Socialezekerheidsrecht

Afwijzing aanvraag toekenningen op grond van de Wuv. Geen gelijkstelling met vervolgde. De lichamelijke…

Centrale Raad van Beroep, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
25/1637 WUV
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:967
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing aanvraag toekenningen op grond van de Wuv. Geen gelijkstelling met vervolgde. De lichamelijke klachten van appellante houden redelijkerwijs geen verband met het overlijden van haar vader.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1637 WUV

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 23 juli 2026

SAMENVATTING

Verweerder heeft afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om haar met toepassing van de antihardheidsbepaling van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. De Raad onderschrijft het oordeel van verweerder dat niet is gebleken dat bij appellante sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het door de vervolging omkomen van haar vader.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Helmantel, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juli 2025, kenmerk BZ011706816 (bestreden besluit). Dit betreft de Wuv.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juni 2026. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Helmantel en haar broer [naam broer] . Beiden hebben via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante, geboren in 1942, heeft in november 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Appellante heeft aangegeven dat zij gezondheidsklachten heeft als gevolg van het omkomen van haar vader op [datum] 1944 in het Arbeitserziehungslager [naam strafkamp] , een strafkamp nabij [plaats] .

1.2.

Verweerder heeft vastgesteld dat appellante zelf geen vervolging heeft ondergaan. Omdat is gebleken dat de vader van appellante door de vervolging is overleden, is onderzocht of appellante met de vervolgde gelijk kan worden gesteld.

1.3.

Met een besluit van 3 februari 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat de oorlogsomstandigheden, met name het omkomen van de vader van appellante, geen aanleiding geven om appellante met de vervolgde gelijk te stellen. Er is bij appellante geen sprake van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van wat appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.

2.1.

Niet wordt betwist dat appellante geen vervolging heeft ondergaan.

2.2.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerder met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden heeft verkeerd die overeenkomst vertonen met vervolging, als het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Tot dergelijke omstandigheden rekent verweerder onder meer het door de vervolging omkomen van een ouder.

2.3.

In het geval van appellante heeft verweerder geen gebruikt gemaakt van deze bevoegdheid. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij appellante geen psychopathologie is vast te stellen. De lichamelijke klachten van appellante zijn volgens verweerder door andere oorzaken ontstaan dan het overlijden van de vader van appellante. Het standpunt van verweerder is gebaseerd op medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen zijn gebaseerd op een persoonlijk onderhoud dat een van de geneeskundig adviseurs, de arts R.J. Roelofs, met appellante heeft gehad en informatie van de huisarts M. van der Star.

2.4.

De Raad kan dit standpunt van verweerder niet voor onjuist houden. Uit de medische adviezen blijkt dat weliswaar sprake is van psychische symptomen bij appellante, maar in een lage frequentie en de impact daarvan is bij appellante niet groot. Ze leiden niet tot beperkingen in haar functioneren. De symptomen bestaan dan ook niet in die mate of frequentie dat van psychopathologie kan worden gesproken. Door appellante zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld.

2.5.

Volgens de medische adviezen zijn de lichamelijke klachten leeftijdsgebonden dan wel constitutioneel bepaald. De betwisting daarvan door appellante is niet met medische gegevens onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

2.6.

Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.J.D. van Haren

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.