Socialezekerheidsrecht
Vaststelling periodieke uitkering. In artikel 19 van de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op een…
Centrale Raad van Beroep, 7 november 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:3507 · Centrale Raad van Beroep · 7 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-crvb-2019-3507
Zaakgegevens
Op 7 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 november 2019
- Datum publicatie
- 7 november 2019
- Zaaknummer
- 19-2467 WUV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3507
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling periodieke uitkering. In artikel 19 van de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op een uitkering in mindering moeten worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten, ook die uit vermogen, die niet uitdrukkelijk van de verrekening zijn uitgezonderd. Verweerder kan en mag van deze dwingende bepaling niet afwijken. Dat door het overlijden van betrokkene het inkomen van appellante (drastisch) is verminderd doet niet af aan de wettelijke plicht van verweerder om de overige inkomsten van appellante in mindering te brengen op de uitkering.
Uitspraak
19 2467 WUV
Datum uitspraak: 7 november 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2019, kenmerk BZ011283061 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
De heer [betrokkene] (betrokkene) is vervolgde in de zin van de Wuv. Aan hem is onder meer toegekend een maandelijkse vergoeding voor niet-meetbare invaliditeitskosten (NMIK). Betrokkene is [in] 2018 overleden. Bij besluit van 23 november 2018 is appellante ingaande 1 september 2018 een periodieke uitkering toegekend als nabestaande van betrokkene. In afwachting van de door appellante in te dienen inkomensgegevens heeft verweerder bij besluit van 13 december 2018 het voorschot op de uitkering bepaald op € 0,00 bruto per maand.
Na ontvangst van de financiële gegevens heeft verweerder bij besluit van 14 januari 2019 de periodieke uitkering met ingang van 1 september 2018 vastgesteld op € 0,00 bruto per maand. Tot dit bedrag is verweerder gekomen na verrekening van de inkomsten die appellante ontvangt aan pensioen van het Abp en Akzo-Nobel, de AOW en uit vermogen, met de uitkering die aan haar als nabestaande kan worden toegekend. Het tegen het besluit van
14 januari 2019 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Appellante vindt het niet redelijk dat haar overige inkomsten met de uitkering worden verrekend. Haar echtgenoot heeft in het kamp gezeten en een deel van zijn leed draagt zij als nabestaande met zich en met een kleine bijdrage horen wij er bij, aldus appellante. Deze beroepsgrond treft geen doel. In artikel 19 van de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op een uitkering in mindering moeten worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten, ook die uit vermogen, die niet uitdrukkelijk van de verrekening zijn uitgezonderd. Verweerder kan en mag van deze dwingende bepaling niet afwijken. Dat door het overlijden van betrokkene het inkomen van appellante (drastisch) is verminderd doet niet af aan de wettelijke plicht van verweerder om de overige inkomsten van appellante in mindering te brengen op de uitkering.
In wat appellante heeft aangevoerd is ook overigens geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder de uitkering van appellante onjuist heeft berekend. Hierbij wordt nog opgemerkt dat niet is gebleken dat bij de berekening van de hoogte van de uitkering nog rekening is gehouden met het gezamenlijke inkomen van appellante en betrokkene voor het overlijden van betrokkene.
Uit 2.1 en 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2019.
(getekend) H. Lagas
(getekend) D. Bakker
md