Strafrecht overig
Vrijspraak verkrachting in vereniging. Onvoldoende steunbewijs.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7841 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-7841
Zaakgegevens
Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 02-220995-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7841
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak verkrachting in vereniging. Onvoldoende steunbewijs.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-220995-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 07 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
op 8 en/of 9 september 2021 te [plaats 1] [slachtoffer] samen met [medeverdachte] heeft verkracht.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de verkrachting van aangeefster tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] heeft begaan. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, ondanks dat de medeverdachte zelf geen seksuele handelingen heeft gepleegd. Voor een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking is namelijk niet vereist dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, indien de samenwerking intensief is geweest. Daarvan is in dit geval sprake, aangezien de medeverdachte het trio geregisseerd heeft en daarna heeft gekeken hoe verdachte en aangeefster seks hadden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Allereerst omdat er geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster. Indien de rechtbank van oordeel is dat hier wel sprake van is, dan volgt uit het dossier onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat er sprake is van dwang.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige. In zedenzaken, waarin het vaak gaat om het woord van aangever tegen dat van verdachte, betekent dit dat er sprake moet zijn van steunbewijs afkomstig van een andere bron dan aangever. Niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer die verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de belastende verklaring van aangeefster betrouwbaar is en in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster die zij heeft afgelegd tijdens het informatief gesprek zeden en haar aangifte. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van aangeefster.
Aangeefster en medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat er een trio tussen hen en verdachte heeft plaatsgevonden. Aangeefster heeft daarbij verklaard dat deze handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat aangeefster hiermee heeft ingestemd. Volgens verdachte heeft er nooit een trio plaatsgevonden. Op basis van de verklaringen van aangeefster en medeverdachte [medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden waar verdachte ook aan heeft deelgenomen. Aangeefster is echter de enige die heeft verklaard dat daarbij sprake is geweest van dwang. Het enkele leeftijdsverschil is daarvoor ontoereikend. Het dossier bevat dan ook onvoldoende steunbewijs hiervoor.
Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het laste gelegde feit heeft gepleegd zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
5 Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 21 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 8/9 september 2021 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte een penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld
en/of een andere feitelijkheid uit:
- het door verdachte binnenlopen van de slaapkamer, terwijl die [slachtoffer] naakt in een bed lag en vrijwillige seks had met medeverdachte, en/of
- het fysieke en/of geestelijke overwicht die de aanwezigheid van beide verdachten op die [slachtoffer] hadden, en/of
- terwijl die [slachtoffer] in een vreemde woning was, en/of
- het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen die [slachtoffer] en verdachte en/of medeverdachte, en/of
- het niet, althans onvoldoende, communiceren met die [slachtoffer] over hoe zij op dat moment stond in het hebben van seks met een derde/ander persoon, en/of
- het door medeverdachte aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden "Doe het een keer voor mij. Ontspan je maar", en/of
- het niet stoppen nadat die [slachtoffer] had aangegeven het niet te willen, en/of
- het onverhoeds duwen/brengen van een penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )