Strafrecht overig
Bewezenverklaring poging tot afpersing, diefstal en voorhanden hebben van een nepvuurwapen. Gevangenisstraf…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7204 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-7204
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummers
- 02-106904-26, 01-075968-24 (tul)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7204
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezenverklaring poging tot afpersing, diefstal en voorhanden hebben van een nepvuurwapen. Gevangenisstraf deels voorwaardelijk en maximale taakstraf. Volledige toewijzing tul.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-106904-26
Parketnummer TUL: 01-075968-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsman mr. C.L. Pellemans, advocaat te 's-Hertogenbosch.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met het bovenvermelde parketnummer.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 april 2026 in [plaats] :
1. primair: heeft gepoogd [benadeelde] af te persen;
subsidiair: een poging tot diefstal met bedreiging met geweld heeft gepleegd;
2. een gasaansteker heeft gestolen;
3. een nepvuurwapen voorhanden heeft gehad.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3 heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde onder feit 1. Het complex aan feiten voorafgaand aan de handelingen bij de kassa passen meer bij een poging tot diefstal dan bij een afpersing. Ook omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de volgende woorden heeft gezegd: “Pak het geld uit je kassa”. Bovendien heeft verdachte het wapen niet op de kassière gericht. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het tweede en derde ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De rechtbank zal de bewijsmiddelen uitwerken indien hoger beroep wordt ingesteld.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Verdachte komt op 9 april 2026 de supermarkt binnen en heeft zijn sjaal gewikkeld rond zijn gezicht, tot net onder zijn neus. In zijn jaszak heeft verdachte een nepvuurwapen. Verdachte loopt door de gangpaden en vlak voor hij de kassa bereikt zet hij een kerstmuts op zijn hoofd. Kort daarna pakt hij uit zijn rechterjaszak het wapen en loopt hierna richting de kassa. Bij de kassa legt hij een product op de band en de medewerkster komt vanuit de zelfscan, naar de kassa toegelopen. Zodra de medewerkster achter de kassa staat en het product heeft gescand, buigt zij iets richting verdachte. Daarna beweegt zij naar achter en is ook het wapen te zien dat verdachte op de kassa richt. Zij weet uiteindelijk haar leidinggevende via haar oortje op de hoogte te brengen en verdachte verlaat hierop de supermarkt. Bij de uitgang passeert hij [getuige] .
De verdediging stelt dat er geen sprake is van een poging tot afpersing, maar van een poging tot diefstal mede omdat verdachte niets tegen de supermarktmedewerkster zou hebben gezegd.
Aangeefster heeft verklaard dat zij het wapen in de rechterhand van verdachte zag en dat hij wees naar de kassa. Hij zei iets tegen haar wat ze de eerste keer niet hoorde, de tweede keer begreep zij dat hij zei “Pak het geld uit je kassa”. Toen zij niets deed heeft verdachte dit nog meerdere keren herhaald. Daarna drukte zij op haar oortje en riep zij haar leidinggevende op. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De beschrijving van de camerabeelden komt overeen met wat aangeefster heeft verklaard. Daarnaast heeft [getuige] verklaard dat ze verdachte met een wapen de supermarkt zag verlaten. Toen zij naar binnen liep hoorde ze aangeefster zeggen dat verdachte had gevraagd om geld. Daarbij betrekt de rechtbank ook de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verdachte is met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de supermarkt in gegaan. Bij binnenkomst was zijn gezicht al gedeeltelijk bedekt. In de supermarkt bedekt hij zichzelf nog verder, haalt het wapen uit zijn zak, schermt het wapen af met een plastic zak en richt deze vervolgens op de kassa. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster met een wapen wilde dwingen tot de afgifte van het geld in de kassa.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van een poging tot afpersing, het primair tenlastegelegde onder feit 1.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde] te dwingen tot de afgifte van geld, dat geheel aan supermarkt Plus [plaats] (gevestigd aan [adres 2] ) toebehoorde,
- voorzien van een gedeeltelijk over/voor zijn hoofd/gezicht getrokken sjaal en muts
- zich naar/in voornoemde supermarkt is gegaan en heeft begeven,
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] te tonen,
- ( daarbij) tegen die [benadeelde] de woorden "Pak het geld uit je kassa", althans woorden van gelijkende aard of strekking te zeggen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2
op 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen, een gasaansteker, die geheel aan supermarkt Plus [plaats] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3
op 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukwapen voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twintig maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk en daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelet op de persoonlijke belangen van verdachte. Verdachte is kwetsbaar en detentie zou hem alles ontnemen wat hij heeft opgebouwd. Hierdoor wordt zijn netwerk doorbroken, verliest hij zijn plek bij het begeleid wonen en raakt hij verder verwijderd van zijn kinderen. Bovendien ziet de reclassering ook contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdediging verzoekt tot oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest en subsidiair tot het volstaan met een taakstraf met een mogelijk voorwaardelijk deel.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Hij heeft met een nepvuurwapen een medewerkster van de Plus supermarkt bedreigd en geprobeerd haar te dwingen tot het afgeven van geld. Dat verdachte geen geld heeft kunnen meenemen, is omdat aangeefster haar leidinggevende via haar oortje heeft kunnen informeren. Het is een kwalijk feit, ook omdat een dergelijke handeling enorme impact kan hebben op de medewerkers die hiermee worden geconfronteerd. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat de poging tot afpersing een impulsief en weinig doordacht karakter had en op amateuristische wijze is uitgevoerd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een gasaansteker en het voorhanden hebben van een nepvuurwapen. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en ernst van de feiten niet kan worden volstaan met enkel een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest of uitsluitend een taakstraf zoals verzocht door de raadsman.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder voor andersoortige gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 7 juli 2026. Uit dit advies blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking, waardoor hij geneigd is impulsief te handelen. Naast deze beperking is er ook sprake van traumagerelateerde klachten. Dit psychosociaal functioneren in combinatie met middelengebruik merkt de reclassering aan als direct delictgerelateerd en risicoverhogend. De reclassering schat het risico op letsel in als gemiddeld. Verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en het alcoholgebruik van verdachte vergroot zijn impulsiviteit en heeft een drempelverlagend effect. Verdachte verblijft op dit moment bij beschermd wonen van [zorginstelling] . Hier kan hij terugvallen op begeleiding indien nodig, maar kan ook tijdig door de begeleiding worden gesignaleerd als het minder goed gaat met verdachte. Daarnaast is verdachte aangemeld voor een traumabehandeling bij Novadic-Kentron. De reclassering acht het van belang om de bestaande en benodigde zorg te continueren en adviseert een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Zij zien contra-indicaties voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat dit de hulpverlengingstrajecten doorkruist en consequenties kan hebben voor het begeleid wonen traject van verdachte.
Vanwege de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd in beginsel passend zou zijn. Echter, gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan ziet de rechtbank aanleiding om hiervan af te wijken. Detentie zou de ingezette hulpverlening doorkruisen en verdachte zou zijn beschermd wonen plek verliezen. Dit acht de rechtbank onwenselijk en is van oordeel dat toezicht, begeleiding en behandeling dienen te prevaleren. De rechtbank legt daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Het voorwaardelijk deel moet verdachte ervan weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en wordt opgelegd om de bijzondere voorwaarden met de begeleiding en toezicht door de reclassering mogelijk te maken. Daarnaast zal de rechtbank de maximale taakstraf opleggen om de ernst van de feiten te benadrukken.
Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf van 201 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, een locatieverbod en de beheersing van het middelengebruik. Daarnaast legt zij aan verdachte een taakstraf van 240 uren op.
7 De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke taakstraf van 80 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, primair: poging tot afpersing
feit 2: diefstal
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 201 (tweehonderdeen) dagen, waarvan 180 (honderdtachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
*dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Novadic-Kentron op het adres Rompertsebaan 12 te ’s-Hertogenbosch;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het beheersen van het middelengebruik en psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de plaats [plaats] ;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 15 mei 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 01-075968-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 80 (tachtig) uur taakstraf.
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[benadeelde] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan supermarkt Plus [plaats] (gevestigd aan [adres 2] ), in elk geval aan
een ander toebehoorde(n),
- ( al dan niet) voorzien van een geheel of gedeeltelijk over/voor zijn
hoofd/gezicht getrokken sjaal en/of muts, althans (in ieder geval) voorzien van een
geheel/gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht – zich naar/in voornoemde supermarkt is
gegaan en/of heeft begeven,
- een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan
die [benadeelde] te tonen en/of op die [benadeelde] te richten,
- ( daarbij) tegen die [benadeelde] de woorden "Pak het geld uit je kassa", althans woorden
van gelijkende aard of strekking te zeggen en/of te roepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
geld in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt Plus [plaats]
(gevestigd aan [adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te
nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze
voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen
van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , te plegen met het
oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
- ( al dan niet) voorzien van een geheel of gedeeltelijk over/voor zijn hoofd/gezicht
getrokken sjaal en/of muts, althans (in ieder geval) voorzien van een
geheel/gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht – zich naar/in voornoemde supermarkt is
gegaan en/of heeft begeven,
- een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die
[benadeelde] te tonen en/of op die [benadeelde] te richten,
- ( daarbij) tegen die [benadeelde] de woorden "Pak het geld uit je kassa", althans woorden
van gelijkende aard of strekking te zeggen en/of te roepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1
Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen
een gasaansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt
Plus [plaats] en/of [persoon] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 9 april 2026 te [plaats] , gemeente Terneuzen,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie,
te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat
een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een
veerdrukwapen voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen en/of heeft vervoerd;
( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )