Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:9425

Op 29 September 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-227070-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:9425. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-227070-23
Datum uitspraak:
29 September 2026
Datum publicatie:
30 September 2026

Indicatie

Veroordeling voor medeplegen van het bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne en de voorbereiding daarvan. Oplegging van een gevangenisstraf van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-227070-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven op het [adres] ,

raadsman mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is op 29 september 2026 gesloten.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2023 tot en met 11 september 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in cocaïne en de voorbereiding van de handel in cocaïne.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten in de periode van 28 augustus 2023 tot en met 11 september 2023 heeft gepleegd. Hij verzoekt verdachte inzake beide feiten partieel vrij te spreken ten aanzien van de periode 1 januari 2023 tot en met 27 augustus 2023, nu daar onvoldoende bewijs voor is.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat slechts vast te stellen is dat verdachte op 3 en 6 september 2023 zijn dealer heeft geholpen bij het testen van de kwaliteit van de door hem geleverde cocaïne. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken voor het tenlastegelegde buiten deze twee momenten. Daarnaast betreft dit geen medeplegen van het structureel handelen in cocaïne, zodat ook daarvoor vrijspraak moet volgen. .

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is een onderzoek gestart naar een criminele groep die in de regio Breda handelt in onder andere cocaïne. Middels tapgesprekken in dit onderzoek is de politie verdachte op het spoor gekomen. Verdachte heeft bekend dat hij cocaïne bij dealers uit deze groep heeft gekocht en dat hij op 3 en 6 september 2023 in het bijzijn van een van de dealers de door hen geleverde cocaïne heeft gekookt. Verdachte heeft verklaard dat hij de cocaïne voor eigen gebruik uitkookte en dat de dealers hiervan op de hoogte waren. De dealers wilden volgens verdachte van hem weten wat de kwaliteit van de door hen geleverde cocaïne was. Voor het uitkoken gebruikte verdachte onder andere een steelpan, een mok en ammoniak.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen ook bewezen dat verdachte op 9 september 2023 cocaïne heeft gekookt in het bijzijn van een dealer uit deze criminele groep. Ook acht de rechtbank anders dan de verdediging ten aanzien van feit 1 het medeplegen eveneens wettig en overtuigend bewezen. Uit de tapgesprekken volgt dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de dealers, die in de kern bestond uit het gezamenlijk bereiden, bewerken en verwerken van (base-)cocaïne.

Concluderend acht de rechtbank op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 3 tot en met 9 september 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne (feit 1) en hij zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van het bereiden, bewerken en verwerken van (base-)cocaïne (feit 2), zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 in de periode 3 september 2023 tot en met 9 september 2023 te [plaats] , gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt een hoeveelheid cocaïne en/of base-cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2 in de periode 3 september 2023 tot en met 9 september 2023 te [plaats] , gemeente Gilze en Rijen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten- het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken, en/of- het opzettelijk vervaardigen

van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of base-cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij opzettelijk daartoe;- meerdere voorwerpen en/of benodigdheden voorhanden gehad welke kenmerkend (kunnen) zijn voor het produceren van base-cocaïne, zijnde harddrugs, zoals: een kookpan en schroevendraaier (met wit poeder substantie op handvat) en steelpan en weegschaal en rubberen handschoen(en) en ammoniak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast verzoekt hij een taakstraf van 100 uur op te leggen, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een korte periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van het bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne en aan de voorbereiding daarvan. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Door de verspreiding van drugs en het gebruik ervan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit in veel gevallen gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend effect uit. Het voorgaande is ook reden dat er op het plegen van drugsfeiten strenge straffen staan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie voor soortgelijke feiten.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport dat op 30 april 2026 over verdachte is opgesteld. Daaruit blijkt dat verdachte ongeveer twintig jaar cocaïne gebruikt. Hij gebruikt cocaïne onder andere als zelfmedicatie om zijn fysieke pijn vanwege een hernia dragelijker te maken. Verdachte lijkt zijn cocaïnegebruik goed te kunnen beheersen en zichzelf voldoende te begrenzen om te voorkomen dat het destructief wordt. Positief is dat de praktische leefgebieden van verdachte stabiel zijn. Gelet op voorgaande acht de reclassering interventies of toezicht niet nodig. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Ook dient bij de strafoplegging rekening gehouden te worden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in deze zaak is geschonden. De redelijke termijn is op 11 september 2023 aangevangen, aangezien verdachte die datum in verzekering is gesteld en daarom redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat er strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld in deze zaak. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Dat maakt dat de redelijke termijn met 1 jaar is overschreden en dat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de strafoplegging.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank ook rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij niet eerder voor drugsfeiten is veroordeeld, de inhoud van het reclasseringsrapport en de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, passend en geboden.

7
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

eendaadse samenloop van:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en

feit 2: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter,

en mr. D.H. Hamburger en mr. K. Verschueren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 september 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2023 tot en met 11 september 2023 te [plaats] ,

gemeente Gilze en Rijen , althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

een hoeveelheid cocaïne en/of base-cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2023 tot en met 11 september 2023 te [plaats] ,

gemeente Gilze en Rijen , althans in Nederland

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of base-cocaïne, in elk geval een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te

plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van

dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had

om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft hij opzettelijk daartoe;

- zijn woning ter beschikking gesteld voor de productie van harddrugs;

- één of meerdere voorwerpen en/of benodigdheden voorhanden gehad welke

kenmerkend (kunnen) zijn voor het produceren van cocaïne en/of base-cocaïne

,zijnde harddrugs, zoals: een kookpan en/of schroevendraaier (met wit poeder

substantie op handvat) en/of steelpan en/of weegschaal en/of rubberen

handschoen(en) en/of schoonmaakammoniak en/of huishoudammoniak;

( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1

ahf/sub 3 Opiumwet )