Strafrecht overig
Verdachte wordt veroordeeld voor meerdere woninginbraken in vereniging tot een gevangenisstraf van 12 maanden…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 september 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:6569 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 19 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2023-6569
Zaakgegevens
Op 19 september 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 19 september 2023
- Datum publicatie
- 19 september 2023
- Zaaknummer
- 02-077142-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6569
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte wordt veroordeeld voor meerdere woninginbraken in vereniging tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Met herkenningen die voor het bewijs worden gebruikt moet zorgvuldig en secuur worden omgegaan. Daar waar beelden niet duidelijk zijn, moet gekeken worden of er steunbewijs is te vinden. Voor de strafmaat wordt meegewogen dat verdachte geen binding heeft met Nederland en kennelijk naar dit land is gekomen met het enkele doel om strafbare feiten te plegen en weer weg te gaan.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-077142-23
vonnis van de meervoudige kamer van 19 september 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte01]
geboren op [geboortedatum01] 1992 te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] )
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn
raadsvrouw mr. M.C. Schraven, advocaat te Breda
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 september 2023, waarbij de officier van justitie, mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er ten aanzien van alle drie de ten laste gelegde feiten, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen heeft ingebroken in een woning, dan wel dat hij ten aanzien van feit 3 subsidiair samen met anderen geprobeerd heeft in te breken in een woning.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte01] en [medeverdachte02] alle drie de ten laste gelegde feiten onder feit 1 en 3 primair hebben gepleegd. Verder komt zij tot de conclusie dat verdachte en [medeverdachte02] zich ook schuldig hebben gemaakt aan feit 2. Zij baseert zich daarbij op de melding betreffende een zwarte VW Golf met drie personen, de gezamenlijke aanhouding van die drie personen op 18 maart 2023 in een zwarte VW Golf, de herkenning van die drie personen door verschillende verbalisanten en [getuige01] , en de aangiften. Specifiek voor feit 2 baseert zij zich ook op het aantreffen van een bahco sleutel in de zwarte VW Golf en de conclusie dat de sporen op het cilinderslot van de poortdeur, behorende bij de woning aan [adres01] te Breda, zeer waarschijnlijk door de aangetroffen bahco sleutel zijn veroorzaakt. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien moeten worden.
Ten aanzien van het medeplegen is de officier van justitie van mening dat er weliswaar geen beelden zijn dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte01] en [medeverdachte02] de respectievelijke woningen doorzoeken, maar wel is te zien dat zij een woning binnengaan. Ook zitten zij samen in een auto. Gelet op de modus operandi gaat de officier van justitie dan ook uit van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het bewijs in deze zaak bestaat overwegend uit herkenningen. Met herkenningen dient secuur omgegaan te worden. De beelden waar de herkenning op wordt gebaseerd, dienen voldoende duidelijk en helder te zijn. In deze zaak zijn veel beelden echter niet scherp en ook zijn de gezichten niet duidelijk in beeld. In de onderhavige zaak zijn de herkenningen gegrond op algemene formuleringen, zoals postuur, houding en gezichtsbeharing. Er wordt geen nadere motivering of onderbouwing gegeven. Verdachte heeft over de feiten 1 en 2 verklaard dat hij het niet is op de foto’s. De foto’s zijn onduidelijk. Ten aanzien van feit 3 herkent verdachte zich wel op de foto, maar dit zegt nog niets over zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde strafbare feit. Met betrekking tot de onder feit 3, subsidiair ten laste gelegde poging tot inbraak in vereniging is de verdediging van mening dat het gegeven dat iemand op beelden van de Ring videodeurbel te zien is, niet een begin van een uitvoering oplevert.
Het dossier bevat onvoldoende gegevens om het medeplegen bewezen te verklaren. Niet vastgesteld kan worden of er een significante bijdrage door verdachte is geleverd. Ook zijn er geen weggenomen goederen onder verdachte of zijn medeverdachten aangetroffen. Tot slot is er geen DNA van verdachte aangetroffen.
Verdachte dient van alle ten laste gelegde feiten vrijgesproken te worden.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Algemeen:
Op 18 maart 2023 kreeg de politie de melding om naar de [straatnaam01] te Oosterhout te gaan. De meldster verklaarde dat zij voor de derde keer een zwarte Volkswagen Golf met het [kenteken01] door de straat zag rijden. Zij gaf voorts aan dat eerder die week ingebroken was bij de overburen en dat zij voor honderd procent de Volkswagen Golf met inzittenden herkende. Over de portofoon werd vervolgens informatie verstrekt dat dit voertuig op 9 maart 2023 gezien was bij een woninginbraak in Breda. Verder bleek uit politiemutaties dat het voertuig met voornoemd kenteken bij meerdere woninginbraken was gezien en hieraan was te linken.
Op 18 maart 2023 kreeg de bestuurder van bovengenoemd voertuig een stopteken, waaraan voldaan werd. [verdachte01] en medeverdachten [medeverdachte02] en [medeverdachte03] werden in het voertuig aangetroffen. In het voertuig werden onder andere twee zwarte petten, meerdere handschoenen, twee zaklantaarns, een ijzeren staaf met een oogje en een bahco aangetroffen.
Politieambtenaren [verbalisant01] , [verbalisant02] en [verbalisant03] bekeken ter plaatse op 18 maart 2023 de beelden behorende bij de woninginbraak van de [adres02] te Breda (feit 1). Zij herkenden de inzittenden van de zwarte Volkswagen Golf met [kenteken01] als zijnde de verdachten van de woninginbraak gepleegd op 4 februari 2023 aan de [adres02] te
Breda. Naar aanleiding van de aangetroffen situatie bekeek politieambtenaar [verbalisant03] de beelden welke werden veiliggesteld naar aanleiding van de woninginbraak op de [adres01] te Breda (feit 2). Hij herkende verdachte en [medeverdachte02] .
Feit 1:
Op 4 februari 2023 is ingebroken in de woning aan de [adres02] te Breda. Een geldbedrag van 11.000 euro, sieraden, elektronica, merktassen, zonnebrillen en een autosleutel/afstandsbediening zijn bij de inbraak weggenomen. Bij de inbraak is de poortdeur opengebroken. Aangever heeft bij het bekijken van camerabeelden breekgeluiden gehoord.
Verbalisanten [verbalisant04] , [verbalisant01] en [verbalisant02] hebben de camerabeelden met betrekking tot de woninginbraak bekeken en hebben verdachte en [medeverdachte02] en [medeverdachte03] hierop herkend. Ook heeft [verbalisant04] opgemerkt dat hij braakgeluiden heeft waargenomen.
Ter zitting heeft de rechtbank foto’s getoond die gemaakt zijn ten tijde van de insluiting van verdachte door de politie op 18 maart 2023. Ook zijn foto’s getoond die deel uitmaken van het beeldmateriaal van de inbraak in de woning aan de [adres02] te Breda.
Feit 2:
Op 9 maart 2023 is ingebroken in de woning aan de [adres01] te Breda. Daarbij zijn weggenomen paspoorten, sieraden, horloges en geldbedragen. Een cilinderslot van de poortdeur was gebroken en daarnaast waren braaksporen aan de achterdeur zichtbaar.
De sporen aan de sloten en deuren zijn veiliggesteld en er heeft vervolgens een werktuig-sporenonderzoek plaatsgevonden waarbij onderzocht is of de sporen veroorzaakt konden zijn met de bahco die is aangetroffen in de auto waar verdachte en de medeverdachten in zaten. Geconcludeerd werd dat de sporen op het cilinder van de poortdeur zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door de in het voertuig aangetroffen bahco.
Verbalisanten [verbalisant04] en [verbalisant03] herkenden verdachte en [medeverdachte02] op grond van de beschikbare beelden. Ook de zwarte Golf met [kenteken01] was op de beelden te zien.
Feit 3:
Op 14 maart 2023 is ingebroken in de woning aan de [adres03] te Oosterhout. Daarbij zijn weggenomen sieraden, een voordeursleutel en een geldbedrag van 700 euro. Op de foto’s, die als bijlage bij de aangifte zijn opgenomen, is flinke braakschade te zien
[getuige01] heeft op 14 maart 2023 beelden van zijn beveiligingscamera bekeken en zag drie mannen lopen. Op 18 maart 2023 zag hij een donkerkleurige auto rijden met dezelfde drie mannen erin.
[getuige02] , zijnde de overbuurvrouw van de bewoners van de woning waar ingebroken is, heeft op 18 maart 2023 een zwarte Volkswagen met drie mannen erin herkend. Deze auto en mannen had zij ook op 14 maart 2023 gezien. Zij herkende het voertuig aan de siervelgen en aan het driedeurs-model. Ook wist zij nog te verklaren dat het kenteken met “ [nummer] ” begon.
[verbalisant04] heeft de beelden van deze woninginbraak bekeken en constateerde dat er een Volkswagen reed die veel gelijkenissen had met de Volkswagen van feit 2. [verbalisant04] herkende verdachte voor 100%.
Verdachte zelf heeft, nadat hem de foto’s op pagina 286 ter zitting getoond werden, verklaard dat hij de persoon op de foto’s was.
