Strafrecht overig

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een minderjarige jongen heeft uitgelokt tot het veroorzaken van een…

Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
13.290512.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10547
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een minderjarige jongen heeft uitgelokt tot het veroorzaken van een ontploffing bij een woning in Amsterdam op 3 juli 2025. Verdachte heeft bekend. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel is een proeftijd van 2 jaar verbonden en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]verkort vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.290512.25

Datum uitspraak: 27 oktober 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

wonende op het adres [adres] ,

nu gedetineerd in: [verblijfplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door mr. A.S. Apeldoorn namens benadeelde partij [benadeelde] voorgelezen slachtofferverklaring.

2 Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – onder 1 primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van het door [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en/of één of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 3 juli 2025 in Amsterdam bij de woning aan de [adres] teweegbrengen van een ontploffing. Subsidiair is onder 1 het medeplegen van het teweegbrengen van die ontploffing ten laste gelegd.

Onder 2 is verdachte het op of omstreeks 3 juli 2025 in Amsterdam alleen of met een ander of anderen voorhanden hebben van een wapen, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, ten laste gelegd.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsvraag

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde uitlokking door verdachte van het teweegbrengen van een ontploffing door [medeverdachte] bewezen, met uitzondering van het bestanddeel dat er levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was bij de ontploffing.

Ook kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte een geïmproviseerde explosieve constructie voorhanden heeft gehad, zoals onder 2 is ten laste gelegd. Daarbij gaat de officier van justitie ervan uit dat verdachte zelf de geïmproviseerde explosieve constructie heeft overgedragen aan de chauffeur die [medeverdachte] naar de woning heeft gebracht.

4.2

Standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Volgens de raadsman kan het onder 2 ten laste gelegde worden bewezen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat als wordt uitgegaan van de verklaring van verdachte dat hij de geïmproviseerde explosieve constructie niet zelf heeft overgedragen aan de chauffeur die [medeverdachte] naar de woning heeft gebracht, er in ieder geval voldoende bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij het voorhanden hebben van de geïmproviseerde explosieve constructie in de vorm van medeplegen.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde uitlokking door verdachte van het teweegbrengen van een ontploffing door [medeverdachte] , met uitzondering van het bestanddeel dat er levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was bij de ontploffing. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Ontploffing gepleegd door [medeverdachte]

is bij vonnis van 27 maart 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, mede op basis van zijn bekennende verklaring, veroordeeld voor het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank komt op basis van het procesdossier in deze zaak ook tot de vaststelling dat [medeverdachte] de ontploffing teweeg heeft gebracht.

De rechtbank overweegt in navolging van het hiervoor genoemde vonnis, dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier in deze zaak, nog als volgt over het te duchten gevaar bij de ontploffing.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er veel gevaar uitgaat van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brand versnellende vloeistof, waarvan in dit geval sprake is. In algemene zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat het tot ontploffing brengen van een dergelijke vuurwerkbom bij of in een woning, zoals in dit geval aan de orde is, gevaarlijk is voor goederen en mensen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden.

De vraag die moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was zoals bedoeld in artikel 157 van hel Wetboek van Strafrecht. Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Uit het dossier volgt dat de bewoners van de woning waar de ontploffing heeft plaatsgevonden en waar vervolgens brand heeft gewoed, zelf niet thuis waren. Ook is niet gebleken dat zich tijdens de ontploffing mensen op straat of nabij de woning hebben bevonden die door de ontploffing rechtstreeks in gevaar zijn geweest. Er was weliswaar een getuige (de beveiliger) aanwezig, maar deze was ingehuurd om te letten op personen die een dergelijke vuurwerkbom konden plaatsen en zodoende gefocust op verdachte. Niet volgt uit het dossier dat er gevaar heeft bestaan voor deze beveiliger. Uit het dossier volgt wel dat de ontploffing tot een plaatselijke brand heeft geleid. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om (levens)gevaar voor personen te kunnen aannemen. Niet is immers gebleken dat er zich mensen bevonden in de naastgelegen woningen, laat staan dat de brand zich zodanig snel heeft ontwikkeld dat omwonenden zich daardoor niet meer in veiligheid konden stellen. Integendeel, uit de camerabeelden volgt dat de brand snel is ontdekt, waarna de brand kon worden geblust. Uit het dossier is niet gebleken dat de brand verder is gegaan dan de deur van de woning en meer schade heeft opgeleverd dan aan de buitenzijde van de woning.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wel bewezen dat er gemeen gevaar voor de betreffende woning, de daar aanwezige goederen en de naastliggende woningen en panden te duchten was, maar acht de rechtbank het overige ten laste gelegde te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen.

