Socialezekerheidsrecht
Deze uitspraak gaat over de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser zoals vastgesteld in…
Rechtbank Overijssel, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6235 · Rechtbank Overijssel · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6235
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/3381
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6235
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser zoals vastgesteld in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het niet eens met het vastgestelde percentage en stelt dat hij meer arbeidsongeschikt is. Medische klachten betreffen overige hartziekte, COPD gold 2 en carpometacarpale I Artrose beiderzijds Voor ligt of er voldoende beperkingen zijn aangenomen, eiser stelt dat hij ten aanzien van werken met zijn vingers; zoals met het werken met een toetsenbord en muis, meer beperkt is. Onvoldoende onderbouwd door middel van medische gegevens. Eigen arbeidskundige is geen medicus. Hij kan daarom niet méér beperkingen aannemen dan in de FML zijn opgenomen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3381
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. I.C. Dijkstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser zoals vastgesteld in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het niet eens met het vastgestelde percentage en stelt dat hij meer arbeidsongeschikt is. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op de juiste wijze het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser heeft vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft zich op 3 april 2023 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in het kader van de Wet WIA.
Het UWV heeft in het besluit van 10 april 2024 het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 73,82%. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd vastgesteld op 75,99%.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Eiser werd vergezeld door zijn echtgenote [naam 1].
Het onderzoek ter zitting is aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen.
Bij brief van 15 april 2026 heeft eiser aanvullende informatie verstrekt.
Bij brief van 30 april 2026 heeft het UWV gereageerd op de informatie van eiser.
De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij behoefte hebben aan een nadere behandeling ter zitting.
Eiser heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben. Het UWV heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd. Hierop is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is eerder gedurende 39,66 uur per week werkzaam geweest als supply chain manager. Na einde dienstverband per 1 juli 2018 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW)
Vanuit de WW heeft eiser zich op 24 december 2018 ziekgemeld met klachten als gevolg van hartritmestoornissen.
Op 16 september 2020 heeft eiser een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het UWV eiser met een besluit van 18 juni 2021 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend met ingang van 21 december 2020. Eiser is voor 55,36% arbeidsongeschikt geacht.
Bij besluit van 24 maart 2022 is eiser door het UWV in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering. Eiser is daarbij ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.
Eiser heeft zich op 3 april 2023 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Hierna heeft het UWV verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek verricht.
Het UWV heeft in het besluit van 10 april 2024 het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 73,82%.
Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd vastgesteld op 75,99%.
Beroepsgronden
4. Eiser stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hij voert daartoe het volgende aan.
Het onderzoek door de verzekeringsartsen heeft onvoldoende zorgvuldig plaatsgevonden. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiser wijst met name op beperkingen ten aanzien van het werken met een toetsenbord en/of muis. Zijn hand- en vingergebruik is beperkter dan wordt aangenomen. Ter onderbouwing wijst eiser op een brief van 27 oktober 2020 van K. Thomas, cardioloog. Uit deze brief blijkt dat in 2020 al sprake was van handklachten. In de brief van de cardioloog staat het volgende: "Last van duimen/armen/concentratie minder.”
Ook wijst eiser erop dat de cardioloog onlangs heeft besloten dat op korte termijn opnieuw een ablatie zal plaatsvinden voor het persisterend boezemfibrilleren. Daarnaast ondergaat hij momenteel neurologisch onderzoek vanwege een verminderde cognitieve functie. Zijn geheugen verslechtert, evenals zijn concentratie en informatieverwerking. Zijn gezondheid gaat achteruit.
Eiser stelt verder dat de geduide functies niet passend zijn. Hij verwijst daarbij ter onderbouwing naar de expertise van de door hem ingeschakelde arbeidsdeskundige
[naam 2] ([naam 2]) van 10 december 2025. Deze heeft samengevat weergegeven gesteld dat de functies niet geschikt zijn, omdat deze een in duur belastbare en repetitieve inzet van hand- en vingerbewegingen vragen, terwijl eiser juist op dit domein structureel beperkt is. De beperking maakt dat zowel het volhouden van deze bewegingen als het leveren van een constante kwaliteit en tempo niet haalbaar is. Met name een juiste interpretatie van hand-vingergebruik versus de functie-eisen is op een te smalle basis gevormd, terwijl de beschrijving en toelichting hiervan binnen het CBBS zeer concreet is, aldus [naam 2].
