Socialezekerheidsrecht

Wmo. Deze uitspraak gaat over een afgewezen aanvraag van eisers om in aanmerking te komen voor individuele…

Rechtbank Overijssel, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1645
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6382
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wmo. Deze uitspraak gaat over een afgewezen aanvraag van eisers om in aanmerking te komen voor individuele begeleiding door haar echtgenoot voor 40 uur per week. De rechtbank is van oordeel dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat de aanvraag terecht is afgewezen. Wel wijst de rechtbank erop dat dat sprake is van een wankel evenwicht en dat er in de toekomst ontwikkelingen kunnen zijn, die aanleiding kunnen geven om de situatie opnieuw te beoordelen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1645


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres], uit [woonplaats], (hierna: [eiseres])

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (het college)

gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een afgewezen aanvraag van [eiseres] om in aanmerking te komen voor individuele begeleiding door haar echtgenoot op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 1972 en bekend met klachten en beperkingen als gevolg van niet aangeboren hersenletsel en met psychische klachten. Haar echtgenoot, de heer [naam], ondersteunt haar bij planning, zelfzorg en dag-nachtstructuur. Ook ondersteunt hij haar bij het omgaan met geld en zorgt hij dat zij regelmatig eet. [eiseres] gaat drie dagdelen per week naar dagbesteding bij zorgboerderij [zorgboerderij]. Hiervoor heeft het college een maatwerkvoorziening toegekend tot 31 juli 2027.

1.1.

Na een melding van 23 juli 2024 zijn er gesprekken gevoerd tussen [eiseres], de heer [naam] en Wmo-consulenten over individuele begeleiding. Vervolgens zijn er ondersteuningsplannen opgesteld op 30 oktober 2024 en 6 december 2024. Op

12 december 2024 heeft [eiseres] een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding door de heer [naam] voor 40 uur per week, in de vorm van een persoonsgebonden budget.

1.2.

Met het besluit van 17 januari 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.

1.3.

Naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften (de commissie) is een second opinion aangevraagd bij een medisch adviseur. De medisch adviseur heeft onderzoek verricht maar de opdracht teruggegeven aan het college.

1.4.

Met het bestreden besluit van 19 maart 2026 is het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en of het college op basis daarvan de aanvraag voor individuele begeleiding terecht heeft afgewezen.

2.1.

De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en licht dit hierna verder toe. De wet- en regelgeving die daarvoor van belang zijn staan in de bijlage.

Toetsingskader

3. In de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Voor deze beoordeling moet een college een stappenplan gebruiken.

3.1.

Eerst moet de hulpvraag worden vastgesteld (stap 1). Daarna moet vastgesteld worden welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Als die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren in die zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen redden in de samenleving (stap 3). Tot slot moet onderzocht worden in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Vervolgens moet beoordeeld worden of er nog een ondersteuningsvraag overblijft die gecompenseerd moet worden (stap 5).

3.2.

Alleen als die mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn moet het college een maatwerkvoorziening verlenen. Als voor het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist is, moet het college zo’n onderzoek laten uitvoeren.

Standpunten van partijen

4. Volgens het college is uit de gesprekken en ondersteuningsplannen niet gebleken dat de gevraagde individuele begeleiding nodig is. De hulpvragen van [eiseres] zijn voldoende beantwoord met de al toegekende maatwerkvoorziening voor dagbesteding bij de zorgboerderij, de ondersteuning vanuit de GGZ en door de mantelzorg die de heer [naam] geeft. Sinds 2018 geeft hij hulp bij het organiseren van het dagelijks functioneren, bij het huishouden en bij sociale contacten. Dit is boven gebruikelijke hulp en dit wordt daarom aangemerkt als mantelzorg. Volgens het college mag dit wel van hem verwacht worden, omdat uit de gesprekken en ondersteuningsplannen is gebleken dat hij die hulp kan en wil bieden en niet overbelast is.

5. [eiseres] stelt kort gezegd dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en de motivering onjuist is. Volgens haar is er geen maatwerk geleverd en is uitgegaan van onjuiste gegevens. Ook is valsheid in geschrifte gepleegd.

