zoals weergegeven op pagina 49 van het eindproces-verbaal. Ik schoot schuin in de lucht. Op het moment van schieten wist ik wat ik deed.

Feit 2:

Verdachte heeft dit feit bekend, daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 19 februari 2021;

- het proces-verbaal van bevindingen van team opsporing afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 124 e.v.