14 uitspraken gevonden
Sorteer op: Relevantie
- BelastingrechtBijlage: ECLI:NL:PHR:2024:695 Belastingplicht overheidslichaam; drijft een gemeente met…
Parket bij de Hoge Raad|14 juni 2024|ECLI:NL:PHR:2024:631
wijzen, acht hij problematisch, nu de concessies zijns inziens een vermogensrecht ex art. 3:6 BW zijn, zodat hij ’s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, niet begrijpelijk acht, te minder … geen relevant vermogensbestanddeel valt aan te wijzen, lijkt mij problematischer. Volgens art. 3:6 BW is een vermogensrecht een recht dat overdraagbaar is of ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
- BelastingrechtBijlage: ECLI:NL:PHR:2024:695 Belastingplicht overheidslichaam; drijft een gemeente met…
Parket bij de Hoge Raad|14 juni 2024|ECLI:NL:PHR:2024:707
wijzen, acht hij problematisch, nu de concessies zijns inziens een vermogensrecht ex art. 3:6 BW zijn, zodat hij ’s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, niet begrijpelijk acht, te minder … geen relevant vermogensbestanddeel valt aan te wijzen, lijkt mij problematischer. Volgens art. 3:6 BW is een vermogensrecht een recht dat overdraagbaar is of ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
- BelastingrechtVpb-plicht gemeente voor (i) verkoop reclameconcessies en (ii) hypothecaire leningverstrekking aan personeel?…
Parket bij de Hoge Raad|22 augustus 2025|ECLI:NL:PHR:2025:853
reclameconcessies maakt de belanghebbende volgens het Hof vermogensrechten in de zin van art. 3:6 BW rendabel, weliswaar met een min of meer duurzame organisatie van werkzaamheden, maar het is niet … meen ik dat het Hof de concessies terecht heeft aangemerkt als vermogensrechten ex art. 3:6 BW, maar ten onrechte of niet-begrijpelijk heeft geoordeeld dat de concessieverlening slechts het rendabel maken
- BelastingrechtCassatieart. 5.3, lid 2, Wet IB 2001; zijn cryptovaluta vermogensbestanddelen die tot de rendementsgrondslag voor box…
Hoge Raad|25 april 2025|ECLI:NL:HR:2025:683
cryptovaluta niet zijn aan te merken als vermogensrechten in de zin van artikel 3:6 BW. Verder stelt zij zich op het standpunt dat voor een vermogensrecht en daarmee voor een bezitting … ruimere betekenis heeft dan het begrip ‘vermogensrecht’ van artikel 3:6 BW. Het Hof heeft verder overwogen dat een positie in cryptovaluta – althans het vermogen van de gebruiker om in ruil voor
- BelastingrechtCassatieArtikel 5.3, lid 2, letter f, Wet IB 2001. Inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Negatieve waarde renteswap.
