Socialezekerheidsrecht

Wmo. Autoaanpassing. Onderzoek. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de noodzakelijkheid van…

Rechtbank Oost-Brabant, 26 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
25/403
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7510
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wmo. Autoaanpassing. Onderzoek.

Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de noodzakelijkheid van de door eiseres gewenste autoaanpassing. Ook heeft het college de concrete ondersteuningsbehoefte onvoldoende vastgesteld. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/403


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.J.L.M. van den Reek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en mr. N. Adams).

Samenvatting

1. Aan eiseres is een autoaanpassing van haar eigen auto toegekend. Eiseres vindt dat ten onrechte drie elementen in het programma van eisen ontbreken. Volgens eiseres moet de auto na de aanpassingen ook beschikken over een ergonomische bijrijdersstoel, luchtvering en uitgebreidere klimaatvoorzieningen. Ook is eiseres van mening dat het college een allrisk verzekering had moeten vergoeden, in plaats van WA+ beperkt casco.

1.1.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Doordat onvoldoende onderzoek is gedaan, kan de rechtbank niet beoordelen of de door eiseres gewenste aanpassingen noodzakelijk zijn. Daarvoor zal het college eerst nader onderzoek moeten doen. Over de gewenste verzekering oordeelt de rechtbank dat het college heeft mogen volstaan met een vergoeding voor de WA+ beperkt cascoverzekering.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vervoersvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 november 2023 (primair besluit 1) afgewezen. Met het besluit van 18 juli 2024 (primair besluit 2) heeft het college het besluit van 2 november 2023 gedeeltelijk herzien en aan eiseres voor de duur van een half jaar een maatwerkvoorziening elektrische rolstoel verstrekt. Met het besluit van 20 december 2024 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit 1) heeft het college de primaire besluiten herroepen. Ook heeft het college met dit besluit een maatwerkvoorziening elektrische rolstoel in bruikleen toegekend met ingang van 18 juli 2024 voor onbepaalde duur. Verder heeft het college met ingang van 1 januari 2025 voor de duur van twee jaar een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een rolstoeltaxi verstrekt.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.

2.2.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft partijen op 23 september 2025 uitgenodigd voor een zitting op 21 oktober 2025. Partijen hebben op 6 oktober 2025 de rechtbank verzocht om uitstel van de zitting.

2.4.

Het college heeft met het besluit van 23 april 2026 (bestreden besluit 2) het bestreden besluit 1 aangepast voor zover daarbij een vervoersvoorziening is verstrekt en aan eiseres op grond van de Wmo een maatwerkvoorziening auto-aanpassing conform het programma van eisen (pve) en een vergoeding van de verzekering op basis van WA+ beperkt casco, onderhoud en motorrijtuigenbelasting verstrekt.

2.5.

Eiseres heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit 2 en hiertoe gronden aangevoerd. Ook heeft eiseres verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn.

2.6.

Het college heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

2.7.

De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigden van het college.

Feiten en omstandigheden

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3. Eiseres is een 22-jarige vrouw die bekend is met CVS/ME. Hierdoor ervaart zij ernstige beperkingen bij het voorzien in haar vervoersbehoefte. Zij heeft zich met een brief van 4 december 2022, door het college ontvangen op 5 december 2022, gemeld bij het college in het kader van de Wmo. Naar aanleiding van deze melding heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Ook is medisch advies opgevraagd bij Argonaut.

3.1.

Het college wijst met primair besluit 1 de aanvraag van eiseres af. Volgens het college volgt uit medische adviezen dat eiseres 800 meter kan lopen, 30 minuten kan staan en 2 uur kan zitten. Het college stelt zich op basis hiervan op het standpunt dat deze mogelijkheden voldoende zijn om in en om de woning te kunnen lopen en de woning te kunnen bereiken. Ook geeft het college aan dat behandeling kan leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Het college ziet geen noodzaak voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening rolstoel. Omdat er geen rolstoel noodzakelijk is, is ook geen elektrische ondersteuning voor een rolstoel en een aanpassing van de auto om de rolstoel mee te nemen, noodzakelijk.

3.2.

Eiseres maakt tegen primair besluit 1 bezwaar.

3.3.

Het college verzoekt naar aanleiding van het bezwaar Argonaut om een aanvullend medisch advies te geven. De medisch adviseur stelt vervolgens een concept aanvullend medisch advies op. Eiseres maakt echter gebruik van haar blokkeringsrecht. Daarna stuurt eiseres het concept aanvullend medisch advies samen met haar reactie op dit concept naar het college. Het college vraagt vervolgens aan de medisch adviseur van Argonaut om een verduidelijking van het advies. Op 15 mei 2024 stelt de medisch adviseur een aanvullend rapport op. De medisch adviseur komt hierin niet tot een andere conclusie dan in de eerdere medische adviezen. Op diezelfde dag belt een medewerker van het college met de medisch adviseur over het verschil tussen de bevindingen van de medisch adviseur en de cardioloog van eiseres. Volgens de medisch adviseur ontstaat dit verschil doordat de cardioloog zijn bevindingen heeft gebaseerd op de verklaringen van eiseres zonder zelf onderzoek te verrichten. De medisch adviseur constateert dat het slecht functioneren van eiseres medisch gezien niet te verklaren is vanuit het ziektebeeld. In deze onduidelijkheid ziet het college aanleiding om meer onderzoek te doen. Ook ziet het college aanleiding om in de tussentijd een elektrische rolstoel te verstrekken.

3.4.

Het college herziet met primair besluit 2 gedeeltelijk primaire besluit 1 en verstrekt aan eiseres een maatwerkvoorziening elektrische rolstoel voor de duur van een half jaar.

3.5.

De bezwaarschriftencommissie van de gemeente Helmond brengt op 12 juni 2024 een advies uit. Deze commissie adviseert om primair besluit 1 te herzien. Het college geeft vervolgens medTadvies en Factum Advies (Factum) de opdracht om onderzoek te doen naar de beperkingen van eiseres en de noodzakelijke voorzieningen. Factum geeft daarna de opdracht terug aan het college. Hierbij laat Factum weten dat zij door de namens eiseres gestelde voorwaarden, sturende vragen en geuite bedreigingen er geen vertrouwen meer in hebben het adviesproces tot een constructief einde te kunnen brengen. Factum stuurt met dit bericht het concept advies met de opmerkingen van eiseres hierop mee. Vervolgens neemt het college bestreden besluit 1.

3.6.

Met het bestreden besluit 1 beslist het college als volgt. Het college:

  • herroept de primaire besluiten;

  • verstrekt met ingang van 18 juli 2024 voor onbepaalde duur een maatwerkvoorziening elektrische rolstoel aan eiseres;

  • verstrekt vanaf 1 januari 2025 voor de duur van twee jaar aan eiseres een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een rolstoeltaxi ter hoogte van € 9.944,- per kalenderjaar.

Het college legt aan het bestreden besluit 1 het concept medisch advies van MedTadvies en het concept advies van Factum ten grondslag. Hieruit volgt dat er een noodzaak bestaat voor een elektrische rolstoel. Verder volgt hieruit dat eiseres geen gebruik kan maken van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Het college ziet een financiële tegemoetkoming waarmee eiseres individueel per rolstoeltaxi kan reizen voor de duur van twee jaar op dit moment als de goedkoopst adequate oplossing. In deze twee jaar kan mogelijk meer duidelijk worden over de maatschappelijke activiteiten die eiseres fysiek gezien kan ondernemen en eventuele verbetering in functioneren door de toegekende voorzieningen.

3.7.

Eiseres stelt tegen het bestreden besluit 1 beroep in.

3.8.

Het college vervangt met het bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 voor zover daarbij aan eiseres een vervoersvoorziening is verstrekt. Het college verstrekt met dit besluit aan eiseres een maatwerkvoorziening auto-aanpassing van haar eigen auto conform het bijgevoegde programma van eisen (pve) en een vergoeding van de verzekering op basis van WA+ beperkt casco, onderhoud en motorrijtuigenbelasting. Het college legt hieraan ten grondslag dat aanpassing van een bus de goedkoopst adequate voorziening is. Het college stelt zich op dit aangepast standpunt als gevolg van de nieuwe informatie over de toekenning van een Wajong-uitkering aan eiseres en de uitslag van de keuring door het CBR. Volgens het college is in het pve geen ergonomische bijrijdersstoel opgenomen, omdat deze maatwerkvoorziening is bedoeld zodat eiseres zich zelfstandig kan verplaatsen. Het college gaat er daarbij vanuit dat eiseres de bus zal besturen. In uitzonderlijke situaties kan zij als passagier in de rolstoel vervoerd worden als er een andere bestuurder is. Om dit mogelijk te maken is alleen de toevoeging van een driepuntsgordel nodig. Deze geringe autoaanpassing is daarom opgenomen in het pve. Voor de bestuurder is er een ergonomische bestuurdersstoel in het pve opgenomen. De voorgevormde zitting en rugleuning ondersteunen de romp en houden deze stabiel. Ook is er rekening gehouden met verwarming en indien mogelijk koeling van de bestuurdersstoel. Dit vanwege instabiliteit van het zenuwstelsel van eiseres bij temperatuurwisselingen. Ook hierbij gaat het college ervanuit dat eiseres zelf de bus bestuurt. Het college ziet op basis van het medisch advies geen aanleiding om luchtvering aan te brengen. Een auto is geveerd en de ergonomische stoel houdt de romp stabiel.

Standpunten van partijen

4. Eiseres is het niet eens met bestreden besluit 2. Volgens haar is ten onrechte geen luchtvering in het pve opgenomen. Volgens eiseres heeft het college wel een luchtvering opgenomen in het pve van de verstrekte mwv auto-aanpassing van haar vader die minder last heeft van dezelfde aandoening dan zij. De gewone vering van een auto levert te veel klappen op het lichaam van eiseres op en dit doet haar pijn en kost haar veel energie. De ergonomische bestuurdersstoel compenseert dit onvoldoende. Het college heeft hier ten onrechte geen onderzoek naar gedaan. Het had op de weg van het college gelegen om hierover een nieuw medisch advies te vragen. Ter onderbouwing van haar standpunt legt eiseres een bericht van haar ergotherapeut over. De ergonomische bijrijdersstoel is volgens eiseres noodzakelijk, omdat het voorkomt dat zij door haar beperkte energie soms niet in staat zal zijn om zelf te kunnen rijden. In zo’n geval moet iemand anders de auto besturen. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres achterin de aangepaste bus in de elektrische rolstoel vervoerd kan worden. Hiermee miskent het college echter dat de elektrische rolstoel een eigen veer heeft en als gevolg hiervan gaat de stoel tijdens het rijden heen en weer. Dit levert een instabiele situatie op, waar eiseres niet tegen kan. Zij zal daarom in die situaties op de bijrijdersstoel moeten worden vervoerd. Daarom is ook een ergonomische bijrijdersstoel noodzakelijk. Verder is de huidige verwarming en airco onvoldoende om de volledige bus te verwarmen en koelen. Terwijl de bus vanwege de aandoening van eiseres een stabiele temperatuur moet hebben. Door de auto-aanpassing verdwijnt het schot achter de bestuurders- en bijrijdersstoel. Daardoor moet de airco een veel grotere ruimte koelen. Daarom is er ook een airco met een grotere capaciteit nodig. Bovendien is eiseres van mening dat het college ten onrechte geen vergoeding voor een allriskverzekering heeft verstrekt. De bus is haar eigendom. Als eiseres een ongeluk krijgt en de auto total loss is dan is zij niet in staat om een nieuwe auto te kopen. Het is voor het college goedkoper als de bus allrisk wordt verzekerd, dan om later een nieuwe bus te moeten kopen. Ten slotte verzoekt eiseres de rechtbank om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

4.1.

Het college betoogt dat de gewenste luchtvering niet nodig is. De Wmo-consulent en het aanpasbedrijf (Welzorg) hebben een vertaalslag gemaakt van het medisch advies van medTadvies naar het pve. Volgens het college volgt uit dit advies geen noodzaak voor de luchtvering. Er wordt door de medisch adviseur niet gesproken over schokken op het lichaam, maar over instabiliteit. De ergonomische bestuurdersstoel biedt hiervoor voldoende ondersteuning. Ten aanzien van de gewenste ergonomische bijrijdersstoel en aanvullende klimaatvoorzieningen betoogt het college dat deze aanpassingen niet noodzakelijk zijn. Het college gaat ervan uit dat eiseres zelf de bus bestuurt. Daarvoor is de auto-aanpassing ook bedoeld, zodat zij zelfstandig kan participeren. Slechts in uitzonderlijke situaties zal zij niet zelf de bus besturen. In zo’n uitzonderlijke situatie kan zij achterin de bus plaatsnemen met haar elektrische rolstoel. Het college ziet daarom geen noodzaak voor het verstrekken van deze door eiseres gewenste aanpassingen. Ten slotte stelt het college zich op het standpunt dat hij de goedkoopst adequate voorziening kan verstrekken. Daarom heeft het college terecht een vergoeding voor de kosten van een WA+ beperkte cascoverzekering verstrekt. Mocht er iets met de auto gebeuren dat niet gedekt wordt door de verzekering dan kan eiseres dit bij het college melden. Gedurende de normale afschrijvingstermijn verstrekt het college niet opnieuw een voorziening, maar hierop geldt een uitzondering als dit komt door omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen. Het college kijkt dan wat de goedkoopst adequate oplossing is. Dit kan reparatie of vervanging zijn. Voor het college weegt dit risico niet op tegen de structurele hogere kosten van een allrisk verzekering.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is nog in geschil?

5. Het college heeft met bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 gedeeltelijk gewijzigd. De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat eiseres hierdoor geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom niet-ontvankelijk. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep echter van rechtswege ook gericht tegen bestreden besluit 2. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd tegen bestreden besluit 2. De rechtbank zal deze beroepsgronden hierna bespreken.

Heeft het college voldoende en zorgvuldig onderzoek gedaan.

5.1.

Eiseres betoogt dat het college onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Dit betoog slaagt. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.

5.1.1.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving . Vervolgens moet het onderzoek erop gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.

5.1.2.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het college ten onrechte geen aanvullend medisch advies heeft opgevraagd in verband met de verzochte luchtvering. Hiertoe is van belang dat in het medisch advies van medTadvies is vermeld dat eiseres last heeft van instabiliteit van haar vegetatieve zenuwstelsel, gepaard gaande met acute vaatveranderingen en bloeddrukdalingen bij houdingsveranderingen en temperatuurwisselingen. De klachten treden al op na enkele seconden bij iedere houding behalve liggen. Vanwege de instabiliteit van het vegetatieve zenuwstelsel is de houding instabiel en moet eiseres worden ondersteund bij het zitten. De rechtbank leidt hieruit af dat wisseling van houding kan leiden tot klachten bij eiseres en zij daardoor beperkingen ervaart. Het is onduidelijk wat de medisch adviseur heeft bedoeld met de woorden ‘iedere houding’. Het college betoogt dat hiermee niet wordt bedoeld wisselende houding tijdens het rijden bijvoorbeeld als gevolg van het rijden over drempels. De rechtbank kan dit betoog zonder nader onderzoek hierna niet zonder meer volgen. Iedere houding impliceert immers alle veranderingen van houding. Het had op de weg van het college gelegen om hierover navraag te doen bij de medisch adviseur, zodat het college kan vaststellen of er een noodzaak bestaat voor de verzochte luchtvering. Dit geldt te meer nu eiseres tijdens de zitting heeft verklaard dat zij ook bij kleine houdingswisselingen, zoals voorover buigen, al duizelig wordt en andere klachten ervaart. Bovendien heeft het college tijdens de zitting ook verklaard dat hij naar aanleiding van de gemaakte afspraken met eiseres tijdens de voorlopige voorziening voornemens was een nieuw medisch advies op te vragen voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van de luchtvering. Het college heeft dit nog niet opgevraagd omdat als gevolg van deze uitspraak er mogelijk over meer punten een medisch advies moet worden opgevraagd. Het college heeft op dit punt dus onvoldoende onderzoek verricht. Als gevolg hiervan kan de rechtbank ook niet beoordelen of de luchtvering noodzakelijk is om te voldoen aan artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo.

5.1.3.

Verder heeft het college onvoldoende in kaart gebracht hoe vaak eiseres als gevolg van haar beperkingen niet in staat zal zijn om de (aangepaste) auto te gebruiken. Het is voor de rechtbank daardoor onduidelijk hoe vaak eiseres de (aangepaste) auto niet zelf kan besturen en zij dus als passagier zal moeten worden vervoerd. Hierbij is enerzijds van belang dat onduidelijk is hoe vaak eiseres als gevolg van haar medische beperkingen niet in staat is de auto te besturen. Anderzijds is van belang dat uit het dossier niet volgt dat het college de concrete vervoersbehoefte van eiseres heeft vastgesteld. Zo zal eiseres als gevolg van haar medische situatie meer dan gebruikelijk naar doktersafspraken moeten. En, eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij dit jaar bijvoorbeeld vier keer onder narcose is geweest en daarna niet in staat was om zelfstandig terug naar huis te rijden. Kortom, uit het dossier volgt niet dat het college heeft vastgesteld wat de concrete vervoersbehoefte van eiseres is, in hoeverre zij hier zelf in kan voorzien en in hoeverre zij hiervoor afhankelijk is van anderen. Het college stelt zich op het standpunt dat de verstrekte maatwerkvoorziening zijnde een autoaanpassing met het huidige pve een passende bijdrage levert, omdat deze als doel heeft dat eiseres zich zelfstandig kan verplaatsen. Door de eerdergenoemde onduidelijkheid kan de rechtbank niet beoordelen of dit standpunt in overeenstemming is met artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo.

Tussenconclusie

5.2.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit 2 is genomen in strijd met de artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 2.3.2 van de Wmo. Alleen al hierom is het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en moet dit besluit worden vernietigd. De rechtbank acht het opportuun om in het kader van de finale geschilbeslechting ook nog een oordeel te geven over het betoog van eiseres over de gewenste allrisk verzekering.

Heeft het college kunnen volstaan met de WA+ beperkt cascoverzekering?

5.3.

Eiseres betoogt dat het college ten onrechte geen vergoeding voor een all riskverzekering heeft verstrekt. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.

5.3.1.

Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het college bij de beoordeling van de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo mag uitgaan van de goedkoopst adequate oplossing.

5.3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college gelet op deze vaste rechtspraak zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de WA+ beperkt cascoverzekering de goedkoopst adequate oplossing is. Het college heeft er in dit kader terecht op gewezen dat de door eiseres gewenste verzekeringen € 165,- per maand duurder is dan de door het college verstrekte verzekering. De mogelijke toekomstige omstandigheid dat er een ongeluk kan gebeuren, de auto total loss wordt verklaard en vervanging duurder is dan de hogere premie, leidt niet tot een ander oordeel. Hoe invoelbaar dit standpunt van eiseres ook is, is dit een mogelijke toekomstige gebeurtenis waarmee het college terecht geen rekening heeft gehouden.

Tussenoplossing

5.4.

Tijdens de procedure over de voorlopige voorziening hebben eiseres en het college een tussenoplossing afgesproken. Deze tussenoplossing loopt binnenkort af. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens zijn laatste termijn van de zitting de rechtbank verzocht om dit aspect bij het beroep te betrekken. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres dit te laat in de procedure naar voren heeft gebracht. Het college betoogt dat dit aspect daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. De rechtbank volgt dit standpunt van het college. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beroepsprocedure al sinds 31 januari 2025, dus al ruim 1 jaar en negen maanden, aanhangig is. Bovendien is al veel langer bekend dat de tussenoplossing binnenkort afloopt. Gelet hierop en de lange duur van de huidige procedure heeft eiseres ruim de gelegenheid gehad om dit aspect eerder naar voren te brengen. Nu eiseres dit aspect pas zo laat in het geding heeft gebracht, heeft het college zich hier niet adequaat op kunnen voorbereiden. Daarom is sprake van strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal dit aspect daarom buiten de beoordeling houden.

Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

5.5.

Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.5.1.

Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. In zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, is in beginsel een totale behandelduur van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank ziet aanleiding om van een langere behandelingsduur voor de beroepsfase uit te gaan dan anderhalf jaar. Partijen hebben immers op 6 oktober 2025 verzocht om uitstel omdat ze hebben geprobeerd het geschil in der minne op te lossen. De rechtbank heeft daarna meermaals verzocht om door te geven wat de stand van zaken was. Pas op 24 maart 2026 heeft eiseres desgevraagd laten weten dat zij er samen niet uit zijn gekomen. Dat de behandelduur langer is geweest als gevolg van deze keuze van partijen om er proberen uit te komen, kan daarom niet aan de rechtbank worden toegerekend. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de redelijke termijn van anderhalf jaar voor de beroepsfase te verlengen met de duur van deze periode van 6 oktober 2025 tot 24 maart 2026. De redelijke termijn voor de beroepsfase is in dit geval dus 1 jaar en (afgerond) 11,5 maand. Dit maakt de totale redelijke termijn voor deze procedure 2 jaar en (afgerond) 5,5 maand.

5.5.2.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 8 december 2023 tot de datum van deze uitspraak zijn 2 jaar en ruim 10 maanden verstreken. De hier toepasselijke redelijke termijn is dus met 4,5 maand overschreden.

5.5.3.

Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college of aan de rechtbank.

5.5.4.

Het college erkent dat hij de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar heeft overschreden. Het college heeft immers pas op 20 december 2024 een beslissing op het bezwaar genomen en dus meer dan een jaar gedaan over de behandeling van het bezwaar. De beroepsprocedure is aangevangen op 31 januari 2025. De totale duur van het beroep heeft daarmee 1 jaar en ruim 8 maanden geduurd. De rechtbank is echter binnen de verlengde termijn van 1 jaar en 11,5 maand gebleven. Dit betekent dat de overschrijding van de hier geldende redelijke termijn volledig voor rekening van het college komt.

5.5.5.

In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Dit betekent dat het college zal worden veroordeeld tot vergoeding van € 500,- van de immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank komt tot de volgende conclusie. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet ontvankelijk. Het college is echter met bestreden besluit 2 grotendeels tegemoetgekomen aan het beroep tegen bestreden besluit 1. Het doel van dit beroep was immers de verstrekking van een maatwerkvoorziening autoaanpassing en het college heeft deze maatwerkvoorziening verstrekt met bestreden besluit 2. Als gevolg hiervan moet het college wel worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het beroep tegen bestreden besluit 1.

6.1.

Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond. Als gevolg hiervan moet bestreden besluit 2 worden vernietigd, uitsluitend wat betreft het daarin opgenomen pve. Voor het overige blijft bestreden besluit 2 in stand. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van bestreden besluit 2 in stand te laten. De rechtbank zal het college daarom de opdracht geven om een nieuwe beslissing te nemen over het pve met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6.2.

De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De kosten voor door een derde verleende rechtsbijstand begroot de rechtbank als volgt. Eiseres maakt aanspraak op 1 punt voor het beroepschrift tegen bestreden besluit 1, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1. Nu ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege beroep ontstaat tegen bestreden besluit 2 maar eiseres hiertegen wel beroepsgronden heeft ingediend, acht de rechtbank het niet onredelijk om hiervoor een punt toe te kennen met een wegingsfactor 0,5. Ook maakt eiseres ook aanspraak op 1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van een wegingsfactor 0,5. Dit leidt tot een totale vergoeding voor door een derde verleende rechtsbijstand van € 2.802,-. Ook maakt eiseres aanspraak op vergoeding van haar reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. Dit is een bedrag van € 22,60.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 van 20 december 2024 niet-ontvankelijk;

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 23 april 2026 gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit 2 van 23 april 2026, uitsluitend voor wat betreft het programma van eisen;

  • draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen voor zover dat betrekking heeft op het programma van eisen met inachtneming van deze uitspraak;

  • veroordeelt het college tot betaling aan eiseres van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.824,60;

  • bepaalt dat het college aan eiseres het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. J.L.M. Dohmen en mr. M.P. Schutte, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, r.o 4.4.2. Bladzijdes 4 en 5 van dit advies. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3610. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:356.