Strafrecht overig

Tussenvonnis. De rechtbank acht het onderzoek ter terechtzitting niet volledig, zodat het moet worden heropend.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
02-149809-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9477
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis. De rechtbank acht het onderzoek ter terechtzitting niet volledig, zodat het moet worden heropend.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-149809-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2000,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1],

raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Berkel en Rodenrijs.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen op 11 april 2026 een woninginbraak heeft gepleegd aan [adres 2].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De onvolledigheid van het onderzoek ter terechtzitting

Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en dient te worden hervat.

Uit het dossier blijkt dat er verschillende sporen zijn veiliggesteld, zowel in de woning van aangever als in het voertuig van [medeverdachte]. Daarnaast is ook de aangetroffen handschoen die uit het voertuig van de medeverdachte was gegooid onderzocht. TMFI is verzocht biologisch sporenonderzoek en/of vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten naar deze aangetroffen sporen. Het doel van het DNA-onderzoek was het vaststellen van de aanwezigheid van DNA in de bemonsteringen en wie de donor kan zijn. Uit het rapport van TMFI van 8 mei 2026 volgt dat in de verschillende bemonsteringen DNA-profielen zijn aangetroffen. Voor niet elk van deze bemonsteringen is de bewijskracht uitgerekend. In het geval dat een dergelijke berekening ontbreekt kan de rechtbank geen conclusies over donorschap verbinden aan deze DNA-overeenkomst.

De rechtbank acht zich, gelet op de TMFI-rapportage en het verhandelde ter zitting, niet voldoende geïnformeerd over de DNA-resultaten. De rechtbank acht het voor een goede beoordeling van de zaak noodzakelijk om de bewijskracht van de overige bemonsteringen te laten berekenen. De rechtbank zal dan ook bevelen dat de officier van justitie de bewijskracht van de volgende bemonsteringen uit laat rekenen:

- [kenmerk 1] ‘veeg raam thv knip’;

- [kenmerk 2] ‘binnenzijde handschoen’.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting niet volledig, zodat het moet worden heropend. De rechtbank zal de stukken in handen van de officier van justitie stellen om het hiervoor benoemde onderzoek te laten uitvoeren. De rechtbank zal het onderzoek schorsen om dit op een nader te bepalen terechtzitting voort te zetten.

5 Beslissing

De rechtbank:

- heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, opdat deze het hierboven omschreven onderzoek laat uitvoeren;

- beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsvrouw tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat en beveelt dat de benadeelde partij van dit tijdstip in kennis wordt gesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.

Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 11 april 2026 te [plaats], in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de
[adres 2], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of
tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
één of meerdere sierraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de
heer [benadeelde], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder
zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking
en/of inklimming;

( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van
Strafrecht )