Hoge Raad|2 februari 2018|ECLI:NL:HR:2018:123Aangehaald in 5 uitspraken
bank vergoed krijgt. Een zodanig recht is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW aangezien het is verkregen in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel
- BelastingrechtConclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad|8 februari 2002|ECLI:NL:PHR:2002:ZC8109
geen overdracht van een zaak (art. 3:2 BW) of van een vermogensrecht (art. 3:6 BW). Er is immers nog niet zo'n recht: er is slechts een volle eigendom … vermogensrechten vormt (dat is afhankelijk van de overdraagbaarheid ervan in de zin van art. 3:6 BW), voor de (volgende) overdracht waarvan wellicht wél een akte vereist is ingevolge art. 3
- BelastingrechtHoger beroepBelanghebbende stelt dat de rechtbank in strijd met artikel 8:56 van de Awb heeft gehandeld, door na…
Gerechtshof Amsterdam|21 april 2011|ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7224
gepubliceerd in BNB 1991/247, die hun betekenis na invoering van artikel 3:6 BW hebben behouden, geoordeeld dat aan de hand van de omstandigheden van het geval en de verhouding
- BelastingrechtHet geschil in cassatie betreft de vraag of de ministeriële regelgever met artikel 38 van de Uitv.reg. IB…
Parket bij de Hoge Raad|28 februari 2017|ECLI:NL:PHR:2017:108Aangehaald in 7 uitspraken
Het geschil in cassatie betreft de vraag of de ministeriële regelgever met artikel 38 van de Uitv.reg. IB 2001 buiten de aan hem gedelegeerde bevoegdheid is getreden door het beperken van de in aftrek te brengen uitgaven voor extra kleding en beddengoed in de zin van artikel 6.17, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001.…
- BelastingrechtEerste aanleg - enkelvoudigSchenkingsrecht. Overdracht van zoons helft van de woning aan zijn moeder, die de andere helft bezit en de…
Rechtbank Haarlem|29 januari 2009|ECLI:NL:RBHAA:2009:BH1793
gepubliceerd in BNB 1991/247, die hun betekenis na invoering van artikel 3:6 BW hebben behouden, geoordeeld dat aan de hand van omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij
- Belastingrecht(i) Box 3; Renteswap met negatieve waarde; negatieve ‘bezitting’? ‘Schuld’? Geen van beide? (ii) Boeten voor…
Parket bij de Hoge Raad|11 oktober 2017|ECLI:NL:PHR:2017:1134
(i) Box 3; Renteswap met negatieve waarde; negatieve ‘bezitting’? ‘Schuld’? Geen van
- BelastingrechtFaillissement en enquêterecht; bevoegdheid curator moedervennootschap tot verzoeken enquête bij failliete…
Parket bij de Hoge Raad|19 mei 1999|ECLI:NL:PHR:1999:AD3053
zijn van de failliete boedel: het is nl. geen vermogensrecht als bedoeld in art. 3:6 BW (vgl. art. 20 Fw). 4.1.5.4. Daar staat tegenover dat de aandelen van dochtervennootschappen vaak belangrijke
- BelastingrechtVennootschapsbelasting. Art. 15 Wet Vpb 1969. Aankoopkosten van bij verwerving gevoegde dochtervennootschap…
Parket bij de Hoge Raad|29 april 2011|ECLI:NL:PHR:2011:BP3879
Vennootschapsbelasting. Art. 15 Wet Vpb 1969. Aankoopkosten van bij verwerving gevoegde dochtervennootschap niet aftrekbaar.
- BelastingrechtHet geschil in cassatie betreft de vraag of de herinvesteringsreserve (hierna: HIR) in het jaar 2005 in de…
Parket bij de Hoge Raad|16 december 2016|ECLI:NL:PHR:2016:1349
Het geschil in cassatie betreft de vraag of de herinvesteringsreserve (hierna: HIR) in het jaar 2005 in de belastbare winst moet worden opgenomen. Belanghebbende dreef samen met haar echtgenoot in maatschapsverband een melkveehouderij in [Q] (Nederland). Op 2 mei 2005 zijn belanghebbende en haar echtgenoot naar [Z]…
- BelastingrechtHet geschil in cassatie betreft de vraag of de herinvesteringsreserve (hierna: HIR) in het jaar 2005 in de…
Parket bij de Hoge Raad|16 december 2016|ECLI:NL:PHR:2016:1347
Het geschil in cassatie betreft de vraag of de herinvesteringsreserve (hierna: HIR) in het jaar 2005 in de belastbare winst moet worden opgenomen. Belanghebbende dreef samen met zijn echtgenote in maatschapsverband een melkveehouderij in [Q] (Nederland). Op 2 mei 2005 zijn belanghebbende en zijn echtgenote naar [Z]…
Zoektips
Een ECLI (ook kort, zoals HR:2020:2020), LJN of vindplaats (NJ 2019/123) opent direct de uitspraak. Gebruik aanhalingstekens voor een exacte woordgroep (“ontslag op staande voet”), OR voor alternatieven (huur OR pacht), een sterretje voor woorddelen (huur* vindt ook huurder) en een minteken om een woord uit te sluiten.