Samenhang:
De verdediging heeft aangevoerd dat het bewijs voornamelijk uit herkenningen van verdachte en zijn medeverdachten bestaat. Op deze herkenningen valt echter veel af te dingen waardoor deze niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan een bewezenverklaring, aldus de verdediging. De rechtbank is het met de verdediging eens dat het bewijs voor een groot deel op de herkenningen gestoeld is en dat met herkenningen zorgvuldig en secuur moet worden omgegaan. De rechtbank stelt vast dat de herkenningen in deze zaak gebaseerd zijn op de vorm van het gelaat, de gezichtsbeharing, het postuur, de houding, de kleding en het schoeisel. De rechtbank is van oordeel dat daar waar beelden niet scherp en duidelijk zijn, er steun moet worden gevonden in andere bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat goed te zien is dat verdachte in het profiel past van de gemaakte beelden. De vastgestelde kenmerken zijn voor de rechtbank op de beelden voldoende duidelijk en helder en geven in combinatie met elkaar voldoende zekerheid dat het verdachte is die op de beelden te zien is.
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat zij ook hier ziet dat verdachte past in het profiel. Omdat de beelden ten aanzien van dit feit niet heel duidelijk zijn, dient behoedzaam met de herkenningen omgegaan te worden. Bekeken dient dan te worden of in het dossier steunbewijs te vinden is naast die herkenningen. De rechtbank stelt in dat kader vast dat in de zwarte Volkswagen Golf met [kenteken01] , waar verdachte en zijn medeverdachten in zaten bij hun aanhouding op 18 maart 2023, een bahco is aangetroffen. Na onderzoek is gebleken dat de bij feit 2 veroorzaakte braaksporen op een cilinderslot zeer waarschijnlijk met deze bahco zijn gemaakt. Dit in combinatie met de auto die zowel bij dit feit als bij feit 3 is gezien, maakt dat de rechtbank voldoende steunbewijs ziet voor de herkenningen.
Ten aanzien van feit 3 is het verdachte zelf die zich op de foto’s herkent. Daarnaast zijn er twee getuigen die verklaren over dezelfde mannen die in de auto zaten, die zowel op 14 maart 2023 bij de woninginbraak als op 18 maart 2023 in de buurt van de woning waar was ingebroken is gezien. Meerdere verbalisanten herkennen op 18 maart 2023 vervolgens verdachte en medeverdachten [medeverdachte02] en [medeverdachte03] als zijnde de verdachten die ook bij feit 1 betrokken zijn.
Nadrukkelijk overweegt de rechtbank dat de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bekeken moeten worden. De rechtbank hecht met name belang aan de samenstelling van het groepje verdachten. Dit geldt dan voor de feiten 1 en 3. Voor feit 2 is duidelijk dat [medeverdachte03] niet van de partij was maar zijn broer [medeverdachte04] . Ook is van belang dat de zwarte Volkswagen Golf met [kenteken01] bij de feiten 2 en 3 is gezien en dat in dit voertuig inbrekerswerktuigen zijn aangetroffen. De bij feit 2 waargenomen braaksporen op een cilinderslot zijn zeer waarschijnlijk ook veroorzaakt met een in dit voertuig aangetroffen bahco.
Medeplegen:
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Naar het oordeel van de rechtbank doet het er voor de onderhavige feiten niet heel veel toe wie van de verdachten wat precies gedaan heeft. Vastgesteld kan worden dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte02] en [medeverdachte03] bij de feiten 1 en 3 en verdachte en [medeverdachte02] bij feit 2 steeds samen bij de woningen zijn geweest waar ingebroken is. Bovendien zijn verdachte en medeverdachten steeds te linken aan een zwarte Volkswagen Golf met [kenteken01] , die gezien is bij de feiten 2 en 3. Tot slot zijn in dit voertuig bij de aanhouding inbrekerswerktuigen aangetroffen. Op grond van deze overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.
Voor de overtuiging weegt de rechtbank ten slotte mee dat verdachte voor een groot deel de proceshouding van een zwijgende of ontkennende verdachte heeft aangenomen. Dit is zijn goed recht, maar nu hij op zitting niet met een ander aannemelijke scenario is gekomen voor zijn aanwezigheid bij de woningen onder de hiervoor omschreven omstandigheden, is er voor de rechtbank geen aanleiding om de bewijsmiddelen op een andere wijze uit te leggen dan zij hiervoor heeft omschreven.
