Socialezekerheidsrecht

Intrekking en terugvordering toeslag op Wajong. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de ex-partner…

Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
25/810 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1345
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Intrekking en terugvordering toeslag op Wajong. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de ex-partner van appellante per 1 april 2018 is gaan werken, dat appellante vanaf 1 november 2018 alleenstaand is en de totale inkomsten van appellante (en haar ex-partner) hoger zijn dan het sociaal minimum. Het Uwv heeft het bedrag van de terugvordering in bezwaar reeds verlaagd. Geen dringende reden geheel van terugvordering af te zien. Oorzaak van terugvordering aan appellante te wijten. Handelen en nalaten bewindvoerder voor rekening appellante. Bewind geen reden voor deels of geheel afzien terugvordering.

Uitspraak

25/810 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 maart 2025, 24/3158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van een toeslag die appellante op haar Wajong-uitkering ontving. Het Uwv is tot intrekking en terugvordering van de toeslag over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 januari 2023 overgegaan omdat appellante niet aan het Uwv heeft doorgegeven dat haar toenmalige partner per 1 april 2018 is gaan werken, dat appellante vanaf 1 november 2018 alleenstaand was en er op grond van het inkomen geen recht op toeslag bestond. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit de terugvordering vanwege dringende redenen verlaagd naar € 5.021,59 bruto. Volgens appellante had het Uwv geheel van terugvordering af moeten zien. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A.M. van Vlerken, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In aanvulling op die uitkering ontving appellante sinds 1 oktober 2007 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op basis van de leefvorm gehuwd of samenwonend.

1.2.

Bij besluit van 8 februari 2023 heeft het Uwv de toeslag op de Wajong-uitkering per 1 februari 2023 stopgezet. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat appellante volgens informatie van het Uwv sinds 2 november 2018 niet meer in één huis met haar partner woont en dat haar inkomsten nu hoger zijn dan het sociaal minimum.

1.3.

Met een besluit van 1 februari 2024 heeft het Uwv de toeslag op de Wajonguitkering van appellante over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 januari 2023 ingetrokken en een bedrag van te veel betaalde toeslag van € 10.043,38 bruto teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de toenmalige partner (ex-partner) van appellante per 1 april 2018 is gaan werken, dat appellante vanaf 1 november 2018 alleenstaand is en de totale inkomsten van appellante (en haar ex-partner) hoger zijn dan het sociaal minimum.

1.4.

