Strafrecht overig

Veroordeling voor opzetaanranding van een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw. Gelet op de leeftijd van…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
02-055681-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7552
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor opzetaanranding van een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw. Gelet op de leeftijd van verdachte (81 jaar) en de aanwijzingen voor cognitieve achteruitgang, legt de rechtbank op 14 dgn gs, waarvan 13 dgn VW. Prft. 1 jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-055681-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsvrouw: mr. C.G. Matze, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 mei 2025 [benadeelde] heeft aangerand.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding, met uitzondering van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde betasten van de schaamstreek, waarvoor zij onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, dan wel bewuste schuld had ten aanzien van de seksuele handelingen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend het betasten van de borsten kan worden bewezen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De opzetaanranding

De rechtbank stelt voorop dat van opzetaanranding onder meer sprake is wanneer iemand opzettelijk de wil van de ander negeert. Hieronder vallen ook gevallen waarin seksuele handelingen onverhoeds worden verricht. Het onverwachts en gericht op seksuele wijze aanraken van iemand getuigt van opzettelijk handelen. Diegene is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te spreken. Van een seksuele handeling is sprake bij een aanraking van een seksueel lichaamsdeel, zoals de borsten.

Verdachte heeft onverhoeds de borsten van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) betast. Daarmee heeft hij een seksuele handeling verricht zonder haar de gelegenheid te geven haar wil kenbaar te maken. [benadeelde] heeft verklaard dat zij het handelen van verdachte als naar heeft ervaren, dat zij daar verdrietig van is en zij daardoor niet meer bij verdachte langs durft te gaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat het betasten tegen de wil van [benadeelde] heeft plaatsgevonden.

Bij het oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, betrekt de rechtbank ook de verstandelijke beperking van [benadeelde] . Uit de verklaring van de gedragskundige, die namens [benadeelde] aangifte heeft gedaan, volgt dat bij [benadeelde] sprake is van een matig verstandelijke beperking en dat zij emotioneel functioneert op het niveau van een kind van ongeveer drie jaar.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [benadeelde] ruim dertig jaar bij hem en zijn echtgenote in huis heeft gewoond. Ook heeft hij verklaard dat hij wist dat [benadeelde] een bepaalde beperking heeft, dat zij snel emotioneel werd en dat zware onderwerpen niet met haar konden worden besproken. Gelet op hetgeen verdachte zelf heeft verklaard over zijn bekendheid met de beperking van [benadeelde] en de omstandigheid dat hij onverhoeds haar borsten heeft betast, is de rechtbank van oordeel dat verdachte haar wil opzettelijk heeft genegeerd. Dat verdachte naar zijn eigen zeggen geen seksuele bedoelingen had, maakt dit oordeel niet anders. Het aanraken van de borsten is naar zijn aard een seksuele handeling.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de schaamstreek van [benadeelde] heeft betast en zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn penis in het bijzijn van [benadeelde] heeft betast. Hoewel artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet vereist dat ieder onderdeel van de verklaring van [benadeelde] met bijkomend bewijs wordt ondersteund, acht de rechtbank dit onderdeel van de verklaring, gelet op de gemotiveerde betwisting door verdachte en het ontbreken van enig steunbewijs, onvoldoende overtuigend om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde] opzettelijk heeft aangerand door haar borsten te betasten.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 mei 2025 te [plaats] , gemeente Moerdijk,
met een persoon, te weten [benadeelde] ,
een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten van die [benadeelde] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 29 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 60 uur.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om, in het geval van een bewezenverklaring, een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen of deze te beperken tot maximaal 20 uur.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding door onverhoeds de borsten van [benadeelde] te betasten. Daarmee heeft hij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Uit de verklaring van de zorgcoördinator van [benadeelde] en uit haar studioverhoor blijkt dat [benadeelde] erg ontdaan was door het handelen van verdachte en dat zijn ontoelaatbare handelen veel impact op haar heeft gehad.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat [benadeelde] een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw is, die bovendien gedurende een groot deel van haar leven bij verdachte en zijn echtgenote heeft gewoond. Juist daarom mocht zij erop vertrouwen dat verdachte haar lichamelijke integriteit zou respecteren. Verdachte heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd.

Persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies. De reclassering schetst overwegend een positief beeld van verdachte. Zij schrijft dat verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben en vrijwel alle leefgebieden worden als stabiel omschreven. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat interventies of toezicht niet nodig worden geacht.

Tegelijkertijd signaleert de reclassering aanwijzingen voor cognitieve achteruitgang, waarbij toenemende vergeetachtigheid en verwardheid worden genoemd. Volgens de reclassering heeft deze cognitieve achteruitgang mogelijk ook een rol gespeeld bij het bewezenverklaarde feit.

Hoewel niet is vastgesteld dat bij verdachte sprake is van dementie, acht de rechtbank de aanwijzingen voor cognitieve achteruitgang, bezien in samenhang met zijn hoge leeftijd en zijn lichamelijke gezondheidsklachten, van zodanig gewicht dat zij aanleiding ziet een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de ernst van het feit in beginsel rechtvaardigt.

De straf

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: opzetaanranding;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Koek, voorzitter en mr. D. van Kralingen en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 11 mei 2025 te [plaats] , gemeente Moerdijk, althans in Nederland,
met een persoon, te weten [benadeelde] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten van die [benadeelde] , en/of
- het betasten van de schaamstreek van die [benadeelde] , en/of
- het betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [benadeelde] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak.
( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Kamerstukken II, 2022/23, 36222, nr. 3, p. 18. Kamerstukken II, 2022/23, 36222, nr. 3, p. 16.