Socialezekerheidsrecht
Uit de artikelen 60 van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke…
ECLI:NL:CRVB:2018:746 · Centrale Raad van Beroep · 14 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-746
Zaakgegevens
Op 14 maart 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 maart 2018
- Datum publicatie
- 14 maart 2018
- Zaaknummer
- 17/7628 AWBZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:746
Samenvatting
Uit de artikelen 60 van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van appellante tegen het bestreden vonnis. Aangezien een dergelijk hoger beroep aan bepaalde rechtsregels is gebonden, wordt appellante opnieuw geadviseerd zich te wenden tot het Juridisch Loket of een advocaat.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 14 maart 2018
17/7628 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 5 september 2017, 16-8842 (bestreden vonnis)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft N.V.A. de Koning hoger beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
1. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter van de rechtbank de vordering van het Zorgkantoor voor betaling van de incassokosten van € 1.034,42 afgewezen, maar appellante wel veroordeeld in de proceskosten die zijn begroot op € 1.641,22.
2. Bij brief van 15 oktober 2017 heeft appellante tegen het bestreden vonnis beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij brief van 19 oktober 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift naar appellante teruggestuurd met het verzoek om contact op te nemen met het Juridisch Loket of een advocaat om hoger beroep in te stellen.
3. Vervolgens heeft appellante hoger beroep bij de Raad ingesteld.
4. Het bestreden vonnis betreft geen uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het volstrekt duidelijk is dat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep van appellante. Tot deze onbevoegdheid kan en zal gelet op deze duidelijkheid zonder verder onderzoek worden beslist.
Voor doorzending als bedoeld in artikel 6.15 van de Awb is geen plaats. De andere hogerberoeprechters als bedoeld in artikel 8:105, eerste lid, van de Awb zijn, nu het bestreden vonnis geen uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb betreft, evenmin bevoegd.
Uit de artikelen 60 van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van appellante tegen het bestreden vonnis. Aangezien een dergelijk hoger beroep aan bepaalde rechtsregels is gebonden, wordt appellante opnieuw geadviseerd zich te wenden tot het Juridisch Loket of een advocaat.
6. Griffierecht is niet in rekening gebracht en voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018.
(getekend) J. Brand
(getekend)T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.