Strafrecht overig
Gevangenisstraf voor medeplegen uitlokking teweegbrengen ontploffing en verboden wapenbezit. Opdrachtgever…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8127 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 24 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-8127
Zaakgegevens
Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2026
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- 02-114618-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8127
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gevangenisstraf voor medeplegen uitlokking teweegbrengen ontploffing en verboden wapenbezit. Opdrachtgever, aansturende rol.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-114618-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1998 op Curaçao (Nederlandse Antillen),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [P.I.] ,
raadsvrouw mr. B. Molleman, advocaat te Amsterdam.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 24 en 25 juni 2026, waarbij officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 24 augustus 2026 is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitlokken van het teweegbrengen van een ontploffing bij [kapperszaak] in Venlo (feit 1) en dat hij een gaspistool met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad (feit 2).
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat beide feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van het account ‘ [naam] ’. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs (feit 1)
Gebruiker signalaccount ‘ [naam] ’
Op 14 januari 2025 omstreeks 03:00 uur is een explosief tot ontploffing gebracht bij [kapperszaak] in Venlo. Uit onderzoek in de telefoon van [medeverdachte] is gebleken dat hij instructies kreeg van de gebruiker van het signalaccount met de naam ‘ [naam] ’.
Het signalaccount met de naam ‘ [naam] ’ was gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer is gebruikt in de onder verdachte in beslag genomen iPhone 13 Pro Max. Uit onderzoek in dit toestel is gebleken dat de gebruiker ervan reageerde op berichten gericht aan ‘ [persoon 2] ’ en dat hij zichzelf ook als zodanig voorstelde. Verder is gebleken dat er overeenkomstige gesprekken, contactmomenten, gevoerde discussies en verwijzingen waren naar zowel ‘ [persoon 2] ’ als ‘ [naam] ’ als zijnde de aandeelhouder dan wel opdrachtgever in diverse opdrachten. Er werden parallelle gesprekken gevoerd met/over ‘ [persoon 2] ’ en ‘ [naam] ’ met dezelfde onderwerpen.
In de onder verdachte in beslag genomen Samsung Galaxy 6 is een afbeelding aangetroffen van signalaccount ‘ [naam] ’, gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] . In de telefoon van [medeverdachte 2] is contact ‘ [persoon 2] ’ aangetroffen, gekoppeld aan ditzelfde telefoonnummer. Verder bleek uit de politiesystemen dat verdachte op 1 mei 2024 met dit telefoonnummer een melding heeft gemaakt bij de politie. Bovendien vertonen de namen ‘ [persoon 2] ’ en ‘ [naam] ’ overeenkomsten met de volledige naam van verdachte: [verdachte] .
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer] en de naam ‘ [persoon 2] ’ en daarmee ook gebruik maakte van signalaccount ‘ [naam] ’. De rechtbank stelt daarmee tevens vast dat de door het account ‘ [naam] ’ verstuurde berichten afkomstig zijn van verdachte.
Uitlokking
Op 14 januari 2025 omstreeks 03:02 uur is een explosief afgegaan bij [kapperszaak] aan de [adres 2] in Venlo. Op camerabeelden was te zien dat bij het rolluik door een persoon een fles werd weg gezet waaraan iets met ducttape was bevestigd. Dit voorwerp werd vervolgens aangestoken en kwam tot ontploffing.
Uit de onderzochte chatgesprekken is gebleken dat verdachte op de avond van 13 januari 2025 aan [medeverdachte] vroeg of hij ‘actief’ was voor een opdracht in Venlo met dezelfde modus operandi. In de telefoon van [medeverdachte] was die avond om 23:03 uur een screenshot opgeslagen van een chatbericht van [medeverdachte 2] waarop een stuk papier te zien was met de tekst: “ [adres 2] [postcode] Venlo”. Op 14 januari 2025 tussen 00:14 en 00:39 uur stuurde [medeverdachte 2] meerdere berichten aan [medeverdachte] . Hij vroeg [medeverdachte] om een foto van zijn navigatie te sturen om zeker te weten dat [medeverdachte] naar de goede plek zou gaan en hij stuurde meerdere keren dat er goed gefilmd moest worden. Het filmpje moest vervolgens in het groepsgesprek worden gedeeld. Omstreeks 01:11 uur kwam verdachte in het groepsgesprek. Hij stuurde tot 03:01 uur verdere instructies over hoe het explosief eronder moest worden geschoven en dat het plaatsen van het explosief en de schade die het explosief zou veroorzaken goed gefilmd moesten worden. Later die dag, omstreeks 15:29 uur, stuurde [medeverdachte 2] berichten naar [medeverdachte] over de betaling.
In het groepsgesprek werden aan [medeverdachte] opdrachten en instructies gegeven en werd een beloning in het vooruitzicht gesteld. Zo stuurde [medeverdachte 2] het adres door en instrueerden hij en verdachte hoe de aanslag moest worden gepleegd en dat het goed gefilmd moest worden. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte en [medeverdachte 2] samen de uitlokkers waren van dit feit. Uit de chats valt op te maken dat de [medeverdachte] , de uitgelokte, op enig moment instemde met het uitvoeren van de opdracht. [medeverdachte] nam de uitvoering op zich en de aanslag werd ook daadwerkelijk uitgevoerd.
Verdachte heeft een duidelijke en belangrijke rol gespeeld in dit geheel. Hij heeft [medeverdachte] actief aangestuurd door informatie en instructies te delen. Door deze aanslag te laten uitvoeren, heeft verdachte voor lief genomen dat het explosief zou ontbranden en forse schade zou veroorzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking om dit feit te plegen.
