Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden. De verdachte is schuldig…

Rechtbank Overijssel, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
08.116565.24 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6473
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

De verdachte is schuldig bevonden aan het medeplegen van opzettelijk handelen in harddrugs en medeplegen van uitlokking van medeplegen van witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.116565.24 (P)

Datum vonnis: 27 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [woonplaats]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september 2026 en 27 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Zech, advocaat in Zoetermeer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met (een) ander(en):

feit 1: in de periode van 28 maart 2022 tot en met 3 februari 2024 opzettelijk in cocaïne, MDMA en 3-MMC heeft gehandeld;

feit 2: de periode van 10 november 2023 tot en met 21 februari 2024 heeft uitgelokt dat

[betrokkene] een bedrag van € 129.070,00 via haar bankrekening heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks de periode 28 maart 2023 tot en met 3 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland en/of Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC en/of

zijnde cocaïne en/of MDMA en/of 3-MMC,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

[betrokkene] op/in omstreeks de periode van 10 november 2023 tot en met 21 februari 2024, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen (van) een of meer (grote) geldbedragen tot een bedrag van 129.070 euro, althans

enig geldbedrag,

(sub a)

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, danwel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) door haar bankrekening(en) en/of pinpas ter beschikking te stellen en/of betalingen gelieerd aan de [groep] te ontvangen en/of deze betalingen contant te pinnen en de bedragen af te geven en/of

meermalen (van) een of meer (grote) geldbedragen tot een bedrag van 129.070 euro, althans

enig geldbedrag,

(sub b)

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt,

door haar bankrekening(en) ter beschikking te stellen en/of betalingen gelieerd aan de [groep] op haar bankrekening(en) te ontvangen en/of deze betalingen contant te pinnen terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf welk strafbare feit hij, verdachte, op/in of omstreeks de periode van 10 november 2023 tot en met 21 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij, verdachte,

- instructies gegeven aan [betrokkene] met betrekking tot het moment en/of de hoogte van

de te pinnen geldbedragen en/of het afgeven van die contante geldbedragen en/of - instructies gegeven aan [betrokkene] met betrekking tot het overboeken van geldbedragen op haar bankrekening(en) en/of

- toegezegd dat [betrokkene] drugs en/of een geldbedrag krijgt en/of haar een beloning in het vooruitzicht gesteld en/of haar een aantal keren bedragen van 400 euro uitgekeerd en/of laten uitkeren.

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegd requisitoir, op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van feit 2 moet worden vrijgesproken van de periode van 4 februari 2024 tot en met 21 februari 2024 omdat hij toen in detentie zat.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

- het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2024, nummer 366 (pagina's 3200 tot en met 3203) over de bankrekening van verdachte [rekeningnummer];

- het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2024, nummer 6 (pagina’s 1048 tot en met 1149) over het eerste onderzoek Apple iPhone 14 Pro Max 6 van verdachte;

- het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2024, nummer 476 (pagina’s 1157 tot en met 1285) over het eerste onderzoek Apple iPhone 12 Pro van verdachte;

- het proces-verbaal van bevindingen van 12 juni 2024, nummer 208 (pagina's 1287 tot en met 1320) over het onderzoek [naam], subdealer [groep].

- het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2024, nummer 281 (pagina’s 1321 tot en met 1541) over tweede onderzoek Apple iPhone 12 Pro van verdachte;

- het proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, nummer 718 (pagina's 1642 tot en met 1644) over de gebruikers- en bijnaam verdachte.

Feit 2:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

- het proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2025, nummer 712 (pagina's 1738 tot en met 1741) over onderzoek naar gebruikte bankrekeningen ten behoeve van de “[groep]” met daaraan gekoppeld het telefoonnummer: [telefoonnummer];

- het proces-verbaal van verdachte [betrokkene] van 3 februari 2025, nummer 664 (pagina's 598 tot en met 607);

- het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2024, nummer 476 (pagina’s 1157 tot en met 1285) over het eerste onderzoek Apple iPhone 12 Pro van verdachte.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij de periode 28 maart 2023 tot en met 3 februari 2024 in Nederland en Turkije, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd,

een grote hoeveelheid cocaïne, een grote hoeveelheid MDMA, een grote hoeveelheid 3-MMC

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

[betrokkene] in de periode van 10 november 2023 tot en met 21 februari 2024, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander meermalen (grote) geldbedragen tot een bedrag van 129.070 euro,

(sub a)

- de werkelijke aard, de herkomst heeft verborgen en/of heeft verhuld, danwel

- heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren, en

(sub b)

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, en

- gebruik heeft gemaakt,

door haar bankrekening ter beschikking te stellen en betalingen gelieerd aan de [groep] op haar bankrekening te ontvangen en deze betalingen contant te pinnen terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die geldbedragen onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf welk strafbare feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 10 november 2023 tot en met 21 februari 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, heeft uitgelokt door giften en beloften, immers heeft hij, verdachte,

- instructies gegeven aan [betrokkene] met betrekking tot het moment en de hoogte van

de te pinnen geldbedragen en het afgeven van die contante geldbedragen en

- instructies gegeven aan [betrokkene] met betrekking tot het overboeken van geldbedragen op haar bankrekening en

- toegezegd dat [betrokkene] drugs en een geldbedrag krijgt en haar een beloning in het vooruitzicht gesteld en haar een aantal keren bedragen van 400 euro uitgekeerd of laten uitkeren.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van uitlokking van medeplegen van witwassen.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daarbij de oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie een geldboete van € 10.000,00 gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De raadsvrouw heeft verzocht hierbij rekening te houden met de positieve proceshouding van verdachte. Hij heeft vanaf het begin uitgebreid verklaard. Verder werd hij onder druk gezet om deze feiten te plegen. Hij is bedreigd, mishandeld en is op gewelddadige wijze ontvoerd geweest. Het betreffen ook oudere feiten en artikel 63 Sr is van toepassing. Verder is verdachte sinds zijn detentie niet meer in aanraking geweest met de politie voor soortgelijke feiten.