Verdachte is uitlokker

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte de onder 1 primair in de tenlastelegging bij de gedachtestreepjes genoemde feitelijke gedragingen heeft verricht, zoals hierna bewezenverklaard, en is van oordeel dat dit hem tot uitlokker van de door [medeverdachte] gepleegde ontploffing maakt.

Voor uitlokking is vereist dat de uitgelokte ontploffing is gevolgd, dat verdachte een ander heeft aangezet tot het plegen daarvan, dat zijn opzet zowel op de uitlokking als op het delict was gericht, en dat daarbij een of meer wettelijke uitlokkingsmiddelen zijn gebruikt. Daarvoor is ook vereist dat de uitgelokte dader daarom strafbaar is.

Verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. Ook uit het dossier volgt dat aan voornoemde eisen voor uitlokking is voldaan. Verdachte heeft [medeverdachte] bewogen tot het plegen van de ontploffing door hem een geldbedrag van € 1.000 in het vooruitzicht te stellen, hem van de nodige inlichtingen te voorzien en de uitvoering praktisch te faciliteren, onder meer door vervoer naar de plaats delict en een vluchtauto te regelen. Dat de ontploffing vervolgens daadwerkelijk is gepleegd en dat [medeverdachte] daarvoor strafbaar is, staat ook vast. De rechtbank komt gelet hierop en in overeenstemming met de bekennende verklaring van verdachte tot een bewezenverklaring.

Feit 2

Ook het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van de geïmproviseerde explosieve constructie, een Cobra 6 met brandbaar vloeistof, acht de rechtbank bewezen.

Over de rol van verdachte verschillen de officier van justitie en de (raadsman van) verdachte van mening. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier, in het bijzonder de verklaring van [medeverdachte] en verschillende chats, komt naar voren dat een persoon kort voor de explosie de geïmproviseerde explosieve constructie, in het bijzijn van [medeverdachte] , heeft overgedragen aan de chauffeur die [medeverdachte] naar de woning heeft gebracht. Gelet op de verklaring van [medeverdachte] en de chats is dat mogelijk de persoon die in de chats de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’ gebruikt.

Die persoon ‘ [bijnaam verdachte] ’ is door de politie geïdentificeerd als verdachte en verdachte heeft ook erkend dat hij de persoon is die de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’ gebruikt in chats. Verdachte heeft echter ontkend dat hij de geïmproviseerde explosieve constructie zelf heeft overgedragen aan de chauffeur. Volgens verdachte heeft zijn opdrachtgever dat gedaan. Verder heeft [medeverdachte] na het voorhouden van twee foto’s van verdachte, verdachte niet herkend als de persoon die de geïmproviseerde explosieve constructie aan de chauffeur heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, niet bewezen dat verdachte de persoon is geweest die de geïmproviseerde explosieve constructie heeft overgedragen aan voornoemde chauffeur. Uit de chats en de verklaring van verdachte volgt echter wel dat verdachte wist dat het om een Cobra 6 met brandbaar vloeistof ging, dat hij nauw betrokken was bij het ‘regelen’ daarvan en dat deze uiteindelijk bij [medeverdachte] terecht zou komen, en het geven van verdere instructies hieromtrent. Verdachte had zodoende een belangrijke (intellectuele) bijdrage en ook beschikkingsmacht over de Cobra 6 met brandbaar vloeistof. Ervan uitgaande dat iemand anders de Cobra 6 met brandbaar vloeistof aan de chauffeur van [medeverdachte] heeft overgedragen, heeft verdachte in ieder geval in nauwe en bewuste samenwerking gehandeld met die persoon, [medeverdachte] en de chauffeur de Cobra 6 met brandbaar vloeistof kreeg overhandigd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank medeplegen van het voorhanden hebben van de geïmproviseerde explosieve constructie bewezen.

