Strafrecht overig

Veroordeling voor medeplegen van ontvoering en afpersing van het slachtoffer. Enkele feit dat dat verdachte…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
3 augustus 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
02-288720-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7174
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van ontvoering en afpersing van het slachtoffer. Enkele feit dat dat verdachte niet de gehele ontvoering en afpersing aanwezig was, doet niet af dat uit het handelen en de bewijsmiddelen volgt dat hoewel ontvoering niet was beraamd, volgt uit de bewijsmiddelen dat er verdachte en zijn mededaders bij de gezamenlijk uitvoering van de handelingen bewust en nauw hebben samengewerkt. Meerdaadse samenloop. Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Beslag onttrekken aan het verkeer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-288720-25

vonnis van de meervoudige kamer van 3 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te PI [plaats 1] ,

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. R. in ‘t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1: verdachte samen met anderen [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;
Feit 2: verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van het strafdossier wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zowel de wederrechtelijke vrijheidsberoving als de poging tot afpersing van het slachtoffer.

De officier van justitie vindt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en 2 genoemde onderdeel dat ziet op de verdenking met betrekking tot een vlam van een gasbrander bij het gezicht van het slachtoffer houden. Verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor wat betreft alle onderdelen van de tenlastelegging onder de feit 1 die zien op de geweldshandelingen en bedreigingen nu er geen bewijs is dat verdachte hier een aandeel in heeft gehad en verzoekt verdachte hiervan partieel vrij te spreken. De verdediging is verder van mening dat er voor feit 2 op basis van het strafdossier geen wettig en overtuigend bewijs is om tot een poging tot afpersing te komen en verzoekt om verdachte hiervan vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken stelt de rechtbank vast dat in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 het volgende is gebeurd.

Aanleiding voor de gebeurtenissen was een conflict over vuurwerk, waar het slachtoffer volgens verdachte nog een geldbedrag voor verschuldigd was aan de medeverdachte. Omdat betaling uitbleef, is actief naar het slachtoffer gezocht. Nadat het slachtoffer bij het [hotel] in [plaats 2] was aangetroffen, is hij meegenomen in een auto. Later is hij overgebracht naar de laadruimte van een witte bestelbus waarin hij verbleef totdat de politie hem vond.

Feit 1 Wederrechtelijke vrijheidsberoving

De verdachte heeft weliswaar bekend dat sprake was van ontvoering in de situatie van de bestelbus en dat dit ter verkrijging van het verschuldigde geld was, maar ontkent dat hij betrokken is geweest bij het gedwongen instappen in de auto bij het [hotel] .

Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn medeverdachte al vanaf 23 oktober 2025 actief op zoek waren naar het slachtoffer. Uit de chatgesprekken volgt dat zij gezamenlijk informatie verzamelen over zijn verblijfplaats en concrete plannen maakten om hem te confronteren. In dat kader heeft verdachte via Snapchat onder meer het bericht geplaatst: “[naam] is bekend. Wie regelt voor me dat hij meldt bij me die krijgt beloning. Lessen gaan geleerd worden”. Nadat het adres van het slachtoffer was achterhaald, stuurde medeverdachte aan de verdachte “kom we klemmen hem vanavond na je werk”. Ook werd via Snapchat een oproep verspreid om het slachtoffer te vinden.

Toen het slachtoffer vervolgens bij het [hotel] in [plaats 2] werd aangetroffen, werd hij geconfronteerd door meerdere personen, waaronder verdachte. Vervolgens is het slachtoffer gedwongen om een auto in te stappen. Tegen de achtergrond van de voorafgaande dreigende chatberichten en dat hij door meerdere personen werd opgedragen in de auto plaats te nemen, had het slachtoffer onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet de vrijheid om te weigeren in de auto plaats te nemen. Ook kon hij zich niet aan de situatie onttrekken.

Vervolgens is het slachtoffer overgebracht naar de laadruimte van de bestelbus van verdachte, waar hij tegen zijn wil werd vastgehouden totdat de politie hem aantrof.

