Socialezekerheidsrecht
Deze zaak gaat over een opgelegde maatregel op grond van de Pw. Verweerder heeft deze maatregel opgelegd…
Rechtbank Rotterdam, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14819 · Rechtbank Rotterdam · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14819
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/760
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14819
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze zaak gaat over een opgelegde maatregel op grond van de Pw. Verweerder heeft deze maatregel opgelegd, omdat eiser niet heeft meegewerkt aan gesprekken over arbeidsmogelijkheden. Verweerder heeft de maatregel aanvankelijk vastgesteld op een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende drie maanden. Op de zitting heeft verweerder de rechtbank gevraagd om de maatregel vast te stellen op een verlaging van de bijstandsuitkering met 50% gedurende drie maanden. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/760
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.W. Dijke),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S. el Kaddouri).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen een aan hem door verweerder opgelegde maatregel op grond van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft deze maatregel opgelegd, omdat eiser niet heeft meegewerkt aan gesprekken over arbeidsmogelijkheden. Verweerder heeft de maatregel aanvankelijk vastgesteld op een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende drie maanden. Op de zitting heeft verweerder de rechtbank gevraagd om de maatregel vast te stellen op een verlaging van de bijstandsuitkering met 50% gedurende drie maanden. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 11 juli 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser per 1 augustus 2025 gedurende drie maanden met 100% gekort wegens het niet meewerken aan gesprekken over zijn arbeidsmogelijkheden (de maatregel).
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Hangende de bezwaarprocedure heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met de uitspraak van 26 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.
Met het besluit van 15 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Het geschil
Inleiding
3. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Pw. In het kader van zijn arbeidsinschakeling is eiser uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op
20 februari 2025. Eiser is op dit gesprek verschenen, maar heeft dit gesprek direct verlaten toen hem duidelijk werd dat twee medewerkers het gesprek zouden voeren. Eiser is vervolgens opnieuw uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op 1 mei 2025. Eiser is ook hier verschenen en direct weer vertrokken toen hij ook een tweede medewerker zag zitten. Vervolgens is eiser uitgenodigd voor een hoor- en wederhoorgesprek op10 juni 2025. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om eiser met het primaire besluit van 11 juli 2025 de in het geding zijnde maatregel op te leggen.
Standpunten partijen
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden om te gaan werken. Eiser is niet in gesprek gegaan over de mogelijkheden tot de arbeidsinschakeling. Bij het opleggen van deze maatregel heeft verweerder er rekening mee gehouden dat eiser zich het afgelopen jaar verwijtbaar heeft gedragen. Met een besluit van 23 december 2024 heeft verweerder eiser reeds een maatregel opgelegd van 30% voor de duur van één maand (januari 2025) en met een besluit van 7 maart 2025 een maatregel van 100% gedurende één maand
(april 2025).
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat met een besluit van 21 september 2026, naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 12 juni 2026 (ROT 25/4314 en ROT 25/6380), de eerdere maatregelen zijn gematigd. In de uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het eigen handelen van verweerder geen aanleiding was om in het kader van de afstemming een verminderde ernst of verwijtbaarheid van de gedragingen van eiser aan te nemen. Het had, aldus de rechtbank in de uitspraak van 12 juni 2026, op de weg van verweerder gelegen om in ieder geval vooraf aan te geven dat er een tweede medewerker bij het gesprek aanwezig zou zijn. Dit heeft verweerder niet consequent gedaan. De maatregel van 23 december 2024 is naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2026 verlaagd van 30% naar 10% en de maatregel van 7 maart 2025 van 100% naar 50%. Op de zitting heeft verweerder de rechtbank verzocht het beroep in de onderhavige zaak gegrond te verklaren en de maatregel die in deze procedure voorligt vast te stellen op 50% gedurende drie maanden. Volgens verweerder is de maatregel dan eveneens voldoende afgestemd op het handelen van eiser en het eigen handelen van verweerder. Er zijn volgens verweerder geen dringende redenen om van de maatregel af te zien of deze verder te matigen.
