Strafrecht overig

Vrijspraak van het medeplegen van opzettelijk de administratie van de medeverdachte bedrijf niet naar…

Rechtbank Overijssel, 26 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
84-089445-22 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6448
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van het medeplegen van opzettelijk de administratie van de medeverdachte bedrijf niet naar waarheid heeft bijgehouden, vier vervoersbewijzen dierlijke meststoffen valselijk heeft opgemaakt of vervalst en de door het bevoegde gezag aangebrachte zegels van een groot aantal met meststoffen gevulde sealbags heeft verbroken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-089445-22 (P)

Datum vonnis: 26 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 april 2023, 23 januari 2024, 18 juni 2024, 14 september 2026 en 26 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met [medeverdachte bedrijf] B.V. opzettelijk de administratie van deze onderneming niet naar waarheid heeft bijgehouden;

feit 2: in de periode van 15 juli 2017 tot en met 28 december 2017 samen met anderen of alleen opzettelijk vier vervoersbewijzen dierlijke meststoffen valselijk heeft opgemaakt of vervalst;

feit 3: in de periode van 3 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk de door het bevoegde gezag aangebrachte zegels van een groot aantal met meststoffen gevulde sealbags heeft verbroken (primair), dan wel ten aanzien van 22 sealbags (subsidiair).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en

met 14 augustus 2018 te Haaksbergen en/of Gramsbergen en/of te Bergentheim,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte bedrijf] B.V., zijnde deze

een rechtspersoon die dierlijke meststoffen verhandelde in de zin van artikel 1 lid 1

aanhef en onder e van de Meststoffenwet en/of met (een) ander(en),

opzettelijk,

niet steeds kon verantwoorden dat de op de eigen onderneming van [medeverdachte bedrijf]

B.V. aangevoerde dierlijke meststoffen waren afgevoerd,

immers werd haar administratie niet naar waarheid bijgehouden (artikel 39 lid 1 en

4 jo. artikel 41 lid 1 Uitvoeringsbesluit meststoffenwet);

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juli 2017 tot en met

28 december 2017 te Brucht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zes, althans een aantal vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, te weten die

- van 15 juli 2017 met nummer [nummer 1] (chauffeur [verdachte], DOC-03650,

proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3521), en

- van 15 juli 2017 met nummer [nummer 2] (chauffeur [verdachte], DOC-05181,

proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3573), en

- van 13 oktober 2017 met nummer [nummer 3] (chauffeur [verdachte], DOC-03774,

proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3531), en

- van 13 oktober 2017 met nummer [nummer 4] (chauffeur [verdachte], DOC-05262,

proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3581),

zijnde deze vervoersbewijzen telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, telkens met het oogmerk om deze als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

bestaande deze valsheid en/of vervalsing hierin dat

- in het vervoersbewijs van 15 juli 2017 met nummer [nummer 1] in strijd met de

waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘[bedrijf 1]’ en/of onder postcode losplaats

was ingevuld ‘[adres 2]’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats]) en/of onder tijdstip lossen

was ingevuld ’12:30’, en

- in het vervoersbewijs van 15 juli 2017 met nummer [nummer 2] in strijd met de

waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘[bedrijf 1]’ en/of onder postcode

laadplaats was ingevuld ‘[adres 2]’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats]) en/of onder

tijdstip laden was ingevuld ’12:40’, en

- in het vervoersbewijs van 13 oktober 2017 met nummer [nummer 3] in strijd met

de waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘[bedrijf 1]’ en/of onder postcode

losplaats was ingevuld ‘[adres 3]’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats]) en/of onder tijdstip

lossen was ingevuld ’9:40’, en

- in het vervoersbewijs van 13 oktober 2017 met nummer [nummer 4] in strijd met

de waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘[bedrijf 1]’ en/of onder postcode

laadplaats was ingevuld ‘[adres 3]’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats]) en/of onder

tijdstip laden was ingevuld ‘9:50’;

3

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 januari 2017 tot en

met 14 augustus 2018 te Bergentheim en/of te Haaksbergen en/of te Gramsbergen,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk

een groot aantal zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd gezag

verzegeld waren,

te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA

sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid

1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig

waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden

geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets

toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,

heeft verbroken en/of opgeheven en/of beschadigd,

door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,

in elk geval,

opzettelijk een groot aantal afsluitingen die werden bewerkt door zegels waarmede

voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld waren,

te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA

sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid

1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig

waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden

geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets

toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,

heeft verijdeld,

door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 16 augustus 2018 te Haaksbergen en/of te