Bij besluit van 24 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de terugvordering gehalveerd en nader vastgesteld op € 5.021,59 bruto.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft wat betreft de in het bestreden besluit genoemde periode van 1 april 2018 tot en met 31 oktober 2018 het standpunt van het Uwv gevolgd dat duidelijk is dat dit een verschrijving is, omdat uit de toelichting en de overige besluitvorming duidelijk blijkt dat de terugvordering betrekking heeft op de periode van 1 april 2018 tot en met 31 januari 2023. Aan de hand van de beroepsgronden van appellante heeft de rechtbank de terugvordering van de toeslag over deze periode beoordeeld. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, onder verwijzing naar het besluit van 8 februari 2023, heeft de rechtbank verworpen. Dat besluit maakt niet dat appellante erop mocht vertrouwen dat haar toeslag niet meer met terugwerkende kracht zou kunnen worden ingetrokken en teruggevorderd. In dat besluit is vermeld dat haar inkomsten nu hoger zijn dan het sociaal minimum en dat daarom de toeslag op haar uitkering per 1 februari 2023 stopt. Daarmee is een beslissing gegeven per die datum en is niets gezegd over hoe het Uwv zijn bevoegdheden wel of niet zal inzetten om de toeslag op de uitkering in te trekken en terug te vorderen over de periode die daarvoor ligt. Bovendien staat in dit besluit vermeld dat, als appellante te veel uitkering ontving, zij dat bedrag moet terugbetalen. Aan appellante kan worden toegegeven dat in de aanhef van de beslissing staat vermeld ‘Volgens onze informatie woont u sinds 2 november 2018 niet meer in één huis met uw partner’ en dat zij daaruit zou kunnen hebben afgeleid dat met de brief een beslissing is genomen over de periode vanaf 2 november 2018. De rechtbank is echter van oordeel dat appellante aan deze zin niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de beslissing ziet op de periode vanaf 2 november 2018, omdat uit de brief zelf niet blijkt met welk doel en strekking het in de brief is opgenomen. Gelet op de lange periode dat appellante een toeslag op basis van de leefvorm als gehuwd of samenwonend heeft ontvangen, terwijl zij in die periode alleenstaand was, kon en mocht zij redelijkerwijs uit de brief niet afleiden dat de toeslag die in die periode te veel is ontvangen, niet hoeft te worden terugbetaald. De brief van 8 februari 2023 bevat verder geen informatie over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 oktober 2018. Wat betreft het beroep op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering af te zien, heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn toelichting hoe rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellante en het stilzitten van het Uwv. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de inlichtingenplicht is geschonden, maar omdat het Uwv heeft nagelaten om bekende informatie over de ex-partner door te geven aan de afdeling Wajong is de terugvordering onnodig hoog opgelopen. Daarom heeft het Uwv een matiging van 50% toegepast. De rechtbank kan de handelswijze van Uwv billijken en ziet geen grond voor een verdere matiging.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat het Uwv volledig had moeten afzien van terugvordering, gelet op haar gezondheidstoestand en het feit dat zij onder bewind staat. Dat de bewindvoerder heeft verzuimd om wijzigingen door te geven, laat onverlet dat de menselijke maat wordt overschreden. Volgens appellante heeft de rechtbank verder te vergaande eisen gesteld aan het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en de terugvordering van de te veel betaalde toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.

Niet in geschil is dat appellante vanwege de onder 1.3 vermelde redenen in de periode van 1 april 2018 tot en met 31 januari 2023 te veel toeslag heeft ontvangen. Gelet op de artikelen 11a en 20 van de TW is het Uwv in zo’n geval in beginsel verplicht het recht op toeslag met terugwerkende kracht in te trekken en het teveel betaalde terug te vorderen. Een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht is voor intrekking en terugvordering geen voorwaarde. Het Uwv kan alleen op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van intrekking en/of terugvordering af te zien.

5.2.

Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.

5.3.

De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellante alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen en geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel van terugvordering af te zien. De oorzaak van de terugvordering is geheel aan appellante te wijten, nu zij het Uwv niet op de hoogte heeft gesteld van de wijzigingen in haar situatie. De stelling van appellante dat door haar bewindvoerder(s) verzuimd is om de desbetreffende wijzigingen door te geven, maakt dat niet anders. Volgens vaste rechtspraak komt het handelen of nalaten van de bewindvoerder in beginsel voor rekening van degene die onder bewind is gesteld. In het enkele gegeven dat appellante onder bewind staat, heeft het Uwv geen aanleiding hoeven zien om voor een groter deel of geheel van de terugvordering af te zien. Het Uwv heeft ook meegewogen dat de terugvordering onnodig hoog is opgelopen, omdat het Uwv heeft nagelaten om intern bekende informatie door te geven aan de afdeling Wajong. Dit aspect, het eigen aandeel van appellante en de rol van de bewindvoerder hebben het Uwv ertoe gebracht de terugvordering met de helft te matigen. De uitkomst van deze door het Uwv gemaakte belangenafweging acht de Raad niet onevenredig.

5.4.

Wat appellante heeft aangevoerd over het vertrouwensbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur is een herhaling van wat zij in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden voldoende gemotiveerd besproken.

Conclusie en gevolgen

5.5.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en

L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.


(getekend) D.S. de Vries

(getekend) B. Uçurum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 11a - Toeslagenwet

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

  1. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;

  2. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  3. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 20 - Toeslagenwet

1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

CRvB 5 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1787. CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1206, en van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3577.