Mocht de rechtbank de door eiser ingeschakelde deskundige niet volgen, dan verzoekt eiser de rechtbank om een deskundige in te schakelen.
Bestreden besluit
5.Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn klachten en beperkingen in staat is de geduide functies te verrichten. Zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is terecht vastgesteld op 75,99%.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de WIA-uitkering. In geschil is of eiser per 3 april 2023 voor 75,99 % arbeidsongeschikt is. Zij beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
7. De verzekeringsarts heeft eiser zelf gesproken op het spreekuur van 5 maart 2024. Voorts heeft hij eigen onderzoek verricht. Zijn conclusies heeft de arts neergelegd in de rapportage van 6 maart 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een dossieronderzoek verricht. Verder heeft hij eiser uitgebreid gesproken op de hoorzitting en heeft hij de beschikbare medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie neergelegd in de rapportage van 23 juni 2025. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend gerapporteerd in de rapportage van 2 september 2025. Uit hetgeen eiser aanvoert volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont.
De medische grondslag
De verzekeringsarts heeft aangenomen dat eiser klachten en beperkingen heeft als gevolg van een overige hartziekte, COPD gold 2 en carpometacarpale I artrose beiderzijds.
Hij concludeerde dat de belastbaarheid in vergelijking met de WIA-beoordeling uit 2021 was afgenomen, met name in energetisch opzicht. Dit hing samen met de cardiale problematiek van eiser in combinatie met COPD-klachten. Dit leidde tot het aannemen van aanvullende beperkingen voor fysieke belasting (lopen, staan, duwen/trekken, traplopen, klimmen) en aanvullend daarop een urenbeperking van maximaal 5 u/dag, 25 u/week. Tevens zijn enige beperkingen vastgesteld voor handbelasting beiderzijds vanwege CMC-1 artrose. De verzekeringsarts heeft in dit kader vermeld dat een verminderde kracht gezien wordt in de duimen beiderzijds. Eiser kan niet goed weerstand bieden bij de pincetgreep. Uitgaande hiervan is repetitieve handbelasting verminderd mogelijk. Ook is de pincetgreep verminderd mogelijk qua kracht en weerstand bieden. Deze beperkingen worden toegevoegd in de laatst opgestelde FML. De beperkingen zijn als duurzaam beschouwd (verbetering niet of nauwelijks te verwachten).
De verzekeringsarts heeft daarop in de FML van 6 maart 2024 beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen en werktijden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich grotendeels vinden in de conclusies van de verzekeringsarts die de primaire beoordeling heeft verricht. Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat de cardioloog de vermoeidheids-klachten c.q. beperkte inspanningstolerantie van eiser niet direct kan relateren aan zijn cardiale problematiek, terwijl de ernst van de COPD als matig beschouwd kan worden. Er zijn wel medische redenen om uit te gaan van een verminderde energetische belastbaarheid, maar er is geen reden om uit te gaan van forsere beperkingen dan vastgesteld door de verzekeringsarts. Dit betreft zowel de beperkingen voor statische en dynamische belasting als de duurbelastbaarheid, die volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de aard en ernst van de medische problematiek passen. In bezwaar is gebleken dat eiser slechthorend is en gebruik maakt van een hoortoestel. Dit is niet in de primaire beoordeling meegewogen. Aannemelijk is dat gesprekken in grotere groepen of in een rumoerige omgeving problemen kunnen geven. Een beperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom toegevoegd aan de FML onder item 2.2. Ten aanzien van de CMC-1 artrose komen in bezwaar geen redenen naar voren om uit te gaan van andere/ernstiger beperkingen dan primair zijn vastgesteld.