De omstandigheid dat verdachte niet gedurende de gehele wederrechtelijke vrijheidsberoving aanwezig is geweest, maakt zijn bijdrage niet minder wezenlijk. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hij bewust heeft meegewerkt aan de uitvoering van het plan om het slachtoffer te ontvoeren en hij heeft daarmee een significante bijdrage geleverd aan de ontvoering. Verdachte was aanwezig bij het [hotel] , is weggereden en is teruggekeerd naar [plaats 3] met zijn bestelbus, waarin het slachtoffer vervolgens verder is vervoerd. Dat het slachtoffer door anderen in de bus zou zijn overgeplaatst, maakt de bijdrage van de verdachte aan de ontvoering niet minder wezenlijk. Verdachte heeft zich niet van het handelen van de mededaders gedistantieerd. Integendeel, hij heeft het slachtoffer samen met de medeverdachte, zijn broer, verder vervoerd. De verklaring van verdachte dat hij dit heeft gedaan uit veiligheidsoverwegingen voor het slachtoffer acht de rechtbank ongeloofwaardig en is bovendien niet verenigbaar met zijn daaropvolgende handelen. Zo is het slachtoffer in de laadruimte van de bestelbus opgesloten en daar achtergelaten totdat de politie hem vond, terwijl de verdachte vervolgens verschillende berichten hierover heeft gewisseld met de contactpersonen [contactpersoon 1] en [contactpersoon 2] . Voor zover de verdachte aanvoert dat de ontvoering niet vooraf was beraamd, overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn mededaders door hun gezamenlijke uitvoering van de verschillende handelingen bewust en nauw hebben samengewerkt. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking is daarmee gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als medepleger verantwoordelijk is voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

De rechtbank is verder van oordeel dat daarnaast sprake is van het wederrechtelijk beroofd houden van de vrijheid van het slachtoffer. Hij is in de bestelbus achtergelaten zonder dat hij deze zelfstandig kon verlaten. Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat de deuren van de bestelbus niet van binnenuit konden worden geopend en vanuit de laadruimte was er geen mogelijkheid om naar de voorkant van de bus te gaan. Daarnaast stond de bestelbus met de achterkant zodanig dicht tegen de muur geparkeerd dat de achterdeuren ook van buitenaf niet konden worden geopend. De bus moest eerst door verdachte verplaatst worden voordat de politie de deuren kon openen om het slachtoffer te bevrijden. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het slachtoffer de bestelbus niet op eigen kracht kon verlaten. Dat dit ook de bedoeling was blijkt ook uit de chatgesprekken die zijn verstuurd waarin staat “Laat hem. Alleen. Bus tegen de muur” en “Je duerbel ca. Cam. Is gericht op je waggie nu tog? En de bus”.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de specifieke bestanddelen die zien op het slaan van het slachtoffer en dat een gasbrander voor zijn gezicht is gehouden. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte partieel worden vrijgesproken.

Feit 2 Poging tot afpersing

Nadat het slachtoffer van zijn vrijheid was beroofd, is de druk op hem voortgezet om betaling van het vermeend verschuldigde geldbedrag af te dwingen. De omstandigheid dat verdachte niet aanwezig was op het moment waarop in de auto de poging tot afpersing plaatsvond, doet niet af aan zijn betrokkenheid daarbij. Uit de voorafgaand aan de feiten verzonden chatberichten blijkt dat verdachte deel uitmaakte van het gezamenlijk plan en de intentie deelde om het slachtoffer onder druk te zetten teneinde van hem geld te verkrijgen. Verdachte heeft op 23 oktober 2025 zelf naar het slachtoffer gestuurd “Yo ik heb zojuist te horen gekregen dat me shit tapoe is gegaan. Ik heb tegen [persoon 1] gezegd dat ik me
pap van de week moet hebben anders gaat iedereen die betrokken is hierbij zwaar op de plek gezet worden. Heb hele investering erin zitten. 2600 alles bij mekaar voor zondag”,
“Die verhalen van inbeslagnames enzo geloof k geen zak van dan zou k het anders wel met bewijs gekregen hebben” en “En die 2600 is het minimale”. Daarnaast heeft de verdachte op 26 oktober 2025 naar ene [persoon 2] gestuurd “Hij gaat z’n les leren’ en “Hij moet een flink bedrag betalen voor spullen waarvan hij weet dat hij t ni in 1 gooi kan geven’’.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de chatgesprekken dan ook af dat het gezamenlijke doel van verdachte, zijn medeverdachte en anderen was om het slachtoffer geld afhandig te maken. Dit heeft de verdachte ook bekend. Reeds voorafgaand aan de ontmoeting werd gesproken over het “boeten” van het slachtoffer en werden dreigende berichten verstuurd, waaronder: “Nu gaat hij boeten” en “Z n mn wilt scotoe op me zetten ik ga hem helemaal de grond in duwen. Ik heb boete op hem gezet voor het rippen van me mattie en niet correct komen, “Als er niks gebeurt gaat z’n waggie als eerst de lucht in” en “hij gaat z’n les leren”.

