Socialezekerheidsrecht
Bijstand terecht verleend met toepassen kostendelersnorm. Geen schriftelijke huurovereenkomst overgelegd.
Centrale Raad van Beroep, 29 september 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:2313 · Centrale Raad van Beroep · 29 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-2313
Zaakgegevens
Op 29 september 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 september 2020
- Datum publicatie
- 29 september 2020
- Zaaknummer
- 19/1227 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:2313
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bijstand terecht verleend met toepassen kostendelersnorm. Geen schriftelijke huurovereenkomst overgelegd.
Procesgang
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:1786Centrale Raad van Beroep · 29 september 2020deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2020:2313
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
19 1227 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 29 september 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2019, 18/3284, 18/5395 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 8 februari 2018 een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande gedaan. In het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij op het adres [adres] (uitkeringsadres) van een kennis (X) een kamer huurt voor € 250,- per maand inclusief servicekosten en dat hij geen huurcontract heeft.
Bij brief van 29 maart 2018 heeft het college appellant verzocht om aanvullende informatie, waaronder het huurcontract en bankafschriften of stortingsbewijzen van huurbetalingen van de laatste vier maanden. Appellant heeft in reactie op dat verzoek, voor zover van belang, bankafschriften overgelegd en een ongedateerde verklaring van de hoofdbewoner X, waarin X onder meer verklaart dat zij met elkaar hebben afgesproken dat appellant een vergoeding aan hem geeft voor de lasten voor de duur dat appellant bij X staat ingeschreven.
Bij besluit van 4 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 8 februari 2018 bijstand toegekend met toepassing van de zogenoemde kostendelersnorm ten bedrage van 50% van het wettelijk minimumloon. Daaraan heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd, dat appellant als kostendeler wordt beschouwd, dat er op het uitkeringsadres twee meerderjarige personen wonen en dat niet is gebleken van een commerciële huurrelatie.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De te beoordelen periode loopt van 8 februari 2018 tot en met 4 juni 2018.
Artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet (PW) bepaalt dat, indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende is: ((40% + A × 30%) / A) × B. Daarbij staat A, voor zover hier van belang, voor het totaal aantal kostendelende medebewoners plus, de belanghebbende en B voor de rekennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de PW.
Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW, bepaalt: “In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.”
Artikel 19a, tweede lid, van de PW, voor zover hier van belang, bepaalt dat de belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.
In geschil is of het college terecht de kostendelersnorm heeft toegepast.
Appellant heeft aangevoerd dat hij voor de kamer een commerciële huurprijs betaalt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gelet op het bepaalde in artikel 19a, tweede lid, van de PW, is het aan appellant om desgevraagd de in het tweede lid van dat artikel genoemde gegevens te verstrekken. Het bestaan van de huurovereenkomst en de commerciële huurprijs moeten aan de hand van schriftelijke stukken worden aangetoond. Ook van de maandelijkse huurbetalingen moet belanghebbende betalingsbewijzen kunnen overleggen (Kamerstukken II, 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 59 en 60).
Vaststaat dat appellant desgevraagd geen schriftelijke overeenkomst heeft overgelegd. Appellant heeft verklaard dat die er niet is. Dit betekent dat appellant een kostendelende medebewoner is in de zin van artikel 19, eerste lid, van de PW. De stelling van appellant dat de huurprijs een commerciële was, behoeft daarom geen bespreking.
Uit 4.4.3 volgt dat het college bij de toekenning van de bijstand terecht de kostendelersnorm heeft toegepast. Het hoger beroep slaagt daarom niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) J.B. Beerens