Socialezekerheidsrecht

Afwijzing aanvraag voor een voorziening in het kader van de Wuv voor de aanschaf van een auto. Appellante…

Centrale Raad van Beroep, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
25/2020 WUV
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1004
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing aanvraag voor een voorziening in het kader van de Wuv voor de aanschaf van een auto. Appellante heeft geen rijbevoegdheid en geen inwonende partner met een geldig rijbewijs. De bij haar inwonende kleinzoon wordt niet gezien als een samenwonende partner.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/2020 WUV

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 30 juli 2026

SAMENVATTING

Verweerder heeft afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om toekenning van een voorziening voor de aanschaf van een auto in het kader van de Wuv. De Raad onderschrijft het standpunt van verweerder dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld voor het toekennen van deze voorziening. Appellante beschikt niet over een geldig rijbewijs en evenmin is sprake van een samenwonende partner met een geldig rijbewijs.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 september 2025, kenmerk BZ011734601 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juni 2026. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante, geboren in 1950, is met de vervolgde in de zin van de Wuv gelijkgesteld. Verweerder heeft aanvaard dat appellante psychische klachten heeft die in overwegende mate verband houden met de vervolging van haar ouders. Aan appellante zijn verschillende voorzieningen in het kader van de Wuv toegekend waaronder een (verhoogde) vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten.

1.2.

Met een na bezwaar genomen besluit van 25 april 1997 heeft verweerder afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om haar in aanmerking te brengen voor een voorziening in het kader van de Wuv voor de aanschaf van een auto. Dit op de grond dat appellante geen rijbevoegdheid heeft en ook geen inwonende partner met een geldig rijbewijs. Het hiertegen ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard.

1.3.

In juli 2025 heeft appellante (wederom) een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een voorziening in het kader van de Wuv voor het aanschaffen van een auto. Met een besluit van 21 juli 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet in het bezit is van een geldig rijbewijs en ook geen samenwonende partner heeft met een geldig rijbewijs. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.

2.1.

Voor het toekennen van een voorziening voor de aanschaf van een auto hanteert verweerder – voor zover hier van belang – onder meer het vereiste dat de vervolgde of zijn/haar samenwonende partner beschikt over een geldig rijbewijs. De Raad heeft dit vereiste in eerdere rechtspraak aanvaard.

2.2.

Vaststaat dat appellante niet in het bezit is van een geldig rijbewijs. Appellante stelt dat haar kleinzoon, die bij haar inwoont en in het bezit is van een geldig rijbewijs maar niet beschikt over een auto, bereid is haar structureel te vervoeren. Anders dan appellante meent, kan de bij haar inwonende kleinzoon niet worden gezien als een samenwonende partner. Zoals verweerder heeft toegelicht wordt onder samenwonende partners verstaan twee personen die samenleven als ware zij gehuwd. De achterliggende gedachte hierbij is dat zij min of meer eenzelfde leven leiden met gezamenlijke activiteiten waardoor de strikt persoonsgebonden voorziening (de auto) niet door anderen zal worden gebruikt. Daarnaast volgt uit artikel 1a, tweede lid, onder a, van de Wuv dat niet als (samenwonende) partners kunnen worden aangemerkt de ongehuwde personen waar tussen een bloedverwantschap in de tweede graad bestaat. Dat is wel het geval tussen appellante en haar kleinzoon. Dat betekent dat niet wordt voldaan aan één van de vereiste om appellante in aanmerking te brengen voor een voorziening voor de aanschaf van een auto. Verweerder heeft dan ook op goede gronden kunnen afzien van een beoordeling of de gevraagde voorziening als medisch noodzakelijk dan wel medische/sociaal wenselijk moet worden geacht.

2.3.

Het betoog van appellante dat een weigering van de voorziening voor de aanschaf van een auto bij haar zal leiden tot ernstige sociale isolatie en gezondheidsrisico’s slaagt niet. Aan appellante zijn verschillende voorzieningen toegekend die kunnen worden ingezet dan wel juist bedoeld zijn voor het onderhouden van sociale contacten. Zo ontvangt appellante een (verhoogde) vergoeding voor sociaal vervoer en vakantiekosten.

Conclusie en gevolgen

2.4.

Het beroep slaagt dus niet. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding van het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.J.D. Haren

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Op grond van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv. Uitspraak van 2 september 1999, nummer 97/4318 WUV (niet gepubliceerd). Bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:92.