Socialezekerheidsrecht
Aanvraag maatwerkvoorziening (scootmobiel) op grond van de Wmo 2015. De Raad is van oordeel dat het college…
Centrale Raad van Beroep, 15 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1367 · Centrale Raad van Beroep · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1367
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2097 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1367
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag maatwerkvoorziening (scootmobiel) op grond van de Wmo 2015. De Raad is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het college wordt daarom opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Uitspraak
25/2097 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2025, 24/4376 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of het college terecht geweigerd heeft om aan appellante een scootmobiel te verstrekken. De Raad komt tot de conclusie dat het college nader onderzoek moet doen.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Appellante is verschenen, samen met haar echtgenoot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Louali en A. Okanovic.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is bekend met diverse medische aandoeningen, onder andere aan spieren en pezen en ze heeft een chronisch ijzergebrek.
Met een besluit van 23 april 2024, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 14 november 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante voor de verstrekking van een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op twee medische adviezen van Argonaut van 29 maart 2024 en 29 juli 2024. Het college heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak bestaat om appellante in aanmerking te brengen voor een scootmobiel. Appellante wordt in staat geacht om zich lopend meer dan 800 meter te verplaatsen. Verder kan zij fietsen of gebruik maken van het openbaar vervoer.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank is van oordeel dat het college de adviezen van Argonaut mocht betrekken bij de beoordeling van de aanvraag van appellante, omdat deze adviezen op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld. De artsen van Argonaut hebben kennis genomen van de ingewonnen informatie van de behandeld reumatoloog en vasculair internist. Dat de artsen van Argonaut geen lichamelijk onderzoek hebben verricht maakt niet dat de onderzoeken onzorgvuldig zijn. De rechtbank acht verder van belang dat appellante de aanvullende informatie over de diagnose dunne vezel neuropathie (DVN) pas op 16 oktober 2024 heeft overlegd, zodat dit niet bij de medische adviezen betrokken kon worden. Dat er ten tijde van de medische adviezen geen contact is gelegd met de behandelend neuroloog van appellante, is om deze reden ook verklaarbaar. De rechtbank overweegt vervolgens dat appellante deze aanvullende medische informatie binnen de te beoordelen periode heeft overgelegd. Het neurologisch onderzoek van Maastricht UMC wijst uit dat appellante klachten heeft die kunnen passen bij DVN. Hoewel het college dus ten tijde van het bestreden besluit bekend was met deze nadere diagnostiek, is hiervan in dat besluit geen melding gemaakt. In zoverre volgt de rechtbank appellante in haar betoog dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank verklaart om die reden het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het college heeft in het verweerschrift erop gewezen dat de diagnose DVN niet betekent dat appellante niet kan of mag bewegen en dat over het algemeen bij een dergelijke diagnose wordt aangeraden te blijven bewegen. Appellante heeft op de vraag van het college wat haar behandelplan en leefstijladvies is aangegeven dat zij pijnbestrijding krijgt en dat er sprake is van valgevaar. Een concrete onderbouwing voor de stelling van appellante dat van haar op basis van de nieuwe informatie niet verwacht kan worden dat zij (ver) loopt of fietst ontbreekt. Op de vraag van het college of zij wenst dat er een nieuw onderzoek wordt gedaan, heeft appellante enkel gereageerd met de mededeling dat ze zou gaan kijken welke verdere stappen ze kon gaan zetten. Het college heeft volgens de rechtbank met de toelichting in het verweerschrift alsnog een deugdelijke motivering gegeven voor de afwijzing van de aanvraag.
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Appellante heeft aangevoerd dat er onvoldoende actuele medische informatie van haar behandelaars is betrokken bij de medische adviezen van Argonaut. De informatie van haar behandelaars die de medisch adviseur via de huisarts heeft gekregen, betrof namelijk geen recente informatie. De diagnose DVN is op 16 oktober 2024 vastgesteld. Door de aandoeningen die appellante heeft en de klachten die zij daardoor ondervindt, is zij ernstig beperkt in haar mobiliteit. Zij kan niet (ver) lopen en kan geen gebruik maken van tweewielers of het openbaar vervoer.
Het standpunt van het college
4. Het college heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de afwijzing van de aanvraag voor een scootmobiel in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt vanaf december 2023 tot en met 14 november 2024. De Raad is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beperkingen van appellante die mogelijk voortvloeien uit de tijdens deze beoordelingsperiode vastgestelde diagnose DVN in relatie tot haar vraag naar een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De nieuwe medische informatie van 16 oktober 2024, waarin bij appellante de diagnose DVN is gesteld, had aan een medisch deskundige voorgelegd moeten worden om met inachtneming daarvan opnieuw te adviseren over de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van appellante en haar ondersteuningsbehoefte. Daarbij acht de Raad van belang dat de medisch adviseur van Argonaut in het advies van 29 juli 2024 al had opgemerkt dat er binnen enkele maanden nadien een aanvullend neurologisch onderzoek zal plaatsvinden, dat mogelijk een ander licht kan werpen op de ervaren pijnklachten van appellante, hetgeen mogelijk een indicatie geeft voor een heroverweging. Verder heeft de medisch adviseur van Argonaut zich ook niet uitgelaten over het valgevaar – waarvan appellante na het bekend worden van de diagnose DVN melding heeft gemaakt – in relatie tot de eerder door hem vastgestelde beweegmogelijkheden van appellante. Dat de medisch adviseur eerder had aangegeven dat bij DVN in het algemeen wordt aangeraden om te blijven bewegen, betekent niet dat dat zonder meer ook bij appellante het geval is. Uit de brief die appellante in beroep heeft overgelegd van 14 februari 2025 van de neuroloog bij wie appellante vanaf mei 2024 in behandeling was vanwege haar toegenomen klachten, volgt dat de diagnose DVN bij appellante de nodige beperkingen in de belastbaarheid en mobiliteit meebrengt en dat er sprake is van de nodige invaliditeit. Er is geen reden om aan te nemen dat deze later bekend geworden medische gegevens niet ook zien op de periode in geding. Tot welke beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie de diagnose DVN, bezien in relatie met haar overige aandoeningen, bij appellante leidt en of en zo ja welke vervoersvoorzieningen aan haar versterkt dienen te worden, kan op grond van de beschikbare gegevens dan ook niet worden vastgesteld. Verder heeft de medisch adviseur van Argonaut zich gebaseerd op via de huisarts ontvangen informatie van de behandelde sector, waaronder een brief van de reumatoloog uit 2019. Vanwege de mededeling van appellante dat haar medische situatie de afgelopen jaren was verslechterd, had het in de rede gelegen om bij de behandelde sector na te vragen of er actuelere medische informatie voorhanden was, zodat die bij het medisch advies kon worden betrokken. Dat dat is gebeurd, is de Raad niet gebleken en ook dat acht de Raad onzorgvuldig.
Conclusie en gevolgen
Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd, voor zover de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De Raad draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hiervoor zal het college nieuw (medisch) onderzoek moeten doen naar de beperkingen en ondersteuningsbehoefte van appellante, waarbij recente medische informatie van de behandelende sector dient te worden betrokken. Appellante zal moeten meewerken aan een dergelijk onderzoek. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, te weten de reiskosten van appellante in verband met het bijwonen van de zitting in hoger beroep, zijnde € 52,-. Er is geen aanleiding de in hoger beroep gevorderde verletkosten van € 100,- te vergoeden, aangezien die kosten niet zijn onderbouwd. In hoger beroep is geen griffierecht geheven van appellante.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2024 in stand zijn gelaten;
-
draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
-
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 52,-.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2.3.5
(…)
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
(…)