Opgave bewijsmiddelen (feit 2)
Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit ten aanzien van feit 2, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
-
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 865 t/m 869 van zaaksdossier Rebel;
-
Het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 juli 2025, nummer [nummer], opgemaakt door [deskundige] , pagina’s 870 t/m 874 van zaaksdossier Rebel.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
[medeverdachte] en anderen op 14 januari 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten [kapperszaak] en/of omliggende panden te duchten was welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 13 en 14 januari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en het verschaffen van inlichtingen, te weten door
- die [medeverdachte] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en
- die [medeverdachte] (via Signal) de opdracht te geven om het explosief te plaatsen en
- aan die [medeverdachte] het adres [adres 2] te Venlo te verstrekken en
- actief deel te nemen aan een (Signal-)groepsgesprek waarin instructies voor/over de voorbereiding en uitvoering van de ontploffing/brandstichting werden gegeven en/of besproken en
- die [medeverdachte] een geldbedrag te beloven en/of te betalen;
2
op 17 april 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool van het merk Piexon, type JPX2 Gen 1, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 49 kogelpatronen, CBC (magtech) van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1, verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 14 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan het uitlokken van brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een kapperszaak in Venlo. Hierbij is gebruik gemaakt van een met benzine gevulde fles met daaraan bevestigd zwaar vuurwerk type Cobra 6. Cobra 6 is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere en explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Door dit vuurwerk samen met petflessen benzine tot ontploffing te laten brengen bij een woning, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffing niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor enkel gevaar voor goederen is ontstaan. De ontploffing is voor de eigenaar van de kapsalon en zijn huisgenoten ook zeer beangstigend geweest. Zij hebben ook hun woning moeten verlaten en konden daar langere tijd niet terugkeren. Dergelijke incidenten zorgen bovendien in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Het was verdachte die opdracht gaf tot het plegen van dit feit en de medeverdachten instrueerde. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.
Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij was de opdrachtgever van de aanslag en had een aansturende rol in het geheel. Hij heeft eraan bijgedragen dat jonge en kwetsbaardere medeverdachten zijn ingezet om voor hem het vuile werk te doen. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol bij de ontploffing.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 20 mei 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Reclassering Nederland heeft op 9 juni 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat er diverse risicosignalen naar voren komen uit het onderzoek van de reclassering, waaronder geen daginvulling, het sociale netwerk van verdachte en zijn huidige schuldenlast. Verdachte heeft plannen voor zijn toekomst na detentie, maar die zijn nog onvoldoende concreet of uitgewerkt. Op het gebied van huisvesting is sprake van onzekerheid omdat verdachte zijn woning is verloren tijdens detentie. Verdachte spreekt enkel hiervoor zijn hulpvraag uit aan de reclassering. Een financieel motief kan niet worden uitgesloten, daar er sprake was en is van een schuldenlast. Ten aanzien van het sociaal netwerk van verdachte baart het de reclassering zorgen dat verdachte zich eerder in het gezelschap van de medeverdachten bevond, maar de reclassering kan door de ontkennende houding van verdachte niet vaststellen in hoeverre deze contacten functioneel, structureel of delictgerelateerd van aard waren.
Straf
Gelet op de ernst van de feiten en de rol van verdachte daarin, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van het voorarrest passend is. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.
7 De benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.250,- aan materiële schade en een vergoeding van € 7.000,- aan immateriële schade.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dat betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor het beschadigde rolluik is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegekend.
De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor de beschadigde inventaris is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde stukken niet vaststellen welke schade de benadeelde partij heeft geleden. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. De rechtbank heeft daarnaast, zonder af te willen doen aan de impact van het bewezen verklaarde feit op de benadeelde partij, meegewogen dat de explosie plaatsvond bij het bedrijfspand van de benadeelde partij en dat de schade relatief beperkt is gebleven. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de indicatief gevorderde bedrijfsschade van € 150.000,-.
Conclusie
De rechtbank wijst € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 14 januari 2025.
[benadeelde partij 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.250,- aan immateriële schade.
De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8 Het beslag
Het in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. Het bewezen feit is met behulp van dit voorwerp begaan.
De in beslag genomen wapens en munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen van 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
-
verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
-
spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: uitlokking van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen
gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het
feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , van € 3.250,-, bestaande uit € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen € 3.250,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij niet betaling 32 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 3] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] , van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 4] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:
1 stk telefoon, Samsung.
-
verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
-
1 doos munitie, Magtech;
-
1 stk loop wapen;
-
1 stk wapen;
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
[medeverdachte] en/of een of meer anderen. op 14 januari 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht en/of brand heeft/hebben gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten [kapperszaak] en/of omliggende panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van de [adres 3] en/of (andere) omwonenden van [kapperszaak] en/of voorbijgangers
te duchten was welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 13 en/of 14 januari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door
- die [medeverdachte] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of
- die [medeverdachte] (via Signal) de opdracht te geven om het explosief te plaatsen en/of
- aan die [medeverdachte] het adres [adres 2] te Venlo te verstrekken en/of
- actief deel te nemen aan een (Signal-)groepsgesprek waarin instructies voor/over de voorbereiding en uitvoering van de ontploffing/brandstichting werden gegeven en/of besproken en/of
- die [medeverdachte] een geldbedrag te beloven en/of te betalen;
2
hij op 17 april 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool van het merk Piexon, type JPX2 Gen 1, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 49 kogelpatronen, CBC (magtech) van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad.