Socialezekerheidsrecht
Intrekking en terugvordering toeslag. Het Uwv heeft terecht het teveel betaalde aan toeslag teruggevorderd…
Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1336 · Centrale Raad van Beroep · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1336
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1736 TW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1336
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekking en terugvordering toeslag. Het Uwv heeft terecht het teveel betaalde aan toeslag teruggevorderd omdat de totale inkomsten van appellante en haar partner hoger waren dan het sociaal minimum. Geen dringende reden.
Uitspraak
25/1736 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
11 juli 2025, 22/5441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van een toeslag die appellante op haar Wajong-uitkering ontving. Het Uwv is tot intrekking en terugvordering van de toeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 overgegaan, omdat op grond van het gezamenlijke inkomen van appellante en haar partner geen recht op toeslag bestond. Volgens appellante had het Uwv op grond van dringende redenen van terugvordering af moeten zien. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. H. ten Brinke.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt vanaf 13 april 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. In aanvulling daarop ontving appellante vanaf 28 juli 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 28 oktober 2015 is deze toeslag vanaf 10 augustus 2015 verhoogd, omdat appellante heeft laten weten dat zij per 4 augustus 2015 is gaan samenwonen. In dat besluit is vermeld dat het de plicht is van appellante om wijzigingen in haar situatie aan het Uwv door te geven en als zij dat niet doet, zij tijdelijk minder of geen uitkering/en of een boete ontvangt en als zij te veel uitkering heeft ontvangen, zij dit bedrag moet terugbetalen.
Bij besluit van 2 juni 2022 heeft het Uwv de toeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 ingetrokken en is een bedrag van € 9.334,95,- bruto aan toeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 van appellante teruggevorderd, omdat de totale inkomsten van appellante en haar partner hoger zijn dan het sociaal minimum.
Bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2022 ongegrond verklaard. Er is volgens het Uwv geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het feit dat haar partner inkomsten genoot van invloed kon zijn op het recht op toeslag. Dat appellante niet wist dat zij toeslag ontving, rijmt niet met het feit dat zij in oktober 2015 zelf heeft verzocht om een aanpassing van de toegekende toeslag. Dat de (toekennende) beschikking vervolgens aan haar bewindvoerder is toegezonden en zij niet over de toekenning is geïnformeerd, maakt dat niet anders. Dat komt voor haar rekening en risico. Appellante is zowel bij de toekenning als bij de wijziging van de toeslag erop gewezen dat zij gehouden is om wijzigingen/veranderingen in (onder meer) het inkomen van haarzelf of haar partner binnen een week door te geven aan het Uwv. Appellante was dan ook bekend met de verplichting om inlichtingen zo snel mogelijk te (laten) verstrekken. Bovendien is appellante nog eens op die verplichting gewezen in het telefoongesprek van 14 mei 2020. Appellante heeft tijdens de zitting erkend dat zij die dag met het Uwv heeft gebeld en dat zij de vraag heeft voorgelegd wat de inkomsten zouden betekenen voor haar uitkering. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van dat gesprek. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat appellante – anders dan zij stelt – in dat gesprek ook is gewezen op de mogelijke gevolgen voor de toeslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de situatie van appellante zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Voorop staat dat sprake is van gemeenschapsgeld en dat het in het (maatschappelijk) belang is dat geld op een juiste wijze wordt besteed. Dat het Uwv eerder op de hoogte had kunnen zijn van de wijziging van de inkomsten door raadpleging van Suwinet doet daaraan niet af. De beschikbaarheid van gegevens in Suwinet ontslaat appellante niet van haar verplichting om uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag. Appellante heeft gesteld dat het Uwv op de hoogte was van de inkomsten van haar partner, maar zij heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat voor het Uwv geen gehoudenheid bestaat om zonder daartoe strekkende reden spontaan Suwinet te raadplegen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover het beroep ongegrond is verklaard. Appellante heeft zich, onder verwijzing naar artikel 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006, op het standpunt gesteld dat sprake is van een dringende reden om van intrekking en terugvordering af te zien. Zij heeft hierbij herhaald dat zij niet wist en ook niet kon weten dat zij destijds een toeslag ontving, omdat zij onder bewind stond. Appellante heeft ook betwist dat het Uwv haar heeft laten weten dat inkomsten gevolgen kunnen hebben voor het recht op toeslag. Tot slot heeft appellante de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en de terugvordering van de te veel betaalde toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Niet in geschil is dat vanwege het gezamenlijke inkomen van appellante en haar partner in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 geen recht bestond op toeslag. Gelet op de artikelen 11a en 20 van de TW is het Uwv in zo’n geval in beginsel verplicht het recht op toeslag met terugwerkende kracht in te trekken en het teveel betaalde terug te vorderen. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht voor intrekking en terugvordering geen voorwaarde. Het Uwv kan alleen op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering af te zien.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en/of terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de intrekking en/of terugvordering af te zien. Het Uwv heeft bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. De oorzaak van de intrekking en terugvordering is gelegen in het feit dat appellante de wijziging in het inkomen van haar (inmiddels ex-) partner niet aan het Uwv heeft doorgegeven. Dat appellante niet op de hoogte was van het feit dat zij een toeslag ontving, wordt niet aannemelijk geacht. Wat appellante hierover heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij ook in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen.
Verder komt volgens vaste rechtspraak het handelen of nalaten van de bewindvoerder in beginsel voor rekening van degene die onder bewind is gesteld. In het enkele gegeven dat appellante onder bewind staat, heeft het Uwv dan ook geen aanleiding hoeven zien om de toeslag die ten onrechte is betaald, niet van appellante terug te vorderen. De bewindvoerder heeft volgens de voorzitter van de hoorzitting bovendien verklaard dat appellante zelf verantwoordelijk was voor het doorgeven van wijzigingen en dat de bewindvoering er uitsluitend was voor het financieel beheer.
Ook is betrokken dat het Uwv voortvarend heeft gehandeld door al snel nadat het Uwv bekend was geworden met het feit dat de partner van appellante was gaan werken, de toeslag is stopgezet, waardoor de terugvordering niet verder is opgelopen. Bovendien heeft het Uwv bij de invordering de betalingsregeling afgestemd op de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellante. Bij het bestreden besluit is meegedeeld dat appellante voorlopig niet hoeft terug te betalen. Ter zitting bij de Raad is gebleken dat appellante sinds het begin van dit jaar maandelijks € 175,- aflost, omdat zij is gaan werken. Ten slotte heeft appellante onvoldoende onderbouwd dat haar persoonlijke omstandigheden, alleenstaande ouder met vier kinderen, reden hadden moeten zijn om al dan niet gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering in stand blijven. Hieruit volgt dat er geen grond is voor toekenning van schadevergoeding.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en
L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) B. Uçurum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 11a - Toeslagenwet
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
-
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
-
indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
-
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 20 - Toeslagenwet
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.