Socialezekerheidsrecht

Bbz. Bedrijfskapitaal. IMK-advies. Zorgvuldig. Ongegrond.

Rechtbank Oost-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
25/708
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7354
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bbz. Bedrijfskapitaal. IMK-advies. Zorgvuldig. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/708

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen


[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats], tezamen genoemd: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college

(gemachtigde: mr. J.C.N. van Dijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geweigerd de Bbz-uitkering van eisers te verlengen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een Bbz-uitkering. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

Eisers hebben op 6 en 11 oktober 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiser is sinds 1 januari 2004 zelfstandig financieel consultant. Hij richt zich daarbij vooral op inkoopprocessen voor de zakelijke markt. De exploitatie is juridisch vormgegeven middels een holding ([naam 1]), een werkmaatschappij ([naam 2]) en een eenmanszaak ([naam 3]).

3.1.

Eiser heeft eerder een beroep gedaan op het Bbz, namelijk in 2017, 2019 en 2020. Uit de verslaglegging naar aanleiding van deze eerdere aanvragen volgt dat sprake is van structureel hoge privé-uitgaven. Het college heeft eiser ook steeds geadviseerd om strakker te budgetteren en waar mogelijk verdere kostenbesparingen door te voeren. De laatste aanvraag uit 2020 werd uiteindelijk afgewezen omdat er geen aflossingscapaciteit was.

3.2.

Eisers hebben zich in februari 2024 gemeld bij de afdeling Schulddienstverlening van de gemeente Eindhoven voor een schuldhulpverlening voor een openstaande schuld van ongeveer € 470.000,-. Omdat eiser als zelfstandig ondernemer bekend was bij de gemeente, was er een specialist van het team Zelfstandigen aanwezig bij het intakegesprek. De specialist was aanvankelijk terughoudend ten aanzien van de vraag of het zinvol was om een aanvraag op grond van het Bbz in te dienen gezien de eerdere afgewezen aanvragen. Eisers gaven echter aan dat de bedrijven nu wel levensvatbaar zouden zijn omdat er een structurele aflossingsregeling loopt met de Belastingdienst en er sprake zou zijn van een structureel inkomen vanuit de onderneming tot en met in ieder geval eind 2025. Er is daarom alsnog beoordeeld of het indienen van een aanvraag zinvol was en op 3 mei 2024 heeft het college eiser geadviseerd om een Bbz-uitkering aan te vragen.

3.3.

Eisers hebben dan ook op 21 juni 2024 opnieuw een bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende geldlening aangevraagd op grond van de Participatiewet (Pw) en het Bbz ter sanering van schulden.

3.4.

Op 15 juli 2024 heeft het college aan eisers laten weten dat de behandeling van hun aanvraag langer duurt omdat een adviseur van het Instituut voor het midden- en kleinbedrijf (IMK) onderzoek gaat doen naar de levensvatbaarheid van de bedrijven. Het IMK heeft in een rapport van 12 september 2024 geconcludeerd dat de bedrijven van eiser niet levensvatbaar zijn. Het IMK verwacht niet dat na bijstandverlening het inkomen toereikend is voor de voortzetting van de bedrijven en voor de voorziening in de kosten van het bestaan en adviseert het college dan ook de aanvraag af te wijzen. Het IMK adviseert eiser om zijn privéwoning te verkopen en met de restopbrengsten de schulden af te kopen en om zeer forse besparingen in het privé door te voeren met ondersteuning door professionele derden waarbij vrijwillige bewindvoering een serieuze optie is.

3.5.

Met het primaire besluit heeft het college besloten om eiser geen bedrijfskapitaal te verstrekken omdat zijn bedrijven niet levensvatbaar zijn. Het college legt aan dit besluit het advies van het IMK ten grondslag. Tegen het primaire besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

3.6.

Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft ook hieraan het advies van het IMK ten grondslag gelegd. Het college wijst erop dat voor een levensvatbaar bedrijf het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Een bijstandverlenend orgaan kan zich bij de besluitvorming inzake vragen over levensvatbaarheid van bedrijven baseren op adviezen van deskundige instanties zoals het IMK. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid is de situatie op het moment van het besluit op de aanvraag bepalend. Het college erkent dat de bedrijven inmiddels goede resultaten hebben en dat eiser kan worden aangemerkt als een gevestigd ondernemer. In het onderzoek van het IMK is echter een aantal omstandigheden betrokken op grond waarvan alsnog een negatief advies is uitgebracht. Zo zijn de privéonttrekkingen van gemiddeld € 14.700,- per maand veel te hoog. Eiser is ondanks zijn vakkundige kennis en de goede bedrijfsresultaten niet in staat om zijn privéuitgaven te beteugelen en om aan de belastingplicht te voldoen. Verder is het totale eigen vermogen sterk negatief (- € 356.000,-). Omdat de begrote besparingen niet groot genoeg zijn en het resterende negatieve eigen vermogen in enkele jaren niet positief zal worden, stelt het IMK vast dat verlening van bijstand niet verantwoord is. De bedrijven hebben op basis van een prognosescenario geen aflossingscapaciteit. Er kan niet worden voldaan aan de verplichting omtrent een indicatief saneringskrediet van € 120.000,-. Daarnaast is de rekening-courantverhouding opgelopen tot ruim € 500.000,-, hetgeen resulteert in een belastinglatentie. Verder dient er een DGA-salaris te worden uitbetaald omdat sprake is van een BV, maar dit gebeurt niet. Het college heeft ook betrokken dat in de BV sprake is van een stamrecht- en een oudedagsverplichting van circa € 300.000,- waar geen activa tegenover staan en ook hierover zal te zijner tijd een fiscale afrekening plaats moeten vinden. Daarnaast wordt er geen voorlopige aanslag over de jaren 2024 en 2025 betaald, waardoor eiser steeds achter de feiten aanloopt. Dit probleem doet zich al sinds 2015 voor. Gelet op de schuldenpositie bestempelt het college tot slot het uitgavenpatroon als onverantwoord.

Standpunten van partijen

4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en stellen zich op het standpunt dat de situatie van de bedrijven is verbeterd. Per 1 juli 2026 wordt het contract in ieder geval tot eind 2027 verlengd met een tariefstijging van 20% waardoor alleen de jaaromzet uit consultancy uren naar € 250.000,- per jaar stijgt met daarnaast nog een verwachte inkomsten in double payment concept tussen de € 50.000,- en € 100.000,-. Verder wijzen eisers erop dat de waarde van hun huis inmiddels rond de € 1.300.000,- ligt met een overwaarde van € 500.000,-. Eisers hebben de intentie om het huis te verkopen als zij een passende oplossing hebben, de prijzen op de woningmarkt stagneren en het met de gezondheid van hun zoon beter gaat. De coronaregeling loopt verder nog tot en met oktober 2027, wat betekent dat er meer ruimte komt om courante schulden te gaan aflossen. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met actuele ontwikkelingen. Het klopt dat de privéonttrekkingen in het verleden te hoog waren. Inmiddels zijn de privéonttrekkingen nog maar € 6.870,- per maand inclusief € 2.200,- aan hypotheeklast. Eisers totale belastingschuld is nog maar € 285.134,-. De rekening-courantverhouding is teruggebracht tot ongeveer € 440.000,-. Er is binnen de BV een totale verplichtingenpositie van ongeveer € 940.000,-. Hier staat tegenover de hoge overwaarde van de eigen woning en structureel hoog inkomen. Gelet hierop is er voldoende perspectief om de bestaande verplichtingen af te lossen. De huidige situatie is daarmee wezenlijk anders dan de situatie waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

4.1.

Het college handhaaft het standpunt zoals vermeld in het bestreden besluit. Het gaat om de feiten en omstandigheden zoals deze waren ten tijde van het besluit op de aanvraag. Daarom zijn de actuele ontwikkelingen niet relevant. Eisers kunnen een nieuwe Bbz-aanvraag indienen. Daarbij zullen wel ook alle onderliggende stukken worden bekeken.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college op goede gronden de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Bbz heeft afgewezen, omdat zijn bedrijven niet levensvatbaar zijn.

6.1.

Nu het hier gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) op eisers. Dit betekent dat eisers aannemelijk moeten maken dat hun bedrijven levensvatbaar waren ten tijde van het besluit op de aanvraag. Het moet dan gaan om een naar verwachting toereikend inkomen, na bijstandsverlening, voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag bepalend. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.

6.2.

Een bijstandverlenend orgaan kan zich bij zijn besluitvorming inzake vragen over levensvatbaarheid van bedrijven baseren op concrete adviezen van deskundige instanties zoals het IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen concrete aanknopingspunten gegeven om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van het advies van het IMK. Het IMK heeft de door eiser verstrekte (financiële) gegevens bij de rapportage betrokken en de rechtbank ziet geen aanwijzingen dat deze gegevens onvoldoende zijn betrokken bij de oordeelsvorming van het IMK. Ter zitting hebben eisers nog gesteld dat een aantal zaken niet is meegenomen in het IMK-rapport. De rechtbank volgt eisers hierin niet. In tegenstelling tot hetgeen eisers betogen, is in de rapportage wel rekening gehouden met de forecast. Bovendien is dit punt niet doorslaggevend. Uit het rapport komt immers naar voren dat het probleem voor eisers met name is gelegen in de hoge schulden en privéonttrekkingen. Verder zou de in coronatijd ontstane schuld niet zijn meegenomen. Nog daargelaten dat eisers deze stelling niet hebben onderbouwd, draagt de omstandigheid dat sprake zou zijn van een extra schuld juist bij aan het standpunt van het college. Verder zijn de conclusies van het IMK voldoende onderbouwd. Het college heeft dit advies dan ook ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming.

6.4.

Nu het college zich op het IMK-advies heeft mogen baseren, is het aan eisers om aannemelijk te maken dat dit advies onjuist is. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijven, in weerwil van het IMK-advies, wel levensvatbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen objectieve financiële of bedrijfseconomische gegevens hebben overgelegd die reden vormen om te twijfelen aan de IMK-rapportage. Dat het bedrijf inmiddels goede resultaten behaalt, zoals eisers nader hebben onderbouwd met de aanvullende stukken van 6 oktober 2026 en omschreven in 4, wil niet zeggen dat het IMK-rapport onjuist is. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid is immers de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag van belang. Om die reden al kunnen nieuwe (en toekomstige) ontwikkelingen zoals een omzetstijging vanaf 1 juli 2026, een ruimere mogelijkheid om schulden af te lossen of een forse waardestijging van de eigen woning van eisers ook niet afdoen aan de juistheid van het IMK-advies. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet

Artikel 78f

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;

(…)

Artikel 2

1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:

a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;

b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is;

c. de zelfstandige geboren voor 1 januari 1960, wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen.

2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.

(…)

Het college wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 30 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1925. Het college wijst op de uitspraak van de Raad van 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4408. Het college wijst op de uitspraak van de Raad van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:516. Het IMK heeft een liquiditeitsontwikkeling gemaakt (bijlage 9 bij het IMK-advies) waaruit volgt dat eiser niet aan de verplichtingen zal kunnen voldoen in de komende jaren. Directeur Grootaandeelhouder. Zoals recent nog bevestigd door de Raad op 26 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:720. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194 en 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2629. Zie de pagina’s 15 en 16 van het IMK-rapport, onder ‘ontwikkelingen’ en ‘perspectief’.