Strafrecht overig

Afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat onvoldoende is…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 januari 2025

Zaakgegevens

Op 28 januari 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 januari 2025
Datum publicatie
28 januari 2025
Zaaknummer
02-268043-22 (ontneming)
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:418
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat onvoldoende is gebleken dat betrokkene enig voordeel heeft genoten als gevolg van het bewezenverklaarde feit in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-268043-22

vonnis van de rechtbank d.d. 28 januari 2025

in de ontnemingszaak tegen

[betrokkene]

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam

1 De procedure

Betrokkene is op 28 januari 2025 door de rechtbank veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep tot de in die uitspraak vermelde straf.

De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 1.027.914,94. Door betrokkene is geen ontzenuwende verklaring afgelegd over het wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door de hennepkwekerij zou hebben verkregen.

3 Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite integrale vrijspraak is de verdediging is van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

4 Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu verdachte niet integraal is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij vonnis van de rechtbank van 28 januari 2025 is bewezenverklaard dat betrokkene op 18 oktober 2022 opzettelijk 736 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Van de overige ten laste gelegde feiten is betrokkene vrijgesproken. Nu de op 18 oktober 2022 aangetroffen oogst nog niet was voltooid heeft betrokkene hiervan geen wederrechtelijk voordeel verkregen. Niet is bewezenverklaard dat betrokkene enige betrokkenheid heeft gehad bij eerdere oogsten en hier wederrechtelijk voordeel van heeft verkregen. Concluderend acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat betrokkene enig voordeel heeft verkregen uit het door haar gepleegde strafbare feit of uit soortgelijke feiten en zij zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 29 november 2024, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mr. V.M. Schotanus en mr. R.T. Poort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 januari 2025.

Mr. R.T. Poort en mr. V.M. Schotanus zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.