In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend gereageerd op de na de zitting bij de rechtbank ingebrachte medische informatie van eiser. Hij heeft opgemerkt dat eiser deels heeft verwezen naar informatie die zich reeds in het dossier bevindt en waarmee dus al rekening is gehouden. Verder merkt hij op dat eiser wat betreft de klachten aan armen en duimen verwijst naar een in de brief van de cardioloog opgenomen anamnestisch gegeven, dat buiten de context valt van het cardiologisch consult waarvoor eiser werd gezien. Nadere onderzoeksbevindingen of adviezen worden in deze brief niet beschreven. De informatie dateert verder van ruim voor de datum in geding. Ten slotte is bij de beoordeling van de belastbaarheid reeds rekening gehouden met bekende artrose in de duimgewrichten. Deze gaf bij onderzoek in bezwaar desgevraagd niet vaak klachten.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om bovenstaande overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Eiser stelt dat hij niet alleen beperkingen heeft aan zijn duimen, maar ook aan zijn vingers, waardoor hij geen muis en toetsenbord kan bedienen. Dit volgt echter niet uit de door eiser aangeleverde medische informatie, noch uit de door de verzekeringsartsen verrichte onderzoeken. Er is dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt onjuist of onnavolgbaar is.
Dat eiser zwaardere beperkingen zegt te hebben, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat eiser ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De FML bevat een groot aantal beperkingen en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn voor de datum in geding.
Eiser heeft in beroep erop gewezen dat zijn huidige medische situatie in verschillende opzichten is verslechterd en dat ook daaruit op te maken valt dat de huidige beperkingen in de FML niet volstaan. De rechtbank begrijpt dat eiser zich in een moeilijke positie bevind waarbij hij qua gezondheid telkens minder kan. In onderhavig beroep kan de rechtbank echter alleen beoordelen of het UWV een rechtmatig oordeel heeft gegeven ten aanzien van de datum in geding. Een latere verslechtering kan daarom niet bij de beoordeling betrokken worden. Desgewenst kan eiser bij het UWV om een herbeoordeling per een latere datum verzoeken, waarbij deze verslechtering wel kan worden betrokken.
Arbeidskundige beoordeling en de geschiktheid van de functies
Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat eiser in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In het rapport van 27 juni 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiser op de in geding zijnde datum. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van eiser zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van eiser mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige onderzocht.
Bij brief van 27 januari 2026 is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingegaan op het rapport van [naam 2]. Hij heeft dit rapport gemotiveerd weerlegd en zich op het standpunt gesteld dat de functies onverminderd geschikt zijn.
Hij heeft hierin onder meer het volgende vermeld:
“De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat het voornamelijk beperkingen door duimklachten betreft. Er is geen sprake van grote hoeveelheden tekst achtereen typen, zoals bijvoorbeeld een datatypist of veel muiswerk achtereen zoals DTP-werk. Korte stukjes muis en/of typewerk achtereen zoals in de geselecteerde functies is mogelijk. Toetsenbord- en muisbediening is weloverwogen niet beperkt geacht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Toetsenbord- en muisbediening heeft daardoor geen directe relatie met de beperkingen die zijn gesteld op repetitief werk of hoog handelingstempo.
De functies zijn daarom passend.”
De rechtbank ziet in het rapport van [naam 2] geen reden om de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet te volgen. De rechtbank wijst er daarbij op dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich enkel uit kan laten over de geduide functies in relatie tot de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Een medische beoordeling valt buiten zijn expertise. Hij kan daarom niet méér beperkingen aannemen dan in de FML zijn opgenomen. [naam 2] heeft in zijn rapportage aangevoerd dat toetsenbord- en muisbediening ook beperkt had moeten worden. Dit is echter door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) weloverwogen niet aangenomen, zodat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze beperking terecht niet heeft betrokken in zijn beoordeling.
Het is dan ook niet gebleken dat de geduide functies niet passend zijn in het licht van de aangenomen beperkingen.
Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de conclusies van het UWV, is er geen reden voor het inschakelen van een eigen deskundige.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.