Strafrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Op tegenspraak · Strafrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 juli 2026

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
02-800007-09
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7062
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

tbs verlenging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-800007-09

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 31 juli 2026

op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1953 te [geboorteplaats] ,

verblijvende bij [verblijfsadres] ),

hierna: betrokkene.

Raadsvrouw: mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda.

1 De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie van 9 juni 2026, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met twee jaar,

- het vonnis van de rechtbank Breda van 8 juli 2010,

- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025,

- het verlengingsadvies van 18 mei 2026.

2 De procesgang

Betrokkene is op 8 juli 2010 door de rechtbank Breda veroordeeld voor verkrachting. Aan hem is opgelegd een gevangenisstraf van 402 dagen en tbs met voorwaarden. De rechtbank heeft op 10 oktober 2013 bevolen dat betrokkene alsnog van overheidswege wordt verpleegd. Deze beslissing is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 februari 2014 bevestigd.

De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De termijn van de tbs is gaan lopen op 23 juli 2010 en is op 17 juli 2024 voor het laatst verlengd met een termijn van twee jaren. Zonder een verlenging eindigt de tbs op 23 juli 2026.

Op de zitting van 17 juli 2026 is de officier van justitie mr. M.C. Fimerius gehoord. Ook is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Daarnaast is [deskundige] (GZ-psycholoog en behandelcoördinator) gehoord.

3 Het advies van de tbs-instelling

De tbs-instelling heeft in het rapport van 18 mei 2026 geadviseerd de tbs met verpleging van overheidswege te verlengen met twee jaar. Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, narcistische en antisociale trekken. Hij is in 2010 op basis van een tbs met voorwaarden in FPK [locatie 1] behandeld. Eind 2013 is de tbs met voorwaarden omgezet naar tbs met verpleging van overheidswege, omdat betrokkene tegen de reclassering had gelogen over zijn relatie met een vrouw. Sinds maart 2014 verblijft betrokkene in FPC [locatie 2] , waar hij op verschillende afdelingen behandeling doorloopt. Door structurele grensoverschrijdingen en vele schendingen van verlofvoorwaarden is door de instelling besloten dat volledige resocialisatie niet haalbaar is en dat langdurig extern risicomanagement nodig is. Daarom is betrokkene overgeplaatst naar de [locatie 3] . Hij is tevreden met dit verblijf en heeft goed contact met het personeel en de medebewoners. Betrokkene functioneert stabiel binnen de huidige kaders en structuur, maar bij het uitbreiden van vrijheden laat hij telkens onbetrouwbaar gedrag zien en komt hij afspraken niet na. Bij een (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs wordt het risico op recidive hoog ingeschat. De persoonlijkheidsproblematiek is onverminderd aanwezig, waardoor het recidiverisico enkel laag kan blijven door het forensische toezicht en de controle van de tbs-maatregel. De verwachting is dat betrokkene bij einde tbs op termijn terug zal vallen in delictgedrag, waarbij zowel de psychische als fysieke schade fors zal zijn bij potentiële slachtoffers. De tbs-instelling verwacht hierin de komende twee jaar geen verandering.

Op de zitting heeft [deskundige] aangegeven dat zij niets kan zeggen over wanneer betrokkene van de [locatie 3] afdeling kan. Dit hangt af van hoe hij om zal gaan met vrijheden.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is op de zitting bij de vordering de tbs met twee jaar te verlengen gebleven.

5 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op de zitting geen verweer gevoerd tegen de vordering tot verlenging van de tbs.

Verdachte heeft aangegeven dat hij wel graag toekomstperspectief wil hebben. Hij gaat werken aan zijn betrouwbaarheid en transparantie. Hij snapt nu dat dat belangrijk is voor zijn toekomst.

6 Het oordeel van de rechtbank

De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op het advies van de tbs-instelling wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijk criterium.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege moet worden verlengd met twee jaar. De rechtbank begrijpt dat betrokkene graag toekomstperspectief wil hebben. Bij iedere uitbreiding van zijn vrijheden houdt betrokkene zich echter tot dusverre niet aan de gemaakte afspraken en zoekt hij steeds de grenzen op. Daardoor heeft betrokkene zich tot nu toe onvoldoende betrouwbaar getoond. Hij zal daarom eerst gedurende een langere periode moeten laten zien dat hij zich aan afspraken houdt en daarin betrouwbaar is. Pas daarna kan worden bekeken welke vervolgstappen in zijn traject mogelijk zijn. De deskundige heeft aangegeven met betrokkene naar de mogelijkheden de komende twee jaar te kijken.

7 De beslissing.

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [betrokkene] met twee jaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Andraws en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 2026.

De oudste en de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.