Strafrecht overig

Gevangenisstraf voor medeplegen poging moord en driemaal medeplegen (poging) brandstichting en teweegbrengen…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummers
02-013701-25, 10-111762-22
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8124
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevangenisstraf voor medeplegen poging moord en driemaal medeplegen (poging) brandstichting en teweegbrengen ontploffing. Voorbedachte raad. Aansturende rol.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-013701-25

Parketnummer TUL: 10-111762-22

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026

in de strafzaak tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

waarnemend raadsvrouw mr. S.R. Heerenveen, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 24 en 25 juni 2026, waarbij officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Op 24 augustus 2026 is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in Tilburg samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, dan wel doodslag door een explosief richting meerdere personen te gooien (feit 1), zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg (feit 2), zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam (feit 3) en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij [kapperszaak] in Venlo (feit 4).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle feiten kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is onder meer ten aanzien van alle feiten aangevoerd dat er geen sprake was van medeplegen en dat er ten aanzien van feit 1 geen sprake was van voorbedachte raad of opzet op de dood van de beveiligers.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

[coffeeshop] Tilburg (feiten 1 en 2)

Poging teweegbrengen ontploffing (feit 2)

Op 4 januari 2025 omstreeks 03:06 uur is een explosief gegooid naar de voorzijde van het pand van [coffeeshop] in Tilburg, waar op dat moment meerdere beveiligers aanwezig waren. Ter plaatse werd een vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna: VBC) aangetroffen, bestaand uit twee petflessen gevuld met benzine met daaraan een stuk vuurwerk, type Cobra 6, waaruit een lont stak. Op camerabeelden was te zien dat vanaf het fietspad een brandend voorwerp richting de coffeeshop werd gegooid. Op de VBC werd DNA aangetroffen van verdachte en van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het een deugdelijk explosief was dat tot ontploffing zou zijn gekomen als de lont zou zijn opgebrand en dat niet kan worden achterhaald waarom de lont niet volledig is opgebrand.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. In de avond van 3 januari 2025 heeft verdachte met een auto [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgehaald. Verdachte bestuurde de auto, [medeverdachte 2] was de bijrijder en [medeverdachte 1] zat achterin. Nadat zij in Amsterdam zijn geweest, zijn zij naar Tilburg gereden. Tussendoor hebben zij getankt bij [tankstation] in Gilze. Op de camerabeelden van dit tankstation zijn de verdachte en [medeverdachte 2] te zien met twee petflessen. Verdachte pakte het tankpistool en bewoog richting [medeverdachte 1] die op de achterbank van de auto zat. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] met de pinpas van verdachte een bedrag van € 2,49 afgerekend bij het tankstation. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachte en [medeverdachte 1] benzine hebben getankt voor in (één van) de petflessen. Via de telefoon van verdachte zijn die nacht meerdere afbeeldingen gestuurd van petflessen waaraan vuurwerk was vast getapet met daarin een troebele vloeistof. Dit betreft onder meer een VBC een Fernandesfles met een rood etiket, zoals naar [coffeeshop] is gegooid. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachten in de auto begonnen zijn met de voorbereidingen van de uitvoering door samen het explosief te bereiden.

Nadat benzine voor in de flessen is getankt, is de auto met daarin verdachte en de medeverdachten naar Tilburg gereden. Uit de aangetroffen chatberichten blijkt dat omstreeks 02:10 uur beveiligers voor het pand van de coffeeshop werden gezien. Tevens blijkt uit de chatberichten dat verdachte omstreeks 02:35 uur contact heeft gehad met [medeverdachte 3] over wat ze moesten doen, waarop [medeverdachte 3] [verdachte] berichtte: “hij zegt kijk maar of je doet” en “ervoor, als je wilt”. Vervolgens is er om 02:39 uur een voorverkenning geweest waarbij [verdachte] en [medeverdachte 2] de voorzijde van het pand met daarbij de beveiligers hebben gefilmd. Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] richting de coffeeshop gelopen. [medeverdachte 1] heeft de lont van de Cobra aangestoken en het explosief richting [coffeeshop] gegooid terwijl [medeverdachte 2] dit filmde. Het explosief kwam bij de voeten van de beveiligers terecht

Verdachte heeft de medeverdachten opgehaald en is onder meer met hen naar Tilburg gereden. Hij had contact met derden van wie hij instructies kreeg en gaf die instructies door aan de medeverdachten. Hij stuurde hen aan. Gelet op de significante rol die verdachte in dit geheel heeft gespeeld en de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten daarbij, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van dit feit.

