Strafrecht overig

Veroordeling voor het in vereniging plegen van een woningbraak. Een gevangenisstraf van 5 maanden

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 juni 2022

Zaakgegevens

Op 14 juni 2022 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
14 juni 2022
Datum publicatie
14 juni 2022
Zaaknummer
02-229141-21
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:3234
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het in vereniging plegen van een woningbraak. Een gevangenisstraf van 5 maanden

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/229141-21

vonnis van de meervoudige kamer van 14 juni 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats

raadsman mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 mei 2022. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. L. den Braber, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 augustus 2021 te Werkendam samen met anderen heeft ingebroken in een woning en daar een ring en een armband heeft weggenomen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde woninginbraak. Zij baseert zich daarbij op de camerabeelden, de herkenningen, de verklaringen van getuigen over de vluchtroute en het aantreffen van verdachte in de auto met kleding die op de beelden te zien is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen vanwege het ontbreken van wettig bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraak. De herkenning van verdachte is gebaseerd op het eerste moment dat de ringdeurbel aangaat. Aan de hand van de beelden op het moment dat er twee mannen wegrennen, is niet vastgesteld dat dat ook verdachte betreft. Daar komt bij dat de jas met rood-witte streep in de nek waaraan verdachte mede wordt herkend niet zichtbaar is op het moment dat de twee personen wegrennen. Bovendien verklaren getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over licht getinte jongens, terwijl verdachte een blanke huidskleur heeft. Ook het dactyloscopisch onderzoek en schoensporenonderzoek op de plaats delict levert geen match op met verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat op 25 augustus 2021 om 20.17 uur een inbraak heeft plaatsgevonden in de woning van [naam 1] aan de [adres] te Werkendam, waarbij aan de achterzijde van de woning braakschade in ontstaan aan het raam. Uit de woning zijn een ring en een armband weggenomen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte – al dan niet als medepleger –

betrokken is geweest bij deze woninginbraak.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast – in het bijzonder gelet op de camerabeelden en de getuigenverklaringen – dat sprake is van tenminste twee daders.

Getuige [getuige 3] , de buurman van aangever, heeft verklaard dat hij om 19.22 uur een melding van zijn Nest deurbel kreeg. Op de camerabeelden ziet hij twee personen die aanbellen bij zijn buren en door het raam naar binnen kijken. Vervolgens hoort hij om 20.17 uur een harde bonk uit de woning van de buren en hoort hij zijn buurman roepen. Op het moment dat hij naar buiten loopt ziet hij de twee personen die hij eerder via de camera had gezien wegrennen in de richting van sporthal [naam 2] . Later heeft hij de beelden nogmaals bekeken en zag hij dat het exact dezelfde personen waren die hij daarvoor om 19.22 uur ook al had gezien.

Getuige [getuige 4] werd in de nabije omgeving en rond het tijdstip van de inbraak ingehaald door een hard rijdende zwarte KIA met kenteken [kenteken] . Dit kenteken is vervolgens in het ANPR-systeem gezet. Omstreeks 21.47 uur volgt een ANPR-hit op dit kenteken. Nadat het voertuig in Gameren is staande gehouden blijken in het voertuig drie mannen te zitten, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte.

Aan de verbalisanten [naam 3] en [naam 4] , die de verdachten hebben staande gehouden, zijn afbeeldingen van de camerabeelden van de Nest deurbel van getuige [getuige 3] verstrekt. De verbalisanten herkennen aan zijn gezichtsvorm, baard en haargroei een van de mannen op de beelden als verdachte [verdachte] . Daarnaast wordt in de auto een jas meteen capuchon met een rode en witte streep aangetroffen, die overeenkomt met de jas die verdachte [verdachte] droeg op de camerabeelden. Ook verbalisant [naam 5] die verdachte op 26 augustus 2021 heeft verhoord, herkent verdachte als een van de personen op de beelden.

Het door de verdediging gevoerde verweer dat de herkenning van verdachte enkel is gebaseerd op de eerste beelden en dat daaruit de betrokkenheid bij de woninginbraak niet blijkt, verwerpt de rechtbank. Zowel uit de getuigenverklaring van [getuige 3] als uit het proces-verbaal van bevindingen over de camerabeelden blijkt dat de twee mannen die om 19.22 uur te zien zijn, dezelfde personen betreffen als degenen die om 20.17 uur wegrennen uit de tuin van aangever. Gelet op de huidskleur van verdachte zoals deze te zien is op de foto op de SKDB-staat volgt de rechtbank ook het verweer over de blanke huidskleur van verdachte niet.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak op 25 augustus 2021 in Werkendam.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 augustus 2021 te Werkendam, gemeente Altena, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een ring en een armband, toebehorende aan [naam 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Zij verzoekt de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring aansluiting te zoeken bij de LOVS-richtlijnen van de rechtbank en enkel het deel dat verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht onvoorwaardelijk op te leggen. Daarnaast kan worden volstaan met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf of een combinatie van beide. De verdediging verzoekt de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich op 25 augustus 2021 samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak in Werkendam. Aangeefster en haar man werden direct geconfronteerd met de inbraak: op het moment dat zij thuis kwamen hoorden zij dat er mensen op de eerste verdieping van hun woning waren en zijn verdachte en zijn mededader uit het raam van de slaapkamer gesprongen om er vervolgens met een ring en armband in hun bezit vandoor te gaan. Een dergelijk feit levert schade en overlast op voor de direct betrokkenen en gevoelens van onrust en onveiligheid bij hen en de maatschappij in haar geheel. Dat veel personen op de hoogte zijn geraakt van deze inbraak en de vlucht van de verdachten blijkt onder meer uit het grote aantal getuigenverklaringen dat is afgelegd. Bij deze gevolgen heeft verdachte kennelijk niet stilgestaan. Verdachte heeft hiermee laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen en het huisrecht van anderen en enkel te handelen uit eigen belang.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 17 mei 2022 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Er is daarom ook sprake van relevante recidive. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf eveneens meegenomen hetgeen de raadsman ter zitting heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De straf

Gelet op de aard en ernst van het feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten gaan voor een inbraak in een woning waarbij sprake is van recidive uit van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen reden hiervan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Zij ziet geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. D.L.J. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juni 2022.