Een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden is een mogelijkheid. Verdachte staat welwillend tegenover hulp van de reclassering. Gelet op zijn beperkte verstandelijke vermogens kan verdachte deze hulp goed gebruiken, zodat voorkomen wordt dat hij dit soort feiten in de toekomst opnieuw pleegt.

De raadsvrouw heeft verzocht geen geldboete op te leggen. Verdachte heeft niets aan de drugshandel verdiend. Hij moest het geld dat hij kreeg gelijk afstaan of het geld werd van hem afgenomen vanwege ‘boetes’.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tien maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan de handel in verschillende soorten harddrugs. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij vonnissen van deze rechtbank van 25 juni 2026 veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. Zij stonden samen aan het hoofd van de [groep], een lijn die zich kenmerkte door op een georganiseerde wijze en op grote schaal vele afnemers van drugs te voorzien.

[medeverdachte 3] beheerde in Turkije de telefoon van de [groep] waarop de bestellingen binnenkwamen en hij stuurde de koeriers in Nederland naar de adressen van klanten.

De [groep] had stelselmatig meerdere koeriers voor zich rijden die dag en nacht op bestelling drugs afleverden. Daarnaast bestond de organisatie uit ‘vullers’ die de koeriers van drugs voorzagen. Voor de ontvangsten van Tikkiebetalingen werden geldezels geronseld, die een bankrekening op naam openden.

Verdachte had als taak om vanuit zijn woning aan de Palestrinalaan 1177, die als opslagplaats voor de drugs werd gebruikt, de koeriers van verdovende middelen te voorzien, die zij op hun beurt bij klanten moesten bezorgen.

Verdachte heeft verder zijn bankrekening ter beschikking gesteld. Hierop heeft verdachte in de periode van 16 juni 2023 tot en met 17 augustus 2023 een bedrag van € 23.916,00 aan Tikkiebetalingen ontvangen.

Daarnaast heeft verdachte [betrokkene] uitgelokt om op haar rekening betalingen voor de aankoop van verdovende middelen te ontvangen. Dit geld ontving verdachte doordat [betrokkene] en haar man het geld contant pinden en het geld aan verdachte afgaven. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het uitlokken van witwassen van een geldbedrag van € 129.070,00.

Hij heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van deze criminaliteit.

De rechtbank acht verdachte met zijn handelen medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen bij gebruikers veroorzaakt. Drugs zijn stoffen die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Ook gaat het dealen van drugs op straat veelal gepaard met overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De handel in verdovende middelen zorgt bovendien voor een vicieuze cirkel van criminaliteit en geweld, wat de stabiliteit van de samenleving ondermijnt.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 31 augustus 2026. Hieruit blijkt dat sprake is van veroordelingen die liggen na de pleegperiode van de onderhavige bewezen verklaarde feiten, waardoor toepassing gegeven dient te worden aan artikel 63 Sr. Het gaat daarbij om de volgende veroordelingen:

- bij vonnis van 21 april 2023 is verdachte door de politierechter in de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 dagen wegens winkeldiefstal.

- bij vonnis van 29 maart 2024 is verdachte door de politierechter in de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

- bij vonnis van 20 januari 2025 is verdachte door de politierechter in de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren en 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk wegens overtredingen van de Opiumwet.

- bij vonnis van 12 maart 2025 is verdachte door de kantonrechter in de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 voor rijden zonder rijbewijs.

Daarnaast staan er veroordelingen ter zake van gewelds, vermogens- en andere feiten op het strafblad van verdachte.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies over verdachte van 16 september 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Om het recidiverisico te verlagen adviseert de reclassering om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met de medeverdachten in deze zaak, dagbesteding, aflossing van schulden en ambulante begeleiding bij Kwintes of een soortgelijke instelling.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zonder meer een gevangenisstraf toekomt. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is noodzakelijk omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden.

Dat verdachte uitgebreid heeft verklaard over zijn eigen rol en zelf ook slachtoffer is geweest van geweld binnen het criminele circuit waarin hij zich (vrijwillig) bevond, vindt de rechtbank van onvoldoende gewicht om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan aan de medeverdachte [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], die naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol aan die van verdachte hebben gehad.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Nu de officier van justitie ter terechtzitting een ontnemingsvordering heeft aangekondigd, ziet de rechtbank geen termen aanwezig om de gevorderde geldboete op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 63 Sr

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2

onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf: medeplegen van uitlokking van medeplegen van witwassen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, districtsrecherche IJsselland, genaamd Beagle/ON1R024011. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.