Bergentheim, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar

gezag verzegeld waren,

te weten de met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags met de nummers

[nummer 5], [nummer 6], [nummer 7], [nummer 8],

[nummer 9], [nummer 10], [nummer 11], [nummer 12],

[nummer 13], [nummer 14], [nummer 15], [nummer 16], [nummer 17],

[nummer 18], [nummer 19], [nummer 20], [nummer 21], [nummer 22],

[nummer 23], [nummer 24], [nummer 25] en [nummer 26]

(DOC-00732, proces-verbaal p. 375-386, 1856-1882, 2443-2459 en 2478-2501),

zijnde deze VMA sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als

bedoeld in artikel 79 lid 1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling

Meststoffenwet, die zodanig waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare

beschadiging konden worden geopend en/of aan de inhoud ervan zonder

herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon

worden,

heeft verbroken en/of opgeheven en/of beschadigd,

door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,

in elk geval

opzettelijk de afsluitingen die werden bewerkt door zegels waarmede voorwerpen

door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld waren,

te weten de met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags met de nummers

[nummer 5], [nummer 6], [nummer 7], [nummer 8],

[nummer 9], [nummer 10], [nummer 11], [nummer 12],

[nummer 13], [nummer 14], [nummer 15], [nummer 16], [nummer 17],

[nummer 18], [nummer 19], [nummer 20], [nummer 21], [nummer 22],

[nummer 23], [nummer 24], [nummer 25] en [nummer 26]

(DOC-00732, proces-verbaal p. 375-386, 1856-1882, 2443-2459 en 2478-2501),

zijnde deze VMA sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als

bedoeld in artikel 79 lid 1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling

Meststoffenwet, die zodanig waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare

beschadiging konden worden geopend en/of aan de inhoud ervan zonder

herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon

worden,

heeft verijdeld,

door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 25 februari 2018 zag een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (verder: NVWA) in het digitale dossier met betrekking tot zogenoemde AGR/GPS-meldingen dat in de maand februari 2018 door verschillende tankopleggers die geregistreerd stonden bij de intermediair [medeverdachte bedrijf] B.V. (verder: [medeverdachte bedrijf] B.V.) meermalen binnen een zeer kort tijdsbestek – variërend van drie tot negentien minuten – los- en laadmeldingen waren gedaan bij een mestbassin gelegen aan de [adres 4]. De korte tijdspanne tussen het lossen en het vervolgens laden van dierlijke meststoffen riep bij de toezichthouder het vermoeden op dat deze handelingen in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden, dat wil zeggen dat het zou gaan om zogenoemde “klik-klakmeldingen”, waarbij een laadmelding kort na een losmelding volgt, zonder dat daadwerkelijk een lossing en belading had kunnen plaatsvinden.

Dit vermoeden leek bevestiging te vinden in de bevindingen van twee toezichthouders van de NVWA bij een bezoek op 26 februari 2018 aan het betreffende mestbassin, dat bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (verder: RVO) geregistreerd stond op naam van het bedrijf [bedrijf 1] BV. Zij troffen een vrachtwagencombinatie aan die in gebruik was bij [medeverdachte bedrijf] BV en die een los- en laadmelding had gedaan, terwijl er zichtbaar geen vulslang aan de vrachtwagen was bevestigd.

Gelet op deze bevindingen werd het digitale dossier met betrekking tot de door [medeverdachte bedrijf] B.V. verrichte AGR/GPS-meldingen nader onderzocht. Daaruit kwam een groot aantal andere mogelijke “klik-klakvrachten” naar voren. Tijdens het verdere onderzoek ontstond daarnaast het vermoeden dat de automatisch gegenereerde mestmonsters handmatig werden gemanipuleerd voordat deze voor monsteronderzoek werden verzonden naar een erkend laboratorium. Naar aanleiding hiervan is het strafrechtelijk onderzoek “Glassnijder” gestart.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 2 laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de veronderstelling dat tussen een los- en laadmelding minimaal vier minuten en 31 seconden moet zijn verstreken, niet houdbaar is. Deze tijd is immers gebaseerd op aannames over de technische instellingen van het AGR/GPS-systeem, terwijl uit het dossier volgt dat deze instellingen kunnen variëren. Aan het enkele tijdsverloop tussen de los- en laadmelding kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat sprake is geweest van fictieve los- en laadmeldingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat de meststoffen daadwerkelijk zijn gelost en geladen, kan evenmin worden vastgesteld dat de daarop betrekking hebbende VDM’s valselijk zijn opgemaakt.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heet de raadsman primair aangevoerd dat de VMA-sealbags geen door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte zegels zijn als bedoeld in artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de mestmonsters heeft gemanipuleerd. Het bewijs daarvoor berust uitsluitend op een eerdere verklaring van verdachte. Verdachte is op een later moment op die verklaring teruggekomen en heeft vervolgens anders verklaard.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de in de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. opgenomen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) vals zijn, kan evenmin worden vastgesteld dat [medeverdachte bedrijf] B.V. haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. Ook ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman derhalve vrijspraak bepleit.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Wettelijk kader en regelgeving