De rechtbank acht het moeilijk voorstelbaar dat verdachte ervan uitging dat het geld zonder enige vorm van dwang of bedreiging zou worden verkregen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat op 26 oktober 2025 om 21.08 uur door verdachte het bericht werd verzonden: “Hij is al goed aangepakt.” Tegen die achtergrond acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat er tijdens de autorit en verder in de bestelbus door de verdachte, de medeverdachte en de andere personen geen geweld, bedreiging met geweld of andere drukmiddelen zijn gebruikt, ongeloofwaardig. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer dat hij gedurende zijn vrijheidsberoving onder druk werd gezet om geld af te geven, waarbij hem tikken tegen het hoofd zijn gegeven en hij dreigend werd toegesproken.

De rechtbank acht dan ook de poging tot afpersing in vereniging wettig en overtuigend bewezen, maar veroordeelt verdachte voor enkel ‘enig geldbedrag’, omdat uit het dossier onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het om een bedrag van €7.000,00 gaat. Verder is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de specifieke bestanddelen die zien op de verdenking van het slaan van het slachtoffer en dat een gasbrander voor zijn gezicht is gehouden. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte partieel worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,
door
- die [slachtoffer] in een personenauto te geleiden en
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] te rijden en in
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] te
tikken en

- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto over te plaatsen naar en in een
bestelbus en
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] te gaan rijden en
- die [slachtoffer] in voornoemde en afgesloten bestelbus achter te laten
en
- (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je naar de
politie gaat word je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de
brug", "Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of
"Als je het geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben
gedreigd";

2
in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en bedreiging met geweld
[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig
geldbedrag, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde
- die [slachtoffer] naar een personenauto heeft geleid en
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] heeft gereden
en
- meerdere malen, tegen het hoofd van die [slachtoffer]
getikt en
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto naar en in een bestelbus heeft
overgeplaatst en
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] heeft gereden en
- die [slachtoffer] in voornoemde en afgesloten bestelbus achter heeft gelaten
en
- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je naar de politie
gaat word je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de brug",
"Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of "Als je het
geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben gedreigd",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met hieraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland (hierna: Reclassering) en aanvullend een contactverbod met het slachtoffer.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die in het reclasseringsrapport naar voren zijn gebracht. Verdachte hoopt snel weer aan het werk te kunnen zodat hij kan werken aan het aflossen van zijn studieschuld. Daarnaast wenst verdachte zijn ouders en zijn broertje te ondersteunen. Hij heeft enkel zijn broertje willen helpen. Er is niet onderzocht wat er verder speelt. Zijn moeder is doof en de verdachte vertaalt vaak voor haar en brengt haar daarnaast naar ziekenhuisafspraken toe. Tot slot verzoekt de verdediging om rekening te houden met het feit dat er géén sprake was van een planmatige wederrechtelijke vrijheidsberoving.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen, waaronder zijn jongere broer, schuldig gemaakt aan ontvoering en een poging tot afpersing. In plaats van het conflict over vuurwerk en de betaling daarvan zonder crimineel gedrag op te lossen, heeft verdachte ervoor gekozen om daarin andere mensen te betrekken en het slachtoffer onder druk te zetten om zo geld af te dwingen bij het slachtoffer. Door de ontvoering is de vrijheid van het slachtoffer ernstig aangetast en heeft hij urenlang in angst en onzekerheid verkeerd over wat hem te wachten stond, waarbij er ook werd gedreigd met geweld. Dit brengt gevoelens van hevige angst en machteloosheid met zich mee en kan nog lang psychische gevolgen hebben voor het slachtoffer.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij first offender is.

