Socialezekerheidsrecht

Vaststelling maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb…

Centrale Raad van Beroep, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
25/1452 WMO15
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1240
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vaststelling maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb en vaststelling maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp. De Raad is van oordeel dat het medisch advies van de gemeente-arts voldoende is toegespitst op de medische situatie van appellant en de beperkingen die daaruit voorkomen. De Raad is van oordeel dat de verstrekte drie uur aan individuele begeleiding voor de periode van 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 passend is bij de hulpvraag van appellant en dat appellant in die tijd voldoende kan worden begeleid bij zijn doelen. Het HHM Normenkader 2019 kan echter niet als uitgangspunt worden gebruikt bij het bepalen het aantal minuten voor de wasverzorging en het college heeft hiervoor te weinig minuten verstrekt. De Raad voorziet zelf in de zaak en verstrekt aan appellant voor de periode 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 41 minuten per week huishoudelijke hulp voor de wasverzorging, zodat de totale omvang van de huishoudelijke hulp in deze periode 204 minuten per week bedraagt.

Uitspraak

25/1452 WMO15, 25/1500 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2025, 24/3822, 24/3824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 17 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken om de vraag of het college terecht de omvang van de aan appellant verstrekte maatwerkvoorzieningen voor individuele begeleiding op 180 minuten per week en voor huishoudelijke hulp op 198 minuten per week heeft vastgesteld. De Raad is van oordeel dat appellant met de verstrekte urenomvang voor individuele begeleiding niet tekort is gedaan. Bij de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp heeft het college voor het onderdeel wasverzorging zes minuten per week te weinig verstrekt. De Raad heeft daarin in zoverre zelf voorzien.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.N. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Voor appellant is mr. Huisman verschenen. Het college heeft zich (digitaal) laten vertegenwoordigen door M.S. Smith en I.M. van Dijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren in 1973, is bekend met psychische en fysieke problemen. In verband met de afloop van de termijn waarvoor het college aan appellant voorzieningen heeft verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), heeft appellant een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding en huishoudelijke hulp.

1.2.

Met een besluit van 29 februari 2024, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juli 2024 (bestreden besluit 1), heeft het college op grond van de Wmo 2015 aan appellant drie uur per week middelzware begeleiding verstrekt voor de periode van 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.3.

Met een tweetal andere besluiten van 29 februari 2024 heeft het college op grond van de Wmo 2015 aan appellant voor huishoudelijke hulp 198 minuten per week verstrekt voor de periode van 12 februari 2024 tot en met 11 augustus 2024 en 163 minuten per week voor de periode 12 augustus 2024 tot en met 11 februari 2025 in de vorm van een pgb. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen die besluiten. Bij besluit van 23 juli 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college ook voor de periode van 12 augustus 2024 tot en met 11 februari 2025 198 minuten per week huishoudelijke hulp aan appellant verstrekt en voor het overige de besluiten van 29 februari 2024 gehandhaafd. Het college heeft daarbij aansluiting gezocht bij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM (HHM Normenkader 2019). De kosten van bezwaar zijn aan appellant vergoed.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Het onderzoek naar de situatie van appellant is voldoende zorgvuldig uitgevoerd en mede gebaseerd op informatie van de behandeld sector zoals de psychiater en van de wijkverpleging. Anders dan appellant stelt is de verklaring van de gemeente-arts voldoende toegespitst op de situatie van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan de juistheid van het medisch advies van de gemeente-arts te twijfelen. Appellant heeft niet onderbouwd welke medische informatie die arts nog bij zijn advies had moeten betrekken of welke onderzoekshandelingen nog meer hadden moeten worden verricht. Evenmin heeft appellant in beroep geen (nieuwe) medische informatie ingebracht. Appellant heeft niet concreet onderbouwd waarom de aan hem verstrekte maatwerkvoorzieningen niet voldoende zijn om passende ondersteuning te bieden ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie. Ten aanzien van de huishoudelijke hulp heeft appellant geen (medische) informatie ingebracht waaruit blijkt dat extra hygiënische maatregelen nodig zijn. Ten aanzien van de omvang van de toegekende middelzware individuele begeleiding heeft appellant niet concreet gemaakt welke activiteiten met de verstrekte maatwerkvoorziening niet verricht konden worden, maar wel nodig waren. Het college heeft voldoende onderbouwd dat de omvang van de begeleiding zoals die is toegekend, passend is bij de situatie van appellant. Zo heeft het college toegelicht dat de individuele begeleiding ziet op activiteiten die appellant zelf inzet en op het stimuleren zodat hij zelf meer kan meedoen. Het is niet de bedoeling dat taken van appellant worden overgenomen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het onderzoek door de gemeente-arts acht appellant onvoldoende omdat het niet op zijn situatie is toegesneden. De klachten van appellant zijn niet in onderling verband bezien, zoals onder meer de HIVmedicatie en de jeukklachten. Appellant heeft verder verwezen naar de informatie van zijn behandelend psychiater dr. H.L.S.M Busard. Activatie is noodzakelijk voor appellant, omdat hij door uitputting en energieverlies verminderd in staat is om te participeren. Ondersteuning voor het oppakken van sociale contacten en begeleiden naar afspraken die voor appellant zeer stressvol zijn, is ook noodzakelijk.

Het standpunt van het college

4. Het college heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over huishoudelijke hulp en individuele begeleiding in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft de omvang van de huishoudelijke hulp, omdat er zes minuten te weinig voor het onderdeel wasverzorging is verstrekt, en niet slaagt voor het overige. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.

Het geschil ziet op een afgesloten periode in het verleden. Ter zitting is van de zijde van appellant meegedeeld dat er in die periode geen extra kosten zijn gemaakt voor de individuele begeleiding en huishoudelijke hulp. Tussen partijen is niet in geschil dat een inhoudelijk oordeel over de bestreden besluiten uitsluitend nog van belang kan zijn voor toekomstige voorzieningen voor appellant. Aan appellant zijn namelijk aansluitend op de periode waarvoor de onderhavige voorzieningen zijn verstrekt, dezelfde voorzieningen met dezelfde urenomvang verstrekt. Daartegen heeft appellant rechtsmiddelen aangewend. Partijen hebben afgesproken de afloop van dit geding daarvoor af te wachten.

5.2.

De stukken die appellant drie dagen voor de zitting heeft ingediend worden, zoals ter zitting aan partijen is meegedeeld, buiten de omvang van dit geding gelaten, omdat die te laat zijn ingediend.

5.3.

In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald wat hij in beroep bij de rechtbank als gronden heeft aangevoerd. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank deze gronden besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad onderschrijft dat oordeel en de overwegingen waarop het berust, behalve waar het betreft de omvang van huishoudelijke hulp, onderdeel wasverzorging. De Raad voegt het volgende toe aan de overwegingen van de rechtbank.

Zorgvuldig onderzoek

5.4.

Net als de rechtbank heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het medisch advies van de gemeente-arts voldoende is toegespitst op de medische situatie van appellant en de beperkingen die daaruit voorkomen. Het college mocht dat medisch advies aan de besluitvorming ten grondslag leggen. Het advies is inzichtelijk en consistent en gebaseerd op de informatie van de behandelende sector. Uit het advies blijkt dat de gemeente-arts daarin onder meer heeft betrokken de HIV-infectie en de medicatie die appellant daarvoor gebruikt, de SA-problematiek, waarvoor appellant is behandeld, de jeukklachten waarvoor ten tijde van het onderzoek nog geen oorzaak was gevonden, de vermoeidheids- en de psychische klachten van appellant. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische informatie ingebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van het medisch advies.

Individuele begeleiding

5.5.

Voor het bepalen van de omvang van de middelzware begeleiding die aan appellant is verstrekt, is door het college aangesloten bij de urenomvang, zoals neergelegd in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Groningen 2020. Het uitgangspunt daarbij is dat 60 minuten per week begeleiding wordt verstrekt voor ondersteuning in plannen, overzicht en inzicht bieden. Daarboven is aan appellant 120 minuten extra inzet verstrekt voor de activiteiten: het uitbreiden en onderhouden van het netwerk, administratie en financiën, toeleiden naar passende daginvulling en maken van een vertaalslag tussen de betrokkene en een derde. Appellant heeft ook in hoger beroep niet concreet gemaakt welke activiteiten met de verstrekte maatwerkvoorziening niet verricht konden worden, maar wel nodig waren. Zo heeft appellant niet geconcretiseerd naar welke zeer stressvolle afspraken hij niet kon binnen de verstrekte omvang van de individuele begeleiding in de periode in geding. In wat appellant verder heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verstrekte drie uur aan individuele begeleiding voor de periode van 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 niet passend zou zijn bij de hulpvraag van appellant en dat appellant in die tijd onvoldoende kan worden begeleid bij zijn doelen. Het hoger beroep slaagt dan ook in zoverre niet.