De rechtbank komt gelet hierop en in overeenstemming met de bekennende verklaring van verdachte ook ten aanzien van dit feit tot een bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 1 (primair) ten laste gelegde bewezen dat

[medeverdachte] op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij een woning gelegen aan de [adres] een cobra 6 en explosieve lading voor de toegangsdeur van die woning te plaatsen en vervolgens die cobra 6 en die explosieve lading tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en de in voornoemd pand aanwezige goederen en de naastliggende woningen en panden te duchten was, welk feit verdachte op of omstreeks 3 juli 2025 in Nederland, door een belofte en door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door

- voornoemde Cobra 6 te verschaffen en

- het vervoer van Utrecht naar Amsterdam voor die [medeverdachte] te regelen en

- € 1000,-- aan die [medeverdachte] te beloven voor het teweeg brengen van de ontploffing

en het filmen hiervan en

- die [medeverdachte] en of onbekend gebleven anderen informatie te verschaffen over de

woning, de locatie en de buurt en

- die [medeverdachte] en of onbekend gebleven anderen te voorzien van een vluchtplan.

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bewezen dat verdachte

op of omstreeks 3 juli 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (IED) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. Daarbij geldt dat verdachte als een bekennende verdachte wordt aangemerkt.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Ter onderbouwing van haar strafeis heeft de officier van justitie gewezen op de ernst van de feiten en daarbij in het bijzonder gewezen op het ronselen van een kwetsbare minderjarige voor het plegen van de ontploffing, het geen respect tonen voor andermans bezittingen en het leven van anderen en het veroorzaken van gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn weergegeven in de reclasseringsrapportage. In navolging van het advies van de reclassering heeft zij de rechtbank verzocht het volwassenenstrafrecht toe te passen.

De officier van justitie gaat niet uit van eendaadse samenloop.

Tot slot heeft de officier van justitie de straffen, opgelegd in vergelijkbare zaken, meegewogen.

7.2

Standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met eventueel nog een werkstraf. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Wat betreft de ernst van de feiten geldt dat geen sprake is van het ronselen van [medeverdachte] door verdachte. Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte] al ervaring had met een Cobra 6 en dat hij al verkeerde in een bepaald wereldje. Verder was het leeftijdsverschil tussen verdachte en [medeverdachte] niet groot.

Ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn van belang. In het bijzonder zijn de jeugdige leeftijd, het hebben van een gezin als vangnet en het gegeven dat hij zich heeft ingeschreven voor een opleiding, omstandigheden die vragen om maatwerk bij de strafoplegging.

Bij de strafoplegging moet worden uitgegaan van eendaadse samenloop.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Ernst van het bewezen geachte

Ontploffingen bij woningen zijn tegenwoordig bijna aan de orde van de dag. Ook verdachte heeft daar een bijdrage aan geleverd door [medeverdachte] uit te lokken een dergelijke ontploffing teweeg te brengen. De schade aan de woning is in dit geval gelukkig beperkt gebleven. Dat neemt niet weg dat, ook al was zij niet thuis, het zeer intimiderend is geweest voor bewoonster [benadeelde] . Zij heeft daar ook de psychische problemen van ondervonden, zoals volgt uit haar slachtofferverklaring en haar verzoek om schadevergoeding. Voor omwonenden en de samenleving in het algemeen zorgen dergelijke feiten ook voor gevoelens van onveiligheid.

In het dossier komt het beeld naar voren dat [medeverdachte] al kennis had van Cobra’s en zich in ‘het wereldje’ begaf. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte] minderjarig was. Dat neemt niet weg dat dit wel het geval was, wat het extra kwalijk maakt dat verdachte hem ertoe heeft gebracht de ontploffing bij de woning uit te voeren.

Omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan

Verdachte heeft verklaard dat hij schade had veroorzaakt aan een gehuurde auto en dat hij ter genoegdoening van de verhuurder van de auto op diens verzoek iemand heeft geregeld voor het uitvoeren van de ontploffing. Verdachte zou hebben geweten dat ten tijde van de ontploffing de bewoners niet thuis zouden zijn. Daarnaast zou verdachte hebben vernomen dat de achterliggende reden voor de ontploffing was dat de bewoners iets zouden moeten betalen.

Persoon van verdachte

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 21 jaar oud en zou in aanmerking kunnen komen voor toepassing van de regeling voor adolescenten in het strafrecht. De reclassering heeft echter geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Daarbij heeft de reclassering onder meer aangegeven dat begeleiding in het kader van het volwassenenstrafrecht de voorkeur verdient, omdat dan meer toegewerkt kan worden naar zelfstandigheid. De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en het volwassenenstrafrecht toepassen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Er is dus geen sprake van strafverzwarende recidive.

Verdachte heeft ter terechtzitting zijn actuele persoonlijke omstandigheden toegelicht. De detentie valt hem zwaar. Door personeelstekort verblijft hij regelmatig 23 uur per dag op zijn cel. Zijn familie is boos op verdachte om wat hij heeft gedaan, maar is wel nog steeds hecht met verdachte en betrokken bij hem. Verdachte heeft schulden, die door zijn detentie zijn opgelopen.

Geen eendaadse samenloop

De rechtbank gaat in juridische zin niet uit van eendaadse samenloop ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten gelet op de uiteenlopende rechtsbelangen verbonden aan de strafbaarstelling van de feiten. Wel constateert de rechtbank dat de feiten nauw met elkaar verweven zijn en houdt daar rekening mee bij de strafoplegging.

Slotsom: strafoplegging

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen.

In de jonge leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij ter terechtzitting inzicht heeft getoond in het kwalijke van wat hij heeft gedaan, zijn spijtbetuiging en zijn blanco strafblad, ziet de rechtbank aanleiding naar beneden af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging. De rechtbank zal echter niet zover naar beneden afwijken dat wordt tegemoetgekomen aan het verzoek van de raadsman de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk te stellen aan de duur van het voorarrest (ruim 270 dagen). Dat zou niet passen bij de ernst van de feiten.

Met de oplegging van een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden beoogt de rechtbank te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

8 Beslag

8.1

Beslaglijst

De beslaglijst vermeldt onder 1 een geldbedrag van € 800,-, onder 2 tot en met 9 verschillende telefoons, onder 10 verdovende middelen, onder 11 een patroon en onder 12 een computer.

8.2

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot het onder 1 vermelde geldbedrag, de onder 3 tot en met 9 vermelde telefoons en de onder 12 vermelde computer de teruggave aan verdachte gevorderd.

Verder heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van de onder 2 vermelde telefoon gevorderd, omdat deze telefoon is gebruikt bij de uitvoering van de uitlokking.

Ten aanzien van de onder 10 vermelde verdovende middelen en de onder 11 vermelde patroon heef de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevorderd.

8.3

Standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ingestemd met de vordering van de officier van justitie, behalve ten aanzien van de onder 11 vermelde patroon. Dit voorwerp is namelijk geen patroon maar een sieraad, te weten een kettinghanger met gravering, van de moeder van verdachte en moet daarom aan haar worden teruggegeven, aldus de raadsman.

8.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie beslissen, behalve ten aanzien van de onder 11 vermelde patroon. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of dit voorwerp inderdaad een sieraad betreft, maar acht dit niet onaannemelijk gelet op hetgeen de raadsman en de moeder van de verdachte ter terechtzitting hebben aangevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat dit voorwerp moet worden bewaard voor de rechthebbende, zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de aard en het eigenaarschap hiervan.

9 Vordering benadeelde partij

9.1

Vordering

De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 1.000, - aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade is gegrond op de psychische gevolgen van de ontploffing bij haar woning, zoals ten laste gelegd onder 1. Zij heeft aangevoerd hierdoor angstig te zijn geworden en veel last te hebben van stress. Zij heeft moeite met slapen in haar eigen woning en voelt zich onveilig.

9.2.

Standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft opgemerkt dat verdachte akkoord is met vergoeding van de gestelde schade en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

9.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing grote impact heeft gehad op de benadeelde partij. Zij is als gevolg hiervan, en een reeks andere explosies bij haar woning, angstig geworden, kampt met stressgevoelens en heeft een constant gevoel van onveiligheid in haar eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen. Hiermee is een wettelijke grondslag voor de vergoeding van immateriële schade aanwezig. De immateriële schade is door de verdediging niet betwist en de rechtbank acht de hoogte van de immateriële schade billijk, zodat de vordering betreffende de immateriële schadevergoeding volledig zal worden toegewezen. Het bedrag van € 1.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte en de andere veroorzakers van de schade hoofdelijk aansprakelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten en de in het kader van de schadevergoedingsmaatregel opgelegde betalingsverplichting.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. uitlokking van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen. terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

  2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan tussen 09.00 en 12.00 bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht.

- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Veroordeelde neemt deel aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

- Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk (eventueel in combinatie met een opleiding) en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- Aflossing schulden

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van

afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- Andere voorwaarden het gedrag betreffende

Veroordeelde geeft inzicht in zijn sociaal netwerk.

Geeft aan de reclassering (Reclassering Nederland) de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- voorwerpen 1, 3 tot en met 9 en 12 op de beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- voorwerp 11 op de beslaglijst.

Verklaart verbeurd:

- voorwerp 2 op de beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- voorwerp 10 op de beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe voor een bedrag van € 1.000, - (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] , aan de Staat € 1.000, - (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. E. Biçer en L.A.L. Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 oktober 2026.

Bijlage tenlastelegging

1

[medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (waaronder

een persoon met Signal account naam [naam] ) op of omstreeks 3 juli 2025 te

Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht

door bij een woning/pand (gelegen aan de [adres] ) een cobra 6, althans

enig explosief (middel) en/of explosieve lading voor de toegangsdeur van die

woning te plaatsen en/of aan te brengen en/of (vervolgens) die cobra 6, althans dat

explosie(f)(v)(e) (middel) en/of die explosieve lading tot ontploffing te brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de in voornoemd pand

aanwezige goederen en/of de omliggende/naastliggende woningen en/of panden in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich

op het moment van de ontploffing in die woning bevonden en/of personen die zich

in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing

plaatsvond bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in die woning en/of personen

die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naast gelegen)

omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was

welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, althans in

Nederland, door (een) gift(en) en/of (een) beloft(en) en/of door het verschaffen van

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door

- voornoemde Cobra 6, althans enig explosief (middel) te verschaffen en/of

- het vervoer van Utrecht naar Amsterdam voor die [medeverdachte] en/of onbekend

gebleven anderen te regelen en/of

- € 1000,-- aan die [medeverdachte] te beloven voor het teweeg brengen van de ontploffing

en/of het filmen hiervan en/of

- die [medeverdachte] en of onbekend gebleven anderen informatie te verschaffen over de

woning, de locatie en/of de buurt en/of

- die [medeverdachte] en of onbekend gebleven anderen te voorzien van een vluchtplan;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing

teweeg heeft/hebben gebracht door bij een woning/pand (gelegen aan de

[adres] ) een cobra 6, althans enig explosief (middel) en/of explosieve

lading voor de toegangsdeur van die woning te plaatsen en/of aan te brengen en/of

(vervolgens) die cobra 6, althans dat explosie(f)(v)(e) (middel) en/of die explosieve

lading tot ontploffing te brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de in voornoemd pand

aanwezige goederen en/of de omliggende/naastliggende woningen en/of panden in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich

op het moment van de ontploffing in die woning bevonden en/of personen die zich

in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing

plaatsvond bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in die woning en/of personen

die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naast gelegen)

omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);

2

hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie II,

onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) geïmproviseerde explosieve

constructie(s) (IED) zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van

personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden

heeft/hebben gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gezegd dat het voorwaardelijk strafdeel 8 maanden bedraagt. In de door de officier van justitie overgelegde vordering staat 6 maanden.