Socialezekerheidsrecht

Hoger beroep ingetrokken. Veroordeling in proceskosten.

Centrale Raad van Beroep, 9 juli 2025

Zaakgegevens

Op 9 juli 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 juli 2025
Datum publicatie
23 juli 2025
Zaaknummer
22/1953 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1078
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep ingetrokken. Veroordeling in proceskosten.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12 mei 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:2628
  2. Centrale Raad van Beroep · 9 oktober 2024

    ECLI:NL:CRVB:2024:1922

    Overig

  3. Centrale Raad van Beroep · 9 juli 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2025:1078

    Overig

Uitspraak

22/1953 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 12 mei 2022, 21/2144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 juli 2025

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023. Appellante is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv is niet verschenen

De Raad heeft het onderzoek heropend en aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen die op 29 augustus 2023 rapport heeft uitgebracht. Appellante heeft op dit rapport niet gereageerd.

Het Uwv heeft op 14 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin is bepaald dat appellante per 11 oktober 2020 onveranderd recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet.

Bij brief van 19 december 2024 heeft mr. Kaya namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 november 2024 aan haar beroepschrift is tegemoetgekomen.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten in beroep worden begroot op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-). De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een reactie op de aanvullende toelichting van de deskundige en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-). De reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting in beroep met een bedrag van € 12,50 komen voor vergoeding in aanmerking.

Het door het Uwv te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt hiermee in totaal € 4.547,50.

Griffierecht

Het Uwv dient het door appellante in beroep (€ 49,-) en hoger beroep (€ 136,-) betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.547,50,-;

  • bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.D.F. de Moor