Poging tot moord (feit 1)

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, is vereist dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het mogelijke gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het rapport van het NFI volgt dat direct contact van een Cobra 6 met het lichaam tot dodelijk letsel kan leiden. Daarnaast kan door scherfwerking van omgevingsmaterialen binnen meerdere meters van de ontploffende VBC eveneens dodelijk letsel ontstaan. Daar komt bij dat de Cobra 6 was bevestigd aan twee met benzine gevulde flessen. Gebleken is dat de VBC is aangestoken en met brandende lont naar de coffeeshop is gegooid, waar het aan de voeten van de beveiligers terecht kwam.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van een of meerdere beveiligers. Door een dergelijk explosief te fabriceren en aangestoken te laten gooien richting meerdere personen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit explosief in de nabijheid van die personen tot ontploffing zou komen en dat diegenen daarbij dodelijk letsel zouden oplopen.

Omstreeks 02:10 uur stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat er vier beveiligers voor de coffeeshop stonden. [medeverdachte 3] vroeg [verdachte] vervolgens om een filmpje te sturen, waarna [verdachte] en [medeverdachte 2] een voorverkenning hebben uitgevoerd. Om 02:35 uur stuurde [verdachte] een video van de voorverkenning naar [medeverdachte 3] en liet hij [medeverdachte 3] weten dat er nog twee beveiligers aanwezig waren. Vervolgens stuurde [medeverdachte 3] : “hij zegt kijk maar of je doet”. Met dit bericht kreeg verdachte de vrijheid om zelf te beslissen wat hij zou gaan doen. Korte tijd later gaven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitvoering aan het plan door het explosief te gooien en dit te filmen. Uit de chatberichten is gebleken dat verdachte instructies kreeg over hoe het explosief eruit moest zien, hoe de aanslag gepleegd moest worden en hoeveel schade er moest ontstaan. Verdachte stuurde op zijn beurt de medeverdachten aan. Hij heeft hen die avond benaderd, heeft ze opgehaald met de auto en betaalde de benzine. Verdachte wist ruim drie kwartier voor de aanslag dat er beveiligers voor het pand stonden, heeft vervolgens een voorverkenning uitgevoerd en heeft daarover overleg gehad met [medeverdachte 3] . Na het bericht van [medeverdachte 3] heeft verdachte kennelijk besloten om de aanslag door te laten gaan en heeft hij dat besluit met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedeeld. Gelet op het tijdsbestek tussen de eerste berichten over de aanwezigheid van beveiligers voor de coffeeshop omstreeks 02:10 uur en de aanslag op de coffeeshop omstreeks 03:06 uur, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een moment gehad voor kalm beraad of rustig overleg. In dit tijdsbestek heeft verdachte besloten dat de aanslag doorgang moest vinden en is de aanslag ook daadwerkelijk uitgevoerd. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte dit feit met voorbedachte raad gepleegd heeft en dat dus kan worden bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord.

[adres 2] Amsterdam (feit 3)

Uit de aangetroffen chatgegevens in de telefoon van verdachte blijkt dat hij een centrale rol heeft gehad bij het plegen van dit feit. Verdachte heeft uitvoerig overleg gehad met de opdrachtgever en hij was bestuurder van de auto die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft opgehaald en naar Amsterdam heeft gebracht. Bovendien is vanaf zijn rekening die nacht tweemaal benzine betaald. Hierop gelet acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

[kapperszaak] Venlo (feit 4)

Uit de aangetroffen chatgegevens uit de telefoon van verdachte blijkt dat hij een organiserende en aansturende rol heeft gehad bij het plegen van dit feit. Verdachte heeft uitvoerig overleg gehad met de opdrachtgever en was bestuurder van de auto die naar Venlo is gereden. Zijn aandeel in dit feit is daarom zo groot dat er sprake is van medeplegen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en
- levensgevaar voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop]
te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie heeft gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en de beveiligers van [coffeeshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
op 3 januari 2025 te Amsterdamtezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie voor de woning aan [adres 2] te Amsterdam te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden te duchten was;

