Socialezekerheidsrecht
Gedeeltelijke toekenning bijstand. Beëindigend zelfstandige. Geen levensvatbaar bedrijf. Tussen partijen is…
ECLI:NL:CRVB:2026:720 · Centrale Raad van Beroep · 26 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-720
Zaakgegevens
Op 26 mei 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 mei 2026
- Datum publicatie
- 3 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/972 BBZ-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:720
Samenvatting
Gedeeltelijke toekenning bijstand. Beëindigend zelfstandige. Geen levensvatbaar bedrijf. Tussen partijen is in geschil of het taxibedrijf van appellant levensvatbaar is. Aan de aangifte inkomstenbelasting 2022 en de latere lagere huurlasten komt in dat verband geen betekenis toe. Verder blijkt uit het rapport van het adviesbureau dat er naast hoge huurlasten sprake was van hoge zakelijke schulden van in totaal € 18.700,- en hoge privé-schulden van in totaal € 21.250,-. Om die reden is volgens de deskundige van het adviesbureau een omzet van € 78.000,- nodig in plaats van een marktconforme omzet van € 42.000,-. Ook als ten tijde van belang wel de verwachting was dat in 2022 een marktconforme omzet zou worden behaald en de privé-schulden buiten beschouwing zouden zijn gelaten, zou dus nog geen sprake zijn van een levensvatbaar bedrijf.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24 972 BBZ-PV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2024, 22/3136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Zitting hebben: J.T.H. Zimmerman als voorzitter, E.C.E. Marechal en C.F.E. van OldenSmit als leden
Griffier: S. Ploum
Voor appellanten is mr. H. Oldenhof, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Doeve.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
2. Appellant is sinds 24 februari 2016 eigenaar van een taxibedrijf. In verband daarmee hebben appellanten op 4 oktober 2021 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het adviesbureau “Onderneem Consultancy” (adviesbureau) in opdracht van het college een onderzoek ingesteld naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van oktober 2021 (rapport). In het rapport heeft het adviesbureau geconcludeerd dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Het adviesbureau heeft het college geadviseerd aan appellant uiterlijk tot en met december 2021 bijstand te verlenen als beëindigende zelfstandige.
3. Het college heeft daarop en met verwijzing naar het rapport met een besluit van 27 oktober 2021 (besluit 1) appellant als beëindigende zelfstandige aangemerkt en aan appellanten bijstand over de maanden oktober, november en december 2021 toegekend. Appellanten hebben op 3 januari 2022 een aanvraag ingediend om verlenging van bijstand. Met een besluit van 24 januari 2022 (besluit 2) heeft het college die aanvraag afgewezen. Met een besluit van 12 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
4. Appellanten zijn het niet eens met het standpunt van het college dat hun taxibedrijf niet levensvatbaar was. Appellanten hebben daartoe aangevoerd dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2022 blijkt dat het na de periode waar het hier over gaat wel goed ging met het bedrijf en er wel een marktconforme omzet is behaald in het jaar 2022. Daarnaast hadden appellanten op enig moment na de besluiten op hun aanvragen lagere huurkosten vanwege hun verhuizing. Verder moet bij het beantwoorden van de vraag of een bedrijf levensvatbaar is, onderscheid worden gemaakt tussen zakelijke schulden en privé-schulden. Voor privé-schulden kan altijd wat geregeld worden en die moeten dus bij de beoordeling van de levensvatbaarheid buiten beschouwing blijven. Deze beroepsgronden slagen niet.
Tussen partijen is in geschil of het taxibedrijf van appellant levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het gaat hier om een aanvraag. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
Een bedrijf of zelfstandig beroep is levensvatbaar als de zelfstandige daaruit naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overig inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het inkomen zal dus toereikend moeten zijn om alle aflossingsverplichtingen na te komen, het bedrijf op peil te houden en te voorzien in de kosten van het bestaan.
De levensvatbaarheid van een bedrijf wordt beoordeeld naar de situatie van het bedrijf op het moment dat het besluit op de aanvraag wordt genomen. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. Het gaat om de verwachting op een bepaald moment over de toekomst van het bedrijf. Dat is vaste rechtspraak.
Uit 4.3 volgt dat aan de aangifte inkomstenbelasting 2022 en de latere lagere huurlasten geen betekenis toekomt. Verder blijkt uit het rapport van het adviesbureau dat er naast hoge huurlasten sprake was van hoge zakelijke schulden van in totaal € 18.700,- en hoge privé-schulden van in totaal € 21.250,-. Om die reden is volgens de deskundige van het adviesbureau een omzet van € 78.000,- nodig in plaats van een marktconforme omzet van € 42.000,-. Ook als ten tijde van belang wel de verwachting was dat in 2022 een marktconforme omzet zou worden behaald en de privé-schulden buiten beschouwing zouden zijn gelaten, zoals appellanten bepleiten, zou dus nog geen sprake zijn van een levensvatbaar bedrijf, gelet op de hoge zakelijke schulden en huurlast. Om die reden behoeft hun beroepsgrond overigens geen bespreking meer.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) J.T.H. Zimmerman