Huishoudelijke hulp

5.6.

Appellant heeft ook in hoger beroep niet met concrete medisch objectieve gegevens, bijvoorbeeld van zijn medische behandelaars, onderbouwd waarom er naast de verstrekte huishoudelijke hulp voor eenpersoonshuishouden met extra kamers, die is gebaseerd op het HHM-normenkader 2019, nog extra schoonmaak nodig is in verband met zijn aandoeningen.

5.7.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, mag het HHM normenkader 2019, voor zover dat ziet op het resultaat schoon en leefbaar huis, zowel ten aanzien van de in het normenkader opgenomen basismodule, als ten aanzien van de verschillende invloedfactoren voor meer of minder inzet, worden gebruikt als uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Het HHM Normenkader 2019 kan echter niet als uitgangspunt worden gebruikt bij het bepalen van de omvang van het resultaat wasverzorging. Anders dan bij het resultaat schoon en leefbaar huis, is bij het resultaat wasverzorging immers onduidelijk hoe de daarin vermelde normtijden tot stand zijn gekomen. Ook dit heeft de Raad eerder overwogen. Dit betekent dat het college de omvang van de maatwerkvoorziening voor wat betreft de wasverzorging niet heeft mogen baseren op de normtijden in het HHM Normenkader 2019. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.8.

Eerder heeft de Raad ook overwogen dat wel uitgegaan mag worden van de herberekende normtijden. De Raad zal dan ook het bestreden besluit 2 vernietigen voor zover daarin 35 minuten per week huishoudelijke hulp voor de wasverzorging over de periode 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 aan appellant is verstrekt en zal zelf in de zaak voorzien door aan appellant hiervoor 41 minuten per week te verstrekken.

Conclusie en gevolgen

5.9.

Uit 5.7 en 5.8 volgt dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, namelijk op het punt van het resultaat wasverzorging van de huishoudelijke hulp. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover die ziet op het bestreden besluit 2, het beroep in zoverre gegrond verklaren en het bestreden besluit 2 vernietigen en zelf voorzien, zoals in 5.8 is beschreven. De aangevallen uitspraak zal voor het overige worden bevestigd. Voor de volledigheid wijst de Raad erop dat dit zelf voorzien feitelijk geen gevolgen heeft voor de ondersteuning van appellant tijdens de periode in geding. Appellant heeft immers ter zitting toegelicht dat geen extra kosten voor huishoudelijke hulp zijn gemaakt in verband met de wasverzorging in de periode waarop bestreden besluit 2 ziet. Het college heeft ter zitting toegezegd voor de toekomstige periode rekening te houden met 41 minuten per week aan huishoudelijke hulp voor de wasverzorging.

6. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 1.868 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand. Ook moet het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- aan appellant vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover die ziet op het besluit van 23 juli 2024 met betrekking tot de huishoudelijke hulp (bestreden besluit 2);

  • verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit van 23 juli 2024, voor zover daarin 35 minuten per week huishoudelijke hulp voor de wasverzorging is verstrekt;

  • herroept de besluiten van 29 februari 2024 over de huishoudelijke hulp in zoverre;

  • verstrekt aan appellant voor de periode 12 februari 2024 tot en met 11 februari 2025 41 minuten per week huishoudelijke hulp voor de wasverzorging, zodat de totale omvang van de huishoudelijke hulp in deze periode 204 minuten per week bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;

  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Artikel 2.3.5

Het college beslist op een aanvraag:

a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;

b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.

2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

(…)

Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2470. Eerder genoemde uitspraak van 13 december 2023 en de uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:46. Uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:46.