Ingevolge de Meststoffenwet rust op een veehouder die meer dierlijke meststoffen produceert dan hij op zijn bedrijf voor bemesting mag gebruiken, de verplichting om het bedrijfsoverschot te laten verwerken. Aan deze verwerkingsverplichting kan onder meer worden voldaan door de dierlijke meststoffen door een intermediaire onderneming te laten afvoeren. Een intermediaire onderneming is een onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt. Een intermediaire onderneming dient afzonderlijk te zijn geregistreerd bij de RVO. Indien de dierlijke meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, komt de verantwoordelijkheid voor de verdere verwerking en de verantwoording van de afgevoerde meststoffen bij de intermediair te liggen.

Het vervoer van dierlijke meststoffen wordt geregistreerd door middel van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Wanneer de meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, wordt dit op het VDM onder meer door middel van “opmerkingscode 61” kenbaar gemaakt. De intermediair is in dat geval gehouden de gegevens die betrekking hebben op de vracht dierlijke meststoffen (elektronisch) in te dienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze gegevens worden bij de RVO geregistreerd.

De voertuigen waarmee dierlijke meststoffen worden vervoerd, dienen te zijn uitgerust met AGR/GPS-apparatuur en bemonsterings- en verpakkingsapparatuur. De vervoerder, doorgaans de chauffeur, draagt ervoor zorg dat op het tijdstip van lossen en laden van een vracht dierlijke mest de door de AGR/GPS-apparatuur gegenereerde gegevens inzake de laad- of loslocatie, de datum en het tijdstip van het lossen of laden van het transportmiddel, automatisch worden vastgelegd en elektronisch aan de RVO worden verzonden. De mestmonsters worden automatisch genomen bij het laden van een vracht dierlijke mest in een tankwagen. Deze mestmonsters zijn automatisch verpakt en de met mest gevulde monsterverpakkingen zijn automatisch gesloten door het op de vervoermiddelen aanwezige verpakkingsapparatuur. De mestmonsters zijn verpakt in monsterverpakkingen van VMA en worden aangeduid als “VMA-sealzakken” of “VMA-sealbags”. Ingevolge de Meststoffenwet dienen de mestmonsters te worden verzonden naar een erkend laboratorium alwaar het stikstof- en fosfaatgehalte wordt vastgesteld. De monsteruitslagen zijn vervolgens van belang voor de verantwoordingsplicht met betrekking tot de verwerkte hoeveelheden stikstof en fosfaat.

4.4.2

Overwegingen van de rechtbank

Voor de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dat betekent dat de rechtbank eerst de feiten 2 en 3 zal bespreken en vervolgens, als laatste, feit 1.

4.4.2.1 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Aan verdachte is onder dit feit, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van vier vervoersbewijzen dierlijke meststoffen met betrekking tot de los- en laadmelding op 15 juli 2017 en 13 oktober 2017.

De rechtbank stelt voorop dat de verdenking ten aanzien van deze VDM’s uitsluitend is gebaseerd op het – volgens de NVWA – zeer korte tijdsbestek tussen de geregistreerde los- en laadmeldingen. De NVWA heeft in geen van deze gevallen eigen waarnemingen gedaan. De NVWA heeft aan de hand van de technische eigenschappen en instellingen van de door [naam 1] gebruikte AGR/GPS-apparatuur, een berekening heeft gemaakt van de tijd die minimaal nodig zou zijn tussen het genereren van een losmelding van de ene vracht en de laadmelding van een direct daarop op dezelfde locatie geladen vracht dierlijke meststoffen. Daarbij is uitgegaan van een tankoplegger met een inhoud van ongeveer 37m3, een pompcapaciteit van ongeveer 4,5m3 per minuut en systeeminstellingen waarbij een losmelding werd gegenereerd wanneer de tank voor ongeveer zestig procent was geleegd en een laadmelding wanneer de tank voor ongeveer vijftien procent was gevuld. Op basis hiervan heeft de NVWA berekend dat tussen een los- en een daaropvolgende laadmeldingen minimaal vier minuten en 31 seconden moet zijn verstreken.

