4 uitspraken gevonden
Sorteer op: Relevantie
- BelastingrechtConclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad|28 april 1999|ECLI:NL:PHR:1999:AA2743
Wet OB 1968 is 'ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent' (art. 7, lid 1 Wet OB 1968). 3.2. Het begrip 'ondernemer' is qua inhoud gelijk aan het begrip 'belastingplichtige' als bedoeld … voor de vrijstelling van art. 11 Wet OB 1998: in art. 4, lid 1 Wet OB 1968 worden immers alleen de diensten, die tegen vergoeding worden verricht, onder de BTW gebracht. Aangezien
- BelastingrechtConclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad|17 maart 1999|ECLI:NL:PHR:1999:AA2706
uitzondering van de artikelen 109 en 110, van overeenkomstige toepassing (...)." Art. 22, lid 1, Wet OB 1968, tekst tot 1 juni 1996, bevatte een zelfde voorschrift voor de heffing van omzetbelasting
- BelastingrechtConclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad|15 december 1999|ECLI:NL:PHR:1999:AA4066
wonende ondernemer moet dat verzoek in beginsel in zijn aangifte doen (art. 33, lid 1 Wet OB 1968), maar hij kan het ook later doen, bij voorbeeld in zijn bezwaarschrift tegen hetgeen
- BelastingrechtConclusie · Parket bij de Hoge Raad · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad|14 april 1999|ECLI:NL:PHR:1999:AA2727
zuivere houdstervennootschap, hoewel zelf geen ondernemer in de zin van art. 7, lid 1 Wet OB 1968, samen met andere (dochter-) vennootschappen van hetzelfde concern tot een fiscale eenheid zou kunnen behoren
Zoektips
Een ECLI (ook kort, zoals HR:2020:2020), LJN of vindplaats (NJ 2019/123) opent direct de uitspraak. Gebruik aanhalingstekens voor een exacte woordgroep (“ontslag op staande voet”), OR voor alternatieven (huur OR pacht), een sterretje voor woorddelen (huur* vindt ook huurder) en een minteken om een woord uit te sluiten.