5. Eiser heeft zijn standpunt gehandhaafd en is van mening dat er in het geheel geen maatregel opgelegd had mogen worden. Eiser voert aan dat hij wel degelijk gehoor heeft gegeven aan de oproepen voor de gesprekken door te verschijnen. Verweerder is ervan op de hoogte dat eiser uitsluitend met zijn eigen werkcoach wil spreken en geen tweede medewerker bij gesprekken wil hebben. Verweerder heeft als reden voor de aanwezigheid van een tweede medewerker gegeven dat eiser soms “vreemd” gedrag vertoont. Eiser herkent zich daar niet in. Verder voert eiser aan dat de maatregel niet evenredig is. Hij verkeert financieel in een moeilijke situatie en heeft ter onderbouwing een schuldenoverzicht overgelegd. Daarnaast is de kostendelersnorm op hem van toepassing, waardoor de verlaging van de bijstand ook gevolgen heeft voor zijn moeder.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser verplicht is om gebruik te maken van door verweerder aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Een voortgangsgesprek waarin de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling worden besproken, valt onder deze verplichting. Het geschil betreft of een maatregel tot verlaging van de bijstandsuitkering van eiser met 50% gedurende drie maanden een passende maatregel is als gevolg van de schending van die verplichting.
Als de onder 6 genoemde verplichting door de bijstandsontvanger niet wordt nagekomen, is verweerder gehouden om een maatregel op te leggen volgens de daarvoor opgestelde gemeentelijke verordening. Voor de gemeente Rotterdam is dat gebeurd in de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ (de Verordening). Bij het niet meewerken aan verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder a van de Pw, wordt een maatregel opgelegd. In de Verordening is opgenomen dat als sprake is van een herhaling van eenzelfde verwijtbare gedraging binnen een periode van twaalf maanden, een maatregel van 100% gedurende drie maanden wordt opgelegd. Dit is alleen anders als er bijzondere omstandigheden zijn die dringende redenen opleveren om de maatregel te matigen.
Verweerder ziet af van het opleggen van een maatregel als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin een bijstandsontvanger de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de bijstandsontvanger verkeert.
Is er sprake van een maatregelwaardige gedraging?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser weliswaar op 20 februari 2025 en op 1 mei 2025 op de voortgangsgesprekken is verschenen, maar direct is weggelopen toen duidelijk werd dat er twee medewerkers aanwezig waren. Daarnaast staat vast dat eiser niet is verschenen op het hoor- en wederhoorgesprek van 10 juni 2025. Het meewerken aan een onderzoek in verband met de mogelijkheden om te gaan werken (arbeidsinschakeling) is een verplichting waaraan eiser zich als bijstandsontvanger moet houden (zie overwegingen 6 en 6.1). Eiser heeft zich niet aan die verplichting gehouden. Verweerder heeft deze gedragingen dan ook terecht als maatregelwaardig aangemerkt.
Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid?
8. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet onredelijk heeft gehandeld en dat verweerder ten onrechte een tweede medewerker bij de gesprekken heeft laten aansluiten. De rechtbank vat dit op als een beroepsgrond gericht op de verwijtbaarheid.
Verweerder heeft toegelicht dat het niet onredelijk was om een tweede medewerker bij de gesprekken aanwezig te laten zijn. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat eiser had kunnen vragen naar de reden voor de aanwezigheid van deze medewerker, in plaats van de gesprekken te verlaten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het ‘Overzicht contacten RAAK’ volgt dat eiser daarbij heeft gezegd: “ik zie u bij de rechter”. Naar het oordeel van de rechtbank laat deze mededeling zien dat eiser er bewust voor heeft gekozen het gesprek niet aan te gaan. Dat eiser alleen met zijn eigen werkcoach wilde spreken, betekent niet dat verweerder aan die voorwaarde moest voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid en dat verweerder dus terecht een maatregel heeft opgelegd.