De in de tenlastelegging opgenomen VDM’s zijn geselecteerd omdat het tijdsverloop tussen de los- en laadmelding telkens minder dan die vier minuten en 31 seconden bedraagt. Aan de verdenking dat de betreffende VDM’s valselijk zijn opgemaakt ligt daarmee in de kern de aanname ten grondslag dat het technisch niet mogelijk is om binnen een korter tijdsbestek dan vier minuten en 31 seconden een los- en een daaropvolgende laadmelding ter zake van een daadwerkelijke volledige lossing onderscheidenlijk direct aansluitende belading te genereren. Daarnaast is aan de hand van de tachograafgegevens onderzocht hoe lang de vrachtwagencombinatie op de desbetreffende locaties heeft stilgestaan. Ook die gegevens zouden erop wijzen dat de vrachtwagencombinatie niet lang genoeg heeft stilgestaan om die combinatie daadwerkelijk volledig te lossen en aansluitend volledig te laden.

[naam 2], directeur van het bedrijf [bedrijf 2], heeft verklaard dat de door hen geleverde AGR/GPS-apparatuur over verschillende technische instellingen beschikt die van invloed kunnen zijn op het moment waarop het systeem een los- of laadmelding genereerd. Volgens [naam 2] kunnen deze instellingen, onder meer in verband met storingen of andere technische omstandigheden, op verzoek van derden door medewerkers worden gewijzigd. Het is daarmee mogelijk de drukinstellingen van het systeem aan te passen waardoor een los- of laadmelding bij een andere vullingsgraad van de tank wordt gegenereerd dan waarvan de NVWA bij haar berekening is uitgegaan. De omstandigheid dat een losmelding bij een vullingsgraad van zestig procent en een laadmelding bij een vullingsgraad van vijftien procent, is derhalve geen vaststaand gegeven. Ook het door het NFI verrichte onderzoek naar de werking van het AGR/GPS-systeem toont aan dat de door het systeem berekende vullingsgraad en gewicht kunnen afwijken van de daadwerkelijke aanwezige hoeveelheid mest. Het NFI heeft uiteindelijk geconcludeerd dat uit het enkele tijdsverloop tussen een los- en een daaropvolgende laadmelding niet met zekerheid kan worden afgeleid of daadwerkelijk meststoffen zijn gelost en geladen, dan wel dat een fictieve melding is gegenereerd.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het NFI, al helemaal niet nu deze ondersteuning vinden in de verklaring van de leverancier van de gebruikte apparatuur. Hoewel er zeker vraagtekens gesteld kunnen worden bij de los- en laadmeldingen die elkaar in een zeer kort tijdsbestek opvolgen, betekent het enkele feit dat bij de in de tenlastelegging opgenomen VDM’s sprake is geweest van transporten waarbij minder dan 4 minuten en eenendertig seconden een los- en laadmelding is gegenereerd, dus nog niet dat in elk van die gevallen per definitie sprake is geweest van fictieve meldingen of (daarmee) van vals opgemaakte VDM’s.

De omstandigheid dat uit de tachograafgegevens zou volgen dat de betreffende vrachtwagencombinaties op de desbetreffende locaties niet lang genoeg hebben stilgestaan om een vracht volledig te lossen en vervolgens te laden, zoals de officier van justitie heeft betoogd, maakt dit oordeel niet anders. Uit de tachograafgegevens kan immers slechts de duur van de stilstand van het voertuig worden afgeleid. Daaruit volgt niet welke handelingen gedurende die stilstand wel of niet hebben plaatsgevonden. Ook hieruit kan dan ook niet met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de op de VDM’s vermelde los- en laadhandelingen niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Aan verdachte wordt onder 3 primair, kort gezegd, verweten dat hij (een groot aantal) door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte zegels, te weten VMA-sealbags, heeft verbroken door deze open te knippen.

