Socialezekerheidsrecht
Beroep ongegrond. Het college heeft terecht geweigerd om aan eiser een financiële tegemoetkoming voor…
Rechtbank Overijssel, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6386 · Rechtbank Overijssel · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6386
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/1961
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6386
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ongegrond. Het college heeft terecht geweigerd om aan eiser een financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto te verstrekken. Het college is niet verplicht de bovenregionale vervoersbehoefte van eiser mogelijk te maken. Het college is op grond van de Wmo 2015 niet verplicht om eiser een vervoersvoorziening te verstrekken die hem in staat stelt zich bovenregionaal te verplaatsen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een sociaal isolement zal raken indien hij zijn bovenregionale contacten niet door middel van het afleggen van persoonlijke bezoeken kan onderhouden.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1961
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser])
(gemachtigde: mr. E. Schriemer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan [eiser] een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toe te kennen. [eiser] is het er niet mee eens dat hij geen financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto krijgt. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het college terecht heeft geweigerd om aan [eiser] een financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto toe te kennen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Met het besluit van 21 april 2026 heeft het college geweigerd om aan [eiser] een financiële tegemoetkoming toe te kennen voor kosten van een aanpassing achterop zijn auto, zodat hij zijn scootmobiel kan meenemen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 op het bezwaar van [eiser] is het college bij dat besluit gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college. M. Alhamwi was als tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit
[eiser] heeft in zijn geboorteland meerdere ernstige letsels aan de benen opgelopen. Dit leidt tot functiebeperking en invaliderende pijn bij bewegen, inspanning en lopen. [eiser] maakt binnen de regio gebruik van vervoer, verstrekt vanuit de Wmo 2015 en Valys. [eiser] beschikt ook over een scootmobiel die hem op grond van de Wmo 2015 is toegekend.
In januari 2026 heeft [eiser] telefonisch aan het college gemeld dat hij een aanpassing van zijn auto wil. Op 14 januari 2026 heeft een sociaal werker van de gemeente telefonisch met [eiser] gesproken. [eiser] wil zijn scootmobiel kunnen meenemen achterop de auto, zodat hij familie in [plaats 1] en [plaats 2] kan bezoeken. Het college heeft medisch advies gevraagd. JPH Consult heeft op 31 maart 2026 advies uitgebracht. Vervolgens heeft het college een ondersteuningsplan van 21 april 2026 opgesteld. Daarop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
3. Het college stelt zich op het standpunt dat aanpassing van de auto van [eiser], zodat hij zijn scootmobiel mee kan nemen, niet noodzakelijk is. Het college is van mening dat met de toegekende vervoersmogelijkheden aan de compensatieplicht op grond van de Wmo 2015 is voldaan. Het college hoeft uitsluitend rekening te houden met verplaatsingen in het kader van het leven van alledag die zich binnen 25 kilometer vanaf het woonadres afspelen. Volgens het college is geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden, die een grotere vervoersbehoefte aannemelijk maken. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de sociale/familiecontacten in [plaats 1] en [plaats 2] uitsluitend kunnen bestaan doordat [eiser] naar zijn kinderen reist. [eiser] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in een sociaal isolement zal raken, indien hij zijn bovenregionale contacten niet met het afleggen van persoonlijke bezoeken kan onderhouden.
4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college hem een financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto moet toekennen, zodat hij zijn scootmobiel kan meenemen bij bezoek aan zijn kinderen. [eiser] stelt dat bijzondere individuele omstandigheden een grotere vervoersbehoefte dan binnen 25 kilometer vanaf zijn woonadres aannemelijk maken.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
De wetsartikelen en regels die voor deze zaak belangrijk zijn staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
Het geschil
In het kader van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, heeft het college vastgesteld dat [eiser] een aanpassing aan zijn auto wil, zodat hij zijn scootmobiel kan meenemen. [eiser] heeft gezegd dat hij deze nodig heeft om zijn kinderen in [plaats 1] en [plaats 2] te kunnen bezoeken. In beroep heeft [eiser] ingebracht dat hij ook met zijn auto met daar achterop zijn scootmobiel wil kunnen reizen naar zijn zoon met beperkingen, die in een zorginstelling verblijft. Uit het bestreden besluit en de stukken die daaraan ten grondslag liggen blijkt niet dat het college heeft onderzocht welke kinderen [eiser] wil bezoeken, hoe oud die kinderen zijn en wat hun (woon)situatie is. De rechtbank is van oordeel dat het college hiernaar meer onderzoek had kunnen doen. De rechtbank wijst hierbij naar het stappenplan, zoals beschreven in 5.2.