4
op 14 januari 2025 te Venlotezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand van [kapperszaak] en/of omliggende panden te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, dan wel de gevangenisstraf aanzienlijk te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 3 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam. Daarnaast heeft hij zich in diezelfde nacht, op 4 januari 2025, samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg en daarbij tevens aan een poging tot moord op de beveiligers die op dat moment voor [coffeeshop] aanwezig waren. Verder heeft hij zich op 14 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een kapperszaak in Venlo. Op alle locaties hebben verdachte en zijn mededaders gebruik gemaakt van met benzine gevulde flessen met daaraan zwaar vuurwerk bevestigd, van het type Cobra 6. Cobra 6 is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere en explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Door dit vuurwerk samen met petflessen benzine tot ontploffing te brengen bij een woning en een kapperszaak en te gooien naar een coffeeshop waar beveiligers bij stonden, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffingen in Amsterdam en Venlo niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor enkel gevaar voor goederen en materiële schade is ontstaan. Bij het incident in Tilburg was echter wel sprake van levensgevaar, omdat er meerdere beveiligers voor het pand van de coffeeshop aanwezig waren op het moment dat het explosief welbewust daarheen werd gegooid. Als het vuurwerk bij [coffeeshop] tot ontploffing was gekomen, zou dit de beveiligers hun leven hebben kunnen kosten. Het gooien van het explosief is voor de beveiligers ook zeer beangstigend geweest. Zij hebben verklaard dat zij op dat moment voor hun leven vreesden en ook daarna hier nog veel last van hebben gehad. Dergelijke incidenten zorgen bovendien in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Dat geldt in het bijzonder voor de bewoner van de woning in Amsterdam, de eigenaar van de coffeeshop in Tilburg en de eigenaar van de kapsalon in Venlo en zijn huisgenoten.

Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol in de ontploffingen.

Eendaadse samenloop

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, tussen het teweegbrengen van de ontploffing in Tilburg (feit 2) en de poging tot moord daar (feit 1).

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het omvangrijke strafblad van verdachte van 7 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte zich weliswaar niet eerder schuldig heeft gemaakt aan dit soort strafbare feiten, maar wel in een proeftijd liep voor het plegen van andere ernstige strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft op 26 mei 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat de reclassering vooral criminogene risicofactoren ziet gelegen in de belaste jeugd van verdachte, zijn pro criminele netwerk, zijn financiële situatie, zijn houding en zijn psychosociaal functioneren. Verdachte heeft een uitgebreide justitiële geschiedenis van gewelds- en vermogensdelicten. Hij startte zijn criminele carrière al op jonge leeftijd, kwam in een gesloten jeugdinstelling terecht en vervolgens in de jeugdgevangenis. Ondanks interventies, zoals behandeling bij [hulpverlening 1] en MST, zette verdachte het delictgedrag voort in zijn volwassen leven. Verdachte functioneert op laag-gemiddeld cognitief niveau en er zijn aanwijzingen voor ADHD. Verdachte is makkelijk beïnvloedbaar. Daarnaast is status en wat daarbij hoort belangrijk voor hem. Verdachte had een bewindvoerder en had weinig geld tot zijn beschikking. Tijdens het reclasseringstoezicht leek hij pro sociale doelen, zoals werk en er voor zijn gezin zijn, na te streven. Hij volgde een behandeling bij [hulpverlening 2] en woonde bij [hulpverlening 3] in Utrecht. Vanwege de relatie met zijn partner verhuisde hij terug naar [geboorteplaats] , waardoor hij weer met zijn criminele netwerk in aanraking kwam. Hij raakte zijn werk kwijt, omdat hij vanwege de (moeizame) zwangerschap van zijn partner thuis nodig was. Door geldzorgen en stress greep verdachte terug op wat hij kende: geld genereren door middel van criminele activiteiten, waarbij hij niet nadacht over de gevolgen voor slachtoffers en voor zichzelf. Er zijn enkele beschermende factoren, vooral gelegen in de relatie met zijn partner en zijn vaderschap, maar dit biedt onvoldoende tegenwicht voor de risicofactoren.

