Strafrecht overig
Verdachte heeft door zijn handelen gedurende een periode van enkele weken inbreuk gemaakt op de persoonlijke…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7885 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 19 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-7885
Zaakgegevens
Op 19 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 02-135591-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7885
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft door zijn handelen gedurende een periode van enkele weken inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met wie hij eerder een relatie heeft gehad. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 2 maanden.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-135591-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 05 augustus 2026. Bij een eerdere behandeling op 1 augustus 2025 is verdachte verschenen. Het onderzoek is toen aangehouden. Bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting van 5 augustus 2026 is verdachte, hoewel daartoe op juiste wijze opgeroepen, niet verschenen. Wel is verschenen zijn raadsman. De raadsman heeft ter terechtzitting verklaard niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdediging van verdachte te voeren. Nu verdachte bij de eerdere behandeling van de zaak in persoon is verschenen, wordt het onderhavige vonnis gewezen op tegenspraak. Ter zitting heeft de officier van justitie mr. H.G. Klootwijk haar standpunt kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [aangeefster] heeft gestalkt door meerdere berichten en/of mails te sturen en zich meermaals in de buurt van de woning van die [aangeefster] te bevinden.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van het ten laste gelegde feit. Wel is zij van mening dat de ten laste gelegde periode ingekort moet worden in die zin dat verdachte het feit gepleegd heeft in de periode van 4 maart 2025 tot en met 18 april 2025.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [aangeefster] , zijn ex-partner.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de belaging zich gedurende de gehele ten laste gelegde periode heeft voorgedaan. [aangeefster] heeft op 22 maart 2025 voor de eerste keer expliciet richting verdachte aangegeven dat hij moest stoppen “met het contact zoeken en het aan de deur komen”. Vervolgens heeft [aangeefster] verdachte geblokkeerd op alle social media platformen. De rechtbank ziet dit als het begin van de periode waarin sprake is van belaging. Uit het dossier blijkt niet van belagingshandelingen na 18 april 2025. Op 18 april 2025 is op beelden van een videodeurbel te zien dat verdachte zich ophoudt in de nabije omgeving van de woning van [aangeefster] . Nu op grond van het dossier niet valt vast te stellen dat verdachte hierna nog belagingshandelingen heeft verricht, ziet de rechtbank dit als de laatste dag van de periode waarin sprake is van belaging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de periode van 22 maart 2025 tot en met 18 april 2025 de periode is waarin de belaging heeft plaatsgevonden. Van het overig deel van de ten laste gelegde periode zal verdachte worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 22 maart 2025 tot en met 18 april 2025 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- die [aangeefster] meermalen berichten en mails te versturen en
- zich meermalen in de nabije omgeving van de woning van die [aangeefster] te begeven
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier maanden waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dient als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangeefster [aangeefster] gekoppeld te worden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Verdachte heeft door zijn handelen gedurende een periode van enkele weken inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met wie hij eerder een relatie heeft gehad. Dergelijk gedrag kan gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaken en maakt ernstig inbreuk op de vrijheid van het slachtoffer om zich ongestoord te bewegen en haar eigen leven te leiden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit in aanraking met justitie is gekomen.
De rechtbank heeft verder meegewogen het advies van de reclassering, zoals neergelegd in het rapport van 23 juli 2026. De reclassering ziet instabiliteit op alle leefgebieden en er is sprake van middelengebruik. Verder wordt aangegeven dat verdachte uit de voorlopige hechtenis is geschorst met reclasseringstoezicht, maar dat dit schorsingstoezicht niet naar behoren verloopt. Verdachte is uit beeld geraakt. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zijn contact- en locatieverbod heeft overtreden. Er worden geen contra-indicaties gezien voor wat betreft oplegging van een gevangenisstraf. Die worden wel gezien voor het opleggen van een taakstraf, nu verdachte heeft laten zien dat hij niet in staat is om afspraken na te komen. De reclassering adviseert een contact- en gebiedsverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van dr. [persoon] , psychiater, van 3 april 2026. De psychiater heeft door beperkte medewerking van verdachte geen uitspraak kunnen doen of sprake is van een stoornis bij verdachte en ook niet over de mate waarin het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank ziet evenwel, mede gelet op de uitingen van verdachte zoals deze uit het dossier naar voren komen, aanleiding om ervan uit te gaan dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in enigerlei mate ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van verdachte rekening houden bij de straftoemeting.
Verder weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat de bewezenverklaarde pleegperiode korter is dan de periode waar de officier van justitie van uit gaat. Ook is van belang dat verdachte zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 4 augustus 2025 heeft onthouden van contact met aangeefster. De rechtbank ziet hierin een aanwijzing dat de situatie sindsdien is gestabiliseerd en ziet dan ook geen reden om in het kader van een voorwaardelijke straf of vrijheidsbeperkende maatregel een contact- of gebiedsverbod op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
7 De vordering van de benadeelde partij
[aangeefster] vordert als benadeelde partij een schadevergoeding van € 12.420,40. Dit bedrag bestaat uit € 8.000,- aan immateriële schade en € 4.420,40 aan materiële schade, te weten vernieling van haar bus en diefstal van een geldbedrag.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [aangeefster] . Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [aangeefster] en dat hij verplicht is de schade als gevolg van dit handelen aan haar te vergoeden.
De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank, op de grondslag aantasting van de persoon op andere wijze en onder toepassing van haar schattingsbevoegdheid, toewijsbaar tot een bedrag van € 750,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 22 maart 2025.
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Belaging
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 augustus 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2025 tot en met 3 mei 2025 te [plaats] ,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] ,
door
- die [aangeefster] meermalen berichten en/of mails te versturen en/of
- zich meermalen in de nabije omgeving van de woning van die [aangeefster] te begeven
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of
vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )