Strafrecht overig

Vrijspraak verkrachting in vereniging. Onvoldoende steunbewijs.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
02-221164-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7839
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak verkrachting in vereniging. Onvoldoende steunbewijs.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-221164-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsvrouw mr. M.V. de Nooijer, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 07 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] samen met [medeverdachte] heeft verkracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , waarbij beiden seksuele handelingen hebben verricht bij aangeefster.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs voor het aannemen van de (voorwaardelijke) opzet op de dwang. Verdachte mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat er sprake was van vrijwillige seksuele interactie. Daarbij kan ook niet worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige. In zedenzaken, waarin het vaak gaat om het woord van aangever tegen dat van verdachte, betekent dit dat er sprake moet zijn van steunbewijs afkomstig van een andere bron dan aangever. Niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer die verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de belastende verklaring van aangeefster betrouwbaar is en in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster die zij heeft afgelegd tijdens het informatief gesprek zeden en haar aangifte. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van aangeefster.

Op basis van de verklaringen van aangeefster, verdachte en [medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat er sprake is geweest van een trio tussen hen. Het staat dan ook niet ter discussie dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Echter, verdachte en [medeverdachte] verklaren beiden dat er geen sprake is van dwang. Daarmee bevat het dossier onvoldoende steunbewijs voor de dwang aangezien dit enkel volgt uit de verklaring van aangeefster. Het enkele leeftijdsverschil is daarvoor onvoldoende.

Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

5 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 21 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] , in elk

geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , althans alleen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of zijn

medeverdachte:

- vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht, en/of

- een penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht, en/of

- een penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid uit:

- het fysieke en/of geestelijke overwicht die de aanwezigheid van beide verdachten

op die [slachtoffer] hadden, en/of

- terwijl die [slachtoffer] in een vreemde woning was, en/of

- het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen die [slachtoffer] en verdachte en/of

medeverdachte, en/of

- het niet, althans onvoldoende, communiceren met die [slachtoffer] over hoe zij op

dat moment stond in het hebben van seks met een derde/ander persoon, en/of

- het onverhoeds vingeren door verdachte en/of medeverdachte, en/of

- het onverhoeds duwen/brengen van een penis in de vagina van die [slachtoffer] , en/of

- het duwen door medeverdachte van het hoofd van die [slachtoffer] richting de penis

van medeverdachte;

( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )