Socialezekerheidsrecht

Afwijzing verzoek om wraking. Verzoek kennelijk ongegrond en daarom op grond van artikel 8:18, derde lid, Awb…

Centrale Raad van Beroep, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
25/235 ANW-W
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1370
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek om wraking. Verzoek kennelijk ongegrond en daarom op grond van artikel 8:18, derde lid, Awb zonder behandeling ter zitting afgedaan.

Uitspraak

25/235, 25/236, 25/237 ANW-W

Datum beslissing: 20 oktober 2026

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2024, 22/7086, 23/5715 en 23/6788.

Met een brief van 29 juli 2026 heeft de Raad verzoekster geïnformeerd dat het hoger beroep wordt behandelend op de zitting van 17 september 2026 door A. Hoogenboom (behandelend rechter).

Op 17 september 2026 heeft verzoekster vlak voor aanvang van de zitting per e-mail verzocht om wraking van de behandelend rechter.

Bij brief van 24 september 2026 heeft de behandelend rechter op het verzoek om wraking gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

1.2.

Ingevolge artikel 8:18, derde lid, van de Awb kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen.

2. Verzoekster heeft verzocht om wraking van de behandelend rechter, omdat zij het niet eens is met verschillende procesbeslissingen die zijn genomen voorafgaand aan de geplande behandeling ter zitting op 17 september 2026, waaronder de afwijzing van een uitstelverzoek en beslissingen op verzoeken met betrekking tot de stukken. Daarnaast heeft verzoekster haar ongenoegen geuit over de verwijzing naar de uitnodiging voor de behandeling ter zitting in reactie op haar vragen over wie de behandelend rechter is.

3.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.2.

Een verzoek om wraking is in ieder geval ongegrond als het betrekking heeft op een procesbeslissing van de rechter of de motivering daarvan, tenzij uit deze motivering blijkt dat sprake is van vooringenomenheid van de behandelend rechter. Voor dat laatste bevat het verzoek geen enkel aanknopingspunt. Verder kan ook uit het door verzoekster geuite ongenoegen over de wijze van communiceren van de naam van de behandelend rechter geen vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid. De Raad is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie, bedoeld in artikel 8:18, derde lid, van de Awb, waarin op voorhand duidelijk is dat wat verzoekster ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht niet de conclusie kan dragen dat sprake is van een wettelijke grond voor wraking.

4. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De Raad zal daarom het verzoek om wraking zonder behandeling ter zitting afwijzen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en J.D. Streefkerk en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

De griffier De voorzitter

(getekend) P.W.J. Hospel (getekend) T. Dompeling

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36463, nr. 3, p. 18.