Het voorgaande, in combinatie met de aangiften, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 (primair).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 4 februari 2023 te Breda tezamen en in vereniging met anderen in een woning, gelegen aan [adres02] , een geldbedrag van 11.000 euro en sieraden en diverse elektronica en drie merktassen en twee merkzonnebrillen en een autosleutel/afstandsbediening van een personenauto, die aan [benadeelde01] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
2.
op 9 maart 2023 te Breda tezamen en in vereniging met anderen in een woning, gelegen aan [adres01] , paspoorten en sieraden en horloges en geldbedragen, die aan [benadeelde02] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
3, primair.
op 14 maart 2023 te Oosterhout tezamen en in vereniging met anderen in een woning, gelegen aan [adres03] sieraden en een sleutel en een geldbedrag van 700 euro, die geheel aan [benadeelde03] en/of [benadeelde04] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn
mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van
braak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring van de feiten volstaan kan worden met oplegging van een straf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich – samen met anderen – schuldig gemaakt aan drie woninginbraken. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en dat hun persoonlijke bezittingen zijn doorzocht. De ervaring leert dat mensen zich nog lange tijd nadat er in hun woning is ingebroken thuis onveilig voelen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Voor de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het uitgangspunt voor de strafoplegging voor een woninginbraak zonder recidive is een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat de feiten in vereniging zijn gepleegd. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij geen binding heeft met Nederland en kennelijk naar dit land is gekomen met het enkele doel om strafbare feiten te plegen en weer weg te gaan. Dit maakt dat de pakkans kleiner is en daarom wordt meer gewicht toegekend aan het generaal preventieve doel van de op te leggen straf. Tevens wordt in het nadeel van verdachte meegewogen dat in korte tijd meerdere strafbare feiten zijn gepleegd. Tot slot heeft verdachte geen blijk gegeven van inzicht in het kwalijke karakter van zijn handelen. De rechtbank zal dan ook uitgaan van vier maanden in plaats van drie maanden gevangenisstraf per woninginbraak.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is en zij zal verdachte dan ook veroordelen tot deze gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7 De benadeelde partij
De [benadeelde01] vordert een schadevergoeding van € 22.327,- voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 19.155,-, waarvan € 18.855,- materiële schade en € 300,- immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor de post “verlies van arbeidsvermogen”, opgevoerd voor een bedrag van € 3.172,-, is de rechtbank van oordeel dat voldoende causaal verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt. Er is daarom geen sprake van schade die aantoonbaar een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijk rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 4 februari 2023.
De [benadeelde02] vordert een schadevergoeding van € 25.029,- voor feit 2.
Genoemd bedrag bestaat uit € 23.529,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het materiële deel van de gevorderde schade dat zeker niet uitgesloten wordt dat bij de bewezenverklaarde inbraak in de woning van de benadeelde partij veel waardevolle spullen zijn weggenomen. Helaas ontbreekt bij de vordering een gedegen onderbouwing om dit eenvoudig vast te kunnen stellen. Ter zitting heeft de benadeelde partij verklaard dat die onderbouwing er wel is. De rechtbank dient echter uit te gaan van de stukken die nu in het dossier aanwezig zijn. Om het dossier aan te vullen, zou de zaak aangehouden dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat dat op dit moment een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering kan de rechtbank zich voorstellen dat het gebeuren veel impact heeft gehad op het gezin van de benadeelde partij. Voor het toewijzen van dit soort vorderingen in het strafproces ligt de lat juridisch echter erg hoog. Aangetoond dient te worden dat het slachtoffer daadwerkelijk psychische schade heeft opgelopen óf uit de aard van het strafbare feit zelf en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, dient zonder meer te volgen dat daarvan sprake is. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze zaak niet het geval is. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de gehele vordering. De vordering kan bij de burgerlijkrechter worden aangebracht.
De [benadeelde03] vordert een schadevergoeding van € 40.080,- voor feit 3.
De rechtbank overweegt dat zeker niet uitgesloten wordt dat bij de bewezenverklaarde inbraak in de woning van de benadeelde partij veel waardevolle spullen zijn weggenomen. Bij de vordering ontbreekt echter een gedegen onderbouwing om dit eenvoudig vast te kunnen stellen. Om het dossier aan te vullen zou de zaak aangehouden dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat dat op dit moment een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de gehele vordering. De vordering kan bij de burgerlijkrechter worden aangebracht.
8 Het beslag
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feiten 1 tot en met 3:
Telkens: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden ;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
1. EUR IBN 18-03-2023 (omschrijving G2572217);
2 3,15 EUR IBN 18-03-2023 (omschrijving G2572218);
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte voor feit 1 tot betaling aan de [benadeelde01] van € 19.155,-, waarvan € 18.855,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde01] (feit 1), € 19.155,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 130 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart ten aanzien van feit 2 de [benadeelde02] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de [benadeelde02] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart ten aanzien van feit 3 de [benadeelde03] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de [benadeelde03] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 september 2023.
Mr. J.C. Gillesse en Mr. J.F.C. Janssen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.