Beoordeling van het geschil

6. De rechtbank is van oordeel dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Uit de ondersteuningsplannen blijkt dat het stappenplan is gevolgd. De inhoud van de plannen is gebaseerd op twee gesprekken die hebben plaatsgevonden op 24 oktober 2024 en

5 december 2024. Bij het eerste gesprek was ook de heer [naam] aanwezig. Daarnaast heeft in de bezwaarfase een hoorzitting plaatsgevonden en heeft het college op advies van de commissie een second opinion aangevraagd bij een medisch adviseur. Volgens de commissie was het van belang om nader te laten onderzoeken of de heer [naam] zijn noodzakelijke rol kan (blijven) vervullen. Dit advies is met name gegeven op basis van de brief van 3 juli 2025 van de GGZ en vanwege het feit dat [eiseres] op een wachtlijst staat voor een intensieve behandeling bij een traumacentrum.

6.1.

De medisch adviseur heeft onderzoek verricht maar de opdracht op 23 januari 2026 teruggegeven aan het college, omdat het vanwege het gedrag van [eiseres] onwerkbaar werd om de opdracht verder uit te voeren. Het college heeft vervolgens besloten om geen nader onderzoek meer te doen, omdat uit de ondersteuningsplannen blijkt dat onderzoek is gedaan en een nader onderzoek door het gedrag van [eiseres] niet mogelijk bleek.

6.2.

Gelet op deze onderzoekshandelingen in de primaire fase en in de bezwaarfase is de rechtbank van oordeel dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en de aanvraag ook terecht heeft afgewezen. Op basis van de ondersteuningsplannen van 30 oktober 2024 en 6 december 2024 heeft het college kunnen beslissen dat de heer [naam] voldoende ondersteuning kan bieden. De door de commissie geuite twijfel heeft door het gedrag van [eiseres] niet tot een nader advies geleid. Gelet op haar medische situatie is haar dat misschien niet te verwijten, maar het heeft de besluitvorming wel bemoeilijkt.

6.3.

[eiseres] heeft daarentegen niet kenbaar aangevoerd dat zij van mening is dat haar echtgenoot zijn ondersteunende rol niet (langer) op zich kan nemen. Tijdens het gesprek op 24 oktober 2024, waar hij ook bij aanwezig was, is daarover kennelijk ook geen twijfel ontstaan. Bovendien is tijdens de zitting duidelijk geworden dat de intensieve behandeling nog niet is gestart, terwijl die behandeling volgens de commissie het risico zou kunnen vergroten dat [naam] overbelast raakt.

6.4.

Verder is tijdens de zitting duidelijk geworden dat schuldhulpverlening vanuit de gemeente nog niet is opgestart. Het is niet aannemelijk dat als hierin stappen worden gezet, dat zal inhouden dat [naam] zijn hulp niet meer kan geven. Verder is niet gebleken dat het college is uitgegaan van onjuiste gegevens of dat eventueel sprake zou zijn van valsheid in geschrifte. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de aanvraag terecht is afgewezen.

6.5.

Wel wijst de rechtbank erop dat dat sprake is van een wankel evenwicht en dat er in de toekomst ontwikkelingen kunnen zijn, zoals hiervoor vermeld, die aanleiding kunnen geven om de situatie opnieuw te beoordelen. Daarom ligt het in de rede om eventueel een procesregisseur aan te stellen, zoals de commissie ook bij de heroverweging heeft geadviseerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van

J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet het bestuursorgaan de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit. De beslissing op bezwaar moet op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb goed gemotiveerd zijn.

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

In artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

In artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren.

In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

In artikel 2.3.5, vierder lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen

In artikel 2.3.5, vijfde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, is afgestemd op:

a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,

b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,

(…).

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020

In artikel 8 van de Verordening is bepaald dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In artikel 8.1 is bepaald wat de criteria zijn voor een maatwerkvoorziening.

Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ELCLI:NL:CRVB:2018:819