5 juni 2014
Vijf vragen over uitlevering: van 'Bonnie & Clyde' tot de Heineken-ontvoerders
Vorige week werden de 'Nederlandse Bonnie & Clyde', die verdacht worden van geweldsmisdrijven in de grensstreek, uitgeleverd door Duitsland. Hoe gaat de uitlevering van verdachten tussen landen in zijn werk: binnen en buiten Europa? Waarom duurt dit vaak maanden? Vijf vragen en antwoorden. Met een reactie van hoogleraar Internationaal strafrecht en advocaat Geert-Jan Knoops. En de bekende case van de Heineken-ontvoerders.
Heineken-ontvoerders Holleeder (l) en Van Hout in Frankrijk
De man en vrouw die verdacht worden van ernstige geweldsmisdrijven in de grensstreek, bekend als de 'Nederlandse Bonnie & Clyde', zijn na drie maanden door Duitsland uitgeleverd. Hoe gaat zo'n uitlevering in zijn werk?Als een verdachte wordt gesignaleerd of gearresteerd in een ander land, doet het land waar het strafbare feit gepleegd is een verzoek tot uitlevering. Binnen Europa heet dat sinds 2002 ‘overlevering’. Dat verzoek wordt behandeld door de officier van justitie in het land waar de verdachte zich bevindt, en beoordeeld door een rechter ter plaatse. Het overleveringsverzoek voor de ‘Nederlandse Bonnie & Clyde’ werd daarom getoetst door een Duitse rechter. Gaat het om Duitse verdachten in Nederland, dan oordeelt de Nederlandse rechter. Die rechter onderzoekt niet het misdrijf zelf, maar kijkt alleen of voldaan wordt aan de voorwaarden voor overlevering. In Nederland gebeurt dit altijd door een gespecialiseerde kamer van de Amsterdamse rechtbank. Gaat het om niet EU-landen, dan kijkt de rechter of er tussen beide landen een uitleveringsverdrag is. Zo niet, dan is uitlevering niet mogelijk. Ook onderzoekt de rechter of het misdrijf in beide landen strafbaar is: dat is vaak een voorwaarde voor uitlevering. Deze voorwaarden verschillen per uitleveringsverdrag en dus per land. Het maakt dus veel verschil of het gaat om een land binnen de Europese Unie of niet.
Het duurt enige tijd voordat een rechter op zorgvuldige wijze kan vaststellen of aan alle voorwaarden voor uitlevering is voldaan. Bij uitlevering kan de verdachte alleen in cassatie gaan bij het hoogste rechtscollege. Bij 'overlevering' vanuit Nederland is er geen enkele beroepsmogelijkheid. Als uitlevering via een uitgebreide procedure gebeurt, duurt een uitlevering al snel acht maanden of meer. Bij overlevering tussen twee landen van de Europese Unie duurt de procedure vaak beduidend minder lang. Binnen de EU is in 2004 besloten dat uitleveringsprocedures veel sneller moeten worden afgewikkeld. Vandaar dat toen is gekozen voor een nieuwe vorm: de overlevering. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een lijst met misdrijven waarbij uitlevering relatief snel kan plaatsvinden. De procedure zelf duurt hierdoor in principe twee maanden, en maximaal drie maanden. De uitlevering van de 'Nederlandse Bonnie & Clyde' duurde drie maanden omdat het duo alle beroepsmogelijkheden in Duitsland benutte. Dat hangt af van het specifieke uitleveringsverdrag tussen de betrokken landen. Bij uitlevering naar Nederland vanuit bijvoorbeeld de Verenigde Staten heeft een verdachte relatief veel rechten. Zo hanteren de VS een hoge 'bewijsstandaard': het bewijs tegen de verdachte moet aannemelijk zijn. Verdachten hebben altijd recht op een advocaat en kunnen vaak in beroep gaan tegen een beslissing tot uitlevering. Deze beroepsmogelijkheden tegen een uitlevering zijn volgens in het ene land ruimer dan in het andere land. Dat geldt ook voor de voorwaarden waaraan de uitlevering moet voldoen. Een bekend voorbeeld is de uitlevering van drie Heineken-ontvoerders aan Nederland door Frankrijk in 1986. Die werd sterk bemoeilijkt doordat het verouderde uitleveringsverdrag tussen beide landen geen melding maakte van de delicten 'vrijheidsberoving' en 'afpersing'. Toen de Franse rechter toch tot uitlevering besloot, gingen de ontvoerders twee keer in beroep en kregen zij gelijk van de hoogste rechter. Na een zwerftocht over diverse Caraïbische eilanden werden de ontvoerders uitgeleverd nadat het verdrag was aangepast. Dit soort tijdrovende procedures wil de Europese Unie tegengaan met het nieuwe systeem van overlevering. Sindsdien staan snelheid en uniformiteit voorop. Volgens hoogleraar Internationaal strafrecht Geert-Jan Knoops, die als advocaat veel uitleveringszaken behandelt, is in Europa de balans te veel doorgeschoten naar snelheid, efficiency en rechtseenheid. "Dit gaat regelmatig ten koste van de rechtsbescherming van de verdachte. Recent deed de Poolse justitie het verzoek aan Nederland om een Poolse cliënt van mijn kantoor uit te leveren, omdat hij verdacht werd van omkoping. Het ging om een fles alcohol ter waarde van 25 euro waarmee hij als gedetineerde in een Poolse gevangenis een bewaarder zou hebben omgekocht. De bewijslast was onduidelijk en mijn cliënt kreeg uiteindelijk een geheel voorwaardelijke straf. Maar in de tussentijd werd hij wel vastgezet, uitgeleverd en raakte zijn baan in Nederland kwijt." Knoops begrijpt dat de EU stappen heeft genomen om de uitleveringsprocedure korter en meer uniform te maken. "Acht maanden is wel heel lang. Het is een lastig dilemma: de balans tussen rechtsbescherming en een efficiënte Europese aanpak. Maar ik vind de trend om alles te versnellen te veel doorslaan." Geert-Jan Knoops denkt dat het goed is wanneer de rechter die het uitleveringsverzoek toetst, meer ruimte krijgt om per zaak af te wegen of dit verzoek gerechtvaardigd is. Een belangrijk criterium waar de rechter volgens Knoops over zou moeten beslissen is de proportionaliteit: staat het misdrijf waar iemand van verdacht wordt in verhouding tot uitlevering naar een ander land? "Dan was mijn Poolse cliënt waarschijnlijk niet uitgeleverd aan Polen, omdat het ging om een bedrag van slechts 25 euro. Nu mocht de Nederlandse overleveringsrechter niet toetsen aan proportionaliteit. Deze rechter zou meer manoeuvreerruimte moeten krijgen." Waarom duurt het vaak maanden voordat een verdachte wordt uitgeleverd aan Nederland?
Bron: rechtspraak.nl (de oorspronkelijke pagina is niet meer online)