Uit het advies van 31 maart 2026 van JPH Consult blijkt dat [eiser] binnen de regio gebruik kan maken van Wmo-vervoer en Valys. Uit stukken die [eiser] kort voor de zitting heeft ingebracht is duidelijk geworden dat de oudste zoon vanaf 25 september 2025 verblijft in [instelling] in [vestigingsplaats]. Deze instelling ligt binnen 25 kilometer vanaf het woonadres van [eiser]. Met het regionaal Wmo-vervoer, waarbij [eiser] zijn scootmobiel kan meenemen, kan hij deze zoon bezoeken. De rechtbank concludeert dat het college hiermee in deze vervoersbehoefte van [eiser] heeft voorzien. Dat [eiser] ervoor kiest om hiervan geen gebruik te maken en zijn zoon in [plaats 3] met zijn eigen auto zonder scootmobiel te bezoeken, maakt dit niet anders.
[eiser] wil ook zijn andere kinderen kunnen bezoeken. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het gaat om een meerderjarige zoon, die in [plaats 2] studeert en een minderjarige zoon van 13 jaar, die bij zijn moeder in [plaats 1] woont. [eiser] heeft ook een meerderjarige dochter, die in [plaats 1] woont, maar [eiser] heeft niet geschreven of gezegd dat hij haar ook wil bezoeken. Het gaat [eiser] er dan vooral om dat hij ter plekke samen met zijn kinderen activiteiten kan ontplooien en daar heeft hij zijn scootmobiel voor nodig.
Op basis van het advies van JPH Consult is duidelijk dat [eiser] voor bezoek aan zijn kinderen in [plaats 2] en [plaats 1] door zijn medische beperkingen is aangewezen op eigen vervoer, waarbij de scootmobiel meegenomen kan worden. Niet in geschil is dat regionaal Wmo-vervoer en Valys voor deze reisbehoefte niet toereikend zijn. Het geschil gaat over de vraag of het college verplicht is om voor deze vervoersbehoefte een financiële tegemoetkoming toe te kennen.
Is de financiële tegemoetkoming voor aanpassing van de auto terecht geweigerd?
Tijdens de zitting heeft [eiser] gezegd dat zijn auto te klein is voor een aanpassing aan de achterzijde, waarmee hij zijn scootmobiel kan meenemen. De rechtbank stelt dan ook vast dat niet duidelijk is of de auto van [eiser] wel geschikt is voor de gevraagde voorziening. Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat het college de financiële tegemoetkoming voor aanpassing van de auto van [eiser] terecht heeft geweigerd. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Uit rechtspraak volgt dat het college op grond van de Wmo 2015 niet verplicht is om [eiser] een vervoersvoorziening te verstrekken die hem in staat stelt zich bovenregionaal te verplaatsen. Dit is alleen anders als sprake is van een bijzondere situatie op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt. Zo’n situatie kan zich voordoen als [eiser] in een sociaal isolement zal raken indien hij zijn bovenregionale contacten niet door middel van het afleggen van persoonlijke bezoeken kan onderhouden. Daarbij is ook van belang of de familie van [eiser] ook bij hem op bezoek kan komen.