Op grond van het dossier bestaan er sterke aanwijzingen dat mestmonsters zijn bewerkt voordat deze ter analyse aan [bedrijf 3] werden aangeboden. Bij een groot aantal onderzochte mestmonsters zijn immers afwijkingen vastgesteld tussen de gehalten aan fosfaat en stikstof. Daarnaast zijn bij verschillende VMA-sealbags bijzonderheden aan de afsluiting vastgesteld die passen bij het openen en vervolgens opnieuw sluiten van de zakken. Daarnaast is op het erf van medeverdachte [verdachte] een ruimte aangetroffen die als ‘mestwerkplaats’ of ‘mestlaboratorium’ kon worden gebruikt. Aldaar zijn een VMA-sealapparaat, mestmonsters en verschillende voorwerpen en stoffen voor het bewerken van mestmonsters aangetroffen, zoals bijvoorbeeld emmers met meststoffen, aantekeningen omtrent de samenstelling daarvan, die mogelijk gebruikt konden worden voor de aanpassing van mestmonsters.


De voorliggende (juridische) vraag is echter of met het openknippen van de VMA-sealbags een verzegeling is verbroken die door of vanwege het bevoegd gezag is aangebracht, zoals bedoeld in het hier tenlastegelegde artikel 199 Wetboek van Strafrecht (Sr).

De Meststoffenwet schrijft voor dat de verpakking van een mestmonster zodanig moet worden gesloten dat deze niet kan worden geopend zonder dat dit leidt tot een herkenbare beschadiging en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets kan worden toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd. Het sluiten van de monsterverpakking is daarmee een handeling die de intermediair zelf, op grond van een wettelijke verplichting, moet verrichten. De VMA-sealbag wordt dus niet door of vanwege het bevoegd gezag verzegeld. Het is de intermediair dat de monsterverpakking overeenkomstig het wettelijk voorschrift afsluit voordat deze ter analyse wordt ingezonden. Dat deze wijze van afsluiten rechtstreeks voortvloeit uit de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, maakt niet dat de aldus aangebrachte afsluiting kan worden aangemerkt als een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling. Het enkele feit dat de wetgever de wijze voorschrijft waaraan een verpakking van een mestmonster moet voldoen, is daarvoor onvoldoende. Het wettelijk voorschrift verplicht de intermediair tot het zelf aanbrengen van de afsluiting. Het bevoegd gezag brengt daarmee niet zelf, ook niet door tussenkomst van een ander namens hem, een zegel aan. Hoewel de hiervoor besproken feiten en omstandigheden sterke aanwijzingen opleveren dat mestmonsters zijn gemanipuleerd en dat medeverdachte [medeverdachte bedrijf] en verdachte daarbij betrokken zijn geweest, kan niet worden bewezen dat daarbij een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling is verbroken door het openknippen van een VMA-sealbag. Nu dit bestanddeel niet kan worden bewezen, spreekt de rechtbank verdachte daarom ook vrij van het onder 3 ten laste gelegde.

4.4.2.3 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in strijd met de Meststoffenwet de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. Daaraan ligt ten grondslag dat [medeverdachte bedrijf] B.V. VDM’s in haar administratie zou hebben opgenomen die geen juiste weergave vormden van de daadwerkelijk verrichte mesttransporten. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat de in de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. opgenomen VDM’s valselijk zijn opgemaakt dan wel een onjuiste weergave van de werkelijkheid bevatten. Daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat [medeverdachte bedrijf] B.V. door het opnemen van deze VDM’s in haar administratie haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. Daar komt bij dat uit het dossier niet blijkt van enig concrete betrokkenheid van verdachte bij het voeren van de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van het onder 1 ten laste gelegde.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van feit 2 heeft overwogen, volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de daarin betrokken VDM’s valselijk zijn opgemaakt dan wel een onjuiste weergave van de werkelijkheid bevatten. Daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat [medeverdachte bedrijf] B.V. door het opnemen van deze VDM’s in haar administratie haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het onder 1 ten laste gelegde.

4.4.2.4 Conclusie

De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

5 De in beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de op beslaglijst vermelde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 14 vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn blijkens de omstandigheden waaronder zij zijn aangetroffen en het gebruik waarvoor zij kennelijk waren bestemd, gebruikt bij het manipuleren van mestmonsters. Het ongecontroleerde bezit daarvan zou in strijd zijn met de wet of met het algemeen belang.

6 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 14;

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.