Is er strijd met het evenredigheidsbeginsel?
9. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierbij wijst eiser erop dat de maatregel onevenredige financiële gevolgen heeft voor hem en zijn moeder.
Bij wet in formele zin is dwingend voorgeschreven dat bij het niet nakomen van de verplichting om mee te werken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, een uniforme maatregel wordt opgelegd. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg staat. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bij bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd.
Dringende redenen?
10. Verweerder heeft in het besluit meegenomen dat er sprake is van recidive en dat de financiële gevolgen daarvan in beginsel voor rekening en risico van eiser moeten komen. Van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel of om een minder zware maatregel op te leggen, is slechts sprake als de maatregel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. Het feit dat de maatregel financiële gevolgen heeft voor eiser (en zijn moeder), wat inherent is aan de oplegging van een maatregel, is onvoldoende voor de conclusie dat deze maatregel niet meer in verhouding staat tot het te dienen doel.
Is de maatregel voldoende afgestemd?
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de op zitting voorgestelde maatregel voldoende is afgestemd op de ernst en verwijtbaarheid van de gedraging en dat er rekening is gehouden met het eigen handelen van verweerder. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een maatregelwaardig gedrag. Eiser heeft immers op twee momenten geweigerd het gesprek over zijn arbeidsinschakeling voort te zetten en is vervolgens ook niet verschenen bij het hoor- en wederhoorgesprek. Dit gedrag staat in een reeks eerdere vergelijkbare gedragingen en eiser blijft dan ook in zijn gedrag volharden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser herhaaldelijk niet meegewerkt aan het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Verder is het naar het oordeel van de rechtbank niet aan eiser om de voorwaarden van de voortgangsgesprekken te dicteren. Ook weegt de rechtbank weegt mee dat door verweerder aan eiser is meegedeeld dat er bij het gesprek van 20 februari 2025 en bij het hoor- en wederhoorgesprek van 10 juni 2025 een collega aanwezig zou zijn. Dat eiser wel bij twee van de drie afspraken is verschenen voordat hij wegliep, doet er niet af dat sprake is van maatregelwaardige gedragingen. Verder heeft verweerder afdoende toegelicht dat de aanwezigheid van een tweede medewerker was bedoeld om het gesprek met eiser beter te laten verlopen en dat eiser hiervan vooraf op de hoogte was gesteld. Ook heeft verweerder toegelicht met de aanwezigheid van een tweede collega collegiaal overleg mogelijk werd. Met de voorgestelde afstemming van de opgelegde maatregel van 100% inhouding van de bijstand voor drie maanden naar 50% voor drie maanden, heeft verweerder, voldoende rekening gehouden met het eigen handelen van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is met de voorgestelde afstemming van 50% voor drie maanden voldoende meegewogen dat in de uitnodiging voor het gesprek van 1 mei 2025 niet is vermeld dat er een tweede collega van verweerder aanwezig zou zijn en dat verweerder wellicht beter had kunnen toelichten waarom er een tweede collega van verweerder aanwezig was bij de gesprekken. Verweerder heeft ook nader toegelicht dat inmiddels een nieuwe werkcoach is ingeschakeld, waardoor hopelijk de impasse met eiser wordt doorbroken. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het beroep gegrond verklaren en de opgelegde maatregel conform het voorstel van verweerder vaststellen op een verlaging van de bijstandsuitkering met 50% gedurende drie maanden vanaf 1 augustus 2025.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zij neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet Bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de verlaging van de bijstandsuitkering van eiser wordt vastgesteld op 50% gedurende drie maanden vanaf 1 augustus 2025.
13. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de gemaakte proceskosten van verweerder. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 december 2025;
- herroept het primaire besluit van 11 juli 2025;
- bepaalt dat de bijstandsuitkering van eiser wordt verlaagd met 50% gedurende drie maanden vanaf 1 augustus 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.