Straf

Verdachte heeft een significante rol gespeeld bij het plegen van deze ernstige feiten. Hij was een van de uitvoerders en stuurde daarbij de medeverdachten aan. Hij had een organiserende rol waarbij hij een deel van de medeverdachten aanstuurde. Verdachte heeft een uitgebreid strafblad en heeft ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Sterker: hij heeft geprobeerd om zijn schuld af te schuiven op de jongere en meer kwetsbare medeverdachten die hij opportunistisch voor de uitvoering van zijn ‘klussen’ gebruikte. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met de straf die door de officier van justitie is geëist, maar dat een langere straf, namelijk een gevangenisstraf van tien jaar passend en geboden is.

7 De benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.701,41 aan materiële schade en een vergoeding van € 16.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting de schadepost verlies verdienvermogen naar beneden bijgesteld en aangegeven dat dit bedrag het te vorderen bedrag minus de belasting betreft. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk hoe deze schadepost is opgebouwd en welke berekening de raadsvrouw heeft toegepast om tot dit bedrag te komen. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De schadeposten die zien op de kosten voor medische zorg en de kosten voor medische verschotten zijn niet gemotiveerd betwist en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze posten zullen daarom worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij knieletsel heeft opgelopen. Het vergt echter nader onderzoek om vast te stellen in welke mate dit letsel is ontstaan door de bewezenverklaarde feiten en in welke mate sprake was van het eerder opgelopen en vastgestelde knieletsel van de benadeelde partij. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend en zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Conclusie

De rechtbank wijst € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.

[slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 1.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder af te willen doen aan de ernst van de schade, meegewogen dat het hier niet om een woning ging maar om een bedrijfspand en dat dit bedrijfspand al vaker doelwit is geweest van aanslagen. Ook is het explosief niet afgegaan. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de stelpost van € 10.000,-.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.

[slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.882,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade niet is onderbouwd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat een deel van de ruit is vernield door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank kan de causaliteit tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde beschadigingen in de hal waar vergoeding voor wordt gevorderd echter niet vaststellen. Bovendien is deze schadepost uitvoerig betwist door de verdediging. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder daarbij af te willen doen aan de impact van dit incident op de benadeelde partij, meegewogen dat de schade in de woning relatief beperkt was en dat de benadeelde partij op het moment van het incident niet in de woning aanwezig was. De benadeelde partij wordt in het overige niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.250,- aan materiële schade en een vergoeding van € 7.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dat betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor het beschadigde rolluik is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegekend.

De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor de beschadigde inventaris is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde stukken niet vaststellen welke schade de benadeelde partij heeft geleden. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. De rechtbank heeft daarnaast, zonder af te willen doen aan de impact van het bewezen verklaarde feit op de benadeelde partij, meegewogen dat de explosie plaatsvond bij het bedrijfspand van de benadeelde partij en dat de schade relatief beperkt is gebleven. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de indicatief gevorderde bedrijfsschade van € 150.000,-.

Conclusie

De rechtbank wijst € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 14 januari 2025.

[slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.250,- aan immateriële schade.

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 Het beslag

De in beslag genomen telefoons zullen worden verbeurd verklaard. De bewezen feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 6 december 2022 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is verdachte ter zake van bedreiging, wederrechtelijke vrijheidsberoving, vernieling en verboden wapenbezit veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd is ingegaan op 21 december 2022.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn in de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan verdachte opgelegde straf.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 55, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van

feit 1: medeplegen van poging tot moord;

en

feit 2: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing

teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar

voor een ander te duchten is;

feit 3: medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 4: medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van € 6.504,41,-, bestaande uit € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] te betalen € 6.504,41 (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 57 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 3] te betalen € 1.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 4] te betalen € 2.500,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , van € 3.250,-, bestaande uit € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 5] te betalen € 3.250,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 32 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 6] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 7]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 7] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 8]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 8] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd als bijkomende straf:

  • 1 stk telefoon, zwart;

  • 1 stk telefoon, Apple, zwart;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 8 maanden, van de bij vonnis van 6 december 2022 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat

1
hij op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer anderen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer anderen heeft/hebben gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop] en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, heeft/hebben gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en/of de beveiligers van [coffeeshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
hij op 3 januari 2025 te Amsterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, voor de woning aan [adres 2] te Amsterdam te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van voornoemde woning en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was;

4
hij op 14 januari 2025 te Venlotezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand van [kapperszaak] en/of omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van de [adres 3] en/of (andere) omwonenden van [kapperszaak] en/of voorbijgangers
te duchten was.