Volgens [eiser] is het aannemelijk dat hij in een sociaal isolement raakt als hij zijn kinderen niet kan bezoeken. [eiser] wijst erop dat hij 64 jaar oud is, objectieve, invaliderende en blijvende beperkingen heeft, slecht Nederlands spreekt en verstaat en dat hij zich buitenshuis uitsluitend met een scootmobiel kan verplaatsen. [eiser] heeft niet nader toegelicht waarom deze omstandigheden voor hem tot een sociaal isolement [plaats 1]. Met de verstrekte Wmo-voorzieningen kan [eiser] zich binnen de regio verplaatsen en zijn zoon in [vestigingsplaats] bezoeken. [eiser] heeft ook niet met nadere gegevens onderbouwd dat het in verband met zijn vaderrol noodzakelijk is dat hij zijn zonen in [plaats 2] en [plaats 1] bezoekt en dat zijn kinderen niet zelfstandig naar [eiser] toe kunnen komen. Uit rechtspraak volgt dat het aan [eiser] is om dit aannemelijk te maken. [eiser] wijst in dit kader dus ten onrechte naar de onderzoeksplicht van het college.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college terecht heeft geweigerd om aan [eiser] een financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto te verstrekken. Het college is niet verplicht de bovenregionale vervoersbehoefte van [eiser] mogelijk te maken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen financiële tegemoetkoming voor aanpassing van zijn auto krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetsartikelen en regels
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)
Artikel 1.1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
– maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
(…)
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op:
a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,
b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen,
d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,
e. betaalde werkzaamheden,
f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen,
g. ondersteuning ingevolge de Participatiewet,
h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.
Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2024
Artikel 2.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening
1. Het college neemt het resultaat van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, en het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.
2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.
3. Eerst wordt in een onderzoek beoordeeld of alle mogelijkheden van de cliënt zijn benut om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen, zodat cliënt geen behoefte (meer) heeft aan maatwerkvoorzieningen.
4. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden de volgende criteria:
a. Er is geen aanspraak op een adequate andere voorziening op grond van een andere regeling;
b. Er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening;
c. Er is geen sprake van voorzieningen die de aanvrager zelf heeft aangebracht, aangeschaft of verwijderd;
d. De aanvrager heeft nu te maken met hogere kosten dan in de situatie waarin er nog geen sprake was van beperkingen;
e. Er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving;
f. Het college kent in beginsel de goedkoopste adequate voorziening toe;
g. De voorziening was voorzienbaar, maar van de aanvrager kon redelijkerwijs niet verwacht worden om maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt;
h. Het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
i. Het college vergoedt geen medische of therapeutische voorzieningen die bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of ziekteverschijnselen te verminderen of te voorkomen.
j. Het college vergoedt geen voorzieningen voor belemmeringen die voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte, zelf aangebrachte of verwijderde materialen of middelen.
Artikel 2.7 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening
1. Met inachtneming van artikel 2.2 kan een aanvrager in aanmerking komen voor collectief vervoer als de cliënt door aantoonbare beperkingen niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
2. Een cliënt kan, als aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectieve vervoer onmogelijk maken, in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor gebruik van de eigen auto of voor de aanpassing van de eigen auto.
3. Een aanvrager kan voor individueel taxivervoer in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectieve vervoer onmogelijk maken en aanvrager niet de beschikking heeft over een eigen auto.
4. Een aanvrager kan voor een vervoersvoorziening voor de directe woonomgeving in aanmerking komen als er sprake is van ernstige beperkingen in de mobiliteit. Een voorziening voor de directe woonomgeving kan in aanvulling op het gebruik van een andere vervoersvoorziening verstrekt worden.
5. Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is.
6. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van aanvrager en in elk geval binnen de gemeente Zwolle en de regio, in het kader van het leven van alledag.
Artikel 2.7.1 Omvang gebied
1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in het kader van het leven van alledag die zich binnen 25 kilometer vanaf het woonadres afspelen, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die een grotere vervoersbehoefte aannemelijk maken.
2. Voor vervoer buiten de gemeentegrens maar binnen 25 kilometer vanaf het woonadres met het collectief vervoersysteem kan door het college een budget bij de vervoerder beschikbaar worden gesteld tot maximaal het bedrag per jaar dat is opgenomen in het Financieel Besluit, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die een grotere vervoersbehoefte aannemelijk maken. De daarmee gepaard gaande hogere vergoeding is tot maximaal 1.500 taxikilometers.