Strafrecht overig
Verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van de "Liverpool Crown Court" van 8…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5726 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-5726
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- 02-059219-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5726
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van de "Liverpool Crown Court" van 8 juli 2025. Aan veroordeelde opgelegd een gevangenisstraf van 3 maanden en een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-059219-26 (WOTS-zaak)
Beslissing op de vordering tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging ex artikel 18 lid 1 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS)
In de zaak onder het voormelde parketnummer tegen:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1942 in [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk)
wonende te [woonadres] ,
heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging in Nederland gevorderd van een in het Verenigd Koninkrijk aan veroordeelde opgelegde straf. De rechtbank heeft hierop als volgt overwogen en beslist.
1 De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit het volgende:
-
de onherroepelijke gerechtelijke beslissing van de rechtbank in Liverpool, Verenigd Koninkrijk, van 8 juli 2025, waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van het voorarrest, omdat hij tussen 1 mei 2021 en 4 juli 2021 eenmalig een kind van 15 jaar ertoe heeft aangezet om via Skype naar hem te kijken, terwijl hij seksuele handelingen aan het verrichten was;
-
het verzoek van veroordeelde om het restant van de opgelegde straf in Nederland te mogen ondergaan van 1 augustus 2025;
-
het verzoek van 11 september 2025 van de minister van justitie te Croydon (Verenigd Koninkrijk), aan zijn ambtsgenoot in Nederland om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 juli 2025 over te nemen;
-
de vordering van de officier van justitie van 3 maart 2026 tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging op grond van artikel 18 lid 1 WOTS;
-
de conclusie op grond van artikel 28 lid 8 WOTS van de officier van justitie van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting op 17 juni 2026. Zij heeft de officier van justitie gehoord alsmede de veroordeelde en zijn raadsman, mr. A.S. Sewgobind, advocaat te Eindhoven.
2 De beoordeling.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van de vordering kennis te nemen. De rechtbank heeft de identiteit van veroordeelde ter terechtzitting onderzocht. Vastgesteld is dat aan degene die voor de rechtbank is verschenen, de hierboven genoemde straf is opgelegd. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in haar vordering worden ontvangen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de mogelijkheid tot overdracht van de tenuitvoerlegging is gecreëerd bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP). Veroordeelde is Nederlandse, het vonnis is onherroepelijk, toen het verzoek werd ontvangen bestond nog een formeel strafrestant van meer dan zes maanden, veroordeelde stemt in met de overdracht van de tenuitvoerlegging en aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor zij is veroordeeld is voldaan. Het gaat om een feit dat naar de Nederlandse wet onder artikel 251 van het Wetboek van Strafrecht valt. De beide betrokken staten stemmen eveneens in met de overdracht van de tenuitvoerlegging. Aan de vereisten van artikel 3 VOGP is derhalve voldaan.
Ook aan de voorwaarden van de artikelen 2 en 3 WOTS is voldaan en in deze zaak doet zich geen beletsel, genoemd in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van die wet, voor.
Ook de bepalingen van artikel 30 WOTS staan niet aan de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging in de weg.
De tenuitvoerlegging zal dus toelaatbaar worden verklaard.
3 Overweging omtrent de op te leggen straf.
Veroordeelde is op 8 juli 2025 door de ‘Liverpool Crown Court’ veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twintig maanden. De straf expireert op 3 januari 2027 en de te verwachten datum van voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling in het Verenigd Koninkrijk is volgens opgave 5 maart 2026.
De rechtbank dient, gelet op artikel 31 lid 1 WOTS, een straf op te leggen die, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. Zij verstaat dit aldus dat bij het opleggen van de straf de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te worden vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechtbank bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale opvattingen over straf en strafmaat. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
Veroordeelde heeft een kind van vijftien jaar ertoe aangezet om via Skype naar hem te kijken, terwijl hij seksuele handelingen verrichtte. Dit heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer en haar familie.
Hoewel in Nederland voor dit feit maximaal een gevangenisstraf van acht jaar kan worden opgelegd, worden in vergelijkbare zaken als de onderhavige doorgaans lagere straffen opgelegd. Aannemelijk is dat de aan veroordeelde opgelegde straf hoger is dan in Nederland aan hem zou zijn opgelegd, nu het een eenmalige gedraging is geweest en veroordeelde geen strafblad heeft. Bovendien is veroordeelde een man op leeftijd.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek, en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaar in overeenstemming is met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan uit het dossier is gebleken. De rechtbank ziet aanleiding om deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
4 De toepasselijke wets- en verdragsbepalingen.
Van toepassing zijn de artikelen 2, 3, 27, 28, 30 en 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en de artikelen 2, 3 en 7 van het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen.
5 De beslissing.
De rechtbank verklaart de tenuitvoerlegging van de beslissing van de ‘Liverpool Crown Court’ van 8 juli 2025 toelaatbaar.
Zij verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van deze beslissing.
Zij legt aan veroordeelde, ter zake van het in dat vonnis te zijnen laste bewezen verklaarde feit, op
- een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, en
- een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en haar gezinsleden, zijnde [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , voor de duur van vijf jaren, met toepassing van de vervangende hechtenis van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Zij beveelt dat de tijd gedurende welke veroordeelde in de vreemde staat, in casu het Verenigd Koninkrijk, ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2026.
De griffier in niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.