Uit het rapport van de Reclassering van 21 april 2026 volgt – kort samengevat – dat er geen maatschappelijk problemen naar voren zijn gekomen. Verdachte woonde bij zijn ouders en hij had een structurele dagbesteding. Er is geen sprake van schuldenproblematiek of middelenmisbruik. Wel worden er risicofactoren gezien tussen de verdachte en zijn jongere broer, tevens medeverdachte, nu het delict voortkomt uit een ruzie tussen de broer en het slachtoffer.. Daarnaast worden er aanwijzingen gezien voor beïnvloedbaarheid en heeft verdachte een groot verantwoordelijkheidsgevoel jegens zijn omgeving, waardoor hij pro criminele keuzes maakt. Er moet aandacht zijn voor het versterken van zijn persoonlijkheid en het maken van de juiste keuzes. Interventies en begeleiding vanuit de reclassering wordt wenselijk geacht.

Meerdaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 e.v. van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen hangen niet zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt en de strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt meer dan enigszins uiteen.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat sprake was van een plan van de groep waarvan verdachte deel van uitmaakte. Wat de rechtbank betreft neemt de verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn rol in het geheel en blijft hij onterecht zijn rol hierin bagatelliseren. In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank zijn blanco strafblad mee en zijn persoonlijke omstandigheden zoals die blijken uit het reclasseringsrapport.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat zij gelet op de ernst van de feiten niet anders kan dan overgaan tot het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank legt gelet op de genoemde omstandigheden een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist en is van oordeel dat een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk, met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is nodig om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering opleggen. Tevens wordt een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde opgenomen, om bij te dragen aan diens gevoel van veiligheid.

7 Het beslag

De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen voorwerpen zak met vuurwerk, met onder andere cobra 20, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Het vuurwerk is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 45, 47, 57, 282, 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in minder wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

* verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dit nodig vindt. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, locatie Breda, Langendijk 34, 4819 EW.

* dat verdachte deelneemt aan de Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden waarbij de reclassering bepaalt welke training het wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

* verdachte op geen enkel wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod gedurende de proeftijd nodig vindt;

- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- draagt Reclassering Nederland, op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- draagt de politie op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde die ziet op het contactverbod met het slachtoffer;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- goednummer: PL2000-2025288267-2922290 1 stuk zak papier vuurwerk.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, mr. A.R. van Triest en mr. D.H. Hamburger, rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 augustus 2026.

mr. D.H. Hamburger is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober
2025 te [plaats 2] , [plaats 4] en/of [plaats 5] , in elk geval in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd
gehouden,
door
- die [slachtoffer] in een personenauto te geleiden en/of
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] te
rijden en/of
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer]
[slachtoffer] te slaan en/of te tikken en/of
- de vlam van een gasbrander vlakbij het gezicht van die [slachtoffer]
te brengen
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto over te plaatsen
naar/in een bestelbus en/of
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] te gaan
rijden en/of
- die [slachtoffer] in voornoemde en/of afgesloten bestelbus achter te
laten en/of
- (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je
naar de politie gaat wordt je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook",
"We gooien je van de brug", "Als je weggaat komt iemand je achterna die
je dood gaat schieten" en/of "Als je het geld niet binnen 24 uur hebt
geregeld, doen we waarmee wij hebben gedreigd", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking;
( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht)

2
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober
2025 te [plaats 2] , [plaats 4] en/of [plaats 5] , in elk geval in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 7000 euro, in elk geval
enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of
een derde toebehoorde(n)
- die [slachtoffer] naar een personenauto heeft geleid en/of
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] heeft
gereden en/of
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer]
[slachtoffer] heeft geslagen en/of getikt en/of
- een vlam van een gasbrander vlakbij het gezicht van die [slachtoffer]
[slachtoffer] heeft gebracht en/of
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto naar/in een
bestelbus heeft overgeplaatst en/of
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] heeft
gereden en/of
- die [slachtoffer] in voornoemde en/of afgesloten bestelbus achter
heeft gelaten en/of
- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je naar
de politie gaat wordt je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We
gooien je van de brug", "Als je weggaat komt iemand je achterna die je
dood gaat schieten" en/of "Als je het geld niet binnen 24 uur hebt
geregeld, doen we waarmee wij hebben gedreigd", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek
van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )