Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen…
Centrale Raad van Beroep, 16 september 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:2161 · Centrale Raad van Beroep · 16 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/proceskostenveroordeling/ecli-nl-crvb-2020-2161
Zaakgegevens
Op 16 september 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 september 2020
- Datum publicatie
- 15 september 2020
- Zaaknummer
- 17/643 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- ProceskostenveroordelingProceskostenveroordelingDe partij die de zaak verliest, moet (een deel van) de proceskosten van de andere partij betalen.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:2161
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Proceskostenveroordeling.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:9392Centrale Raad van Beroep · 16 september 2020deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2020:2161
Overig
Uitspraak
Datum uitspraak: 16 september 2020
17/643 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 december 2016, 15/8147 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft bij brief van 12 juni 2019 besloten dat de beslissing op bezwaar van
17 november 2015 en het primaire besluit van 11 juni 2015 worden ingetrokken. Tevens heeft het Uwv in deze brief aangegeven de uitkering van appellant per 30 augustus 2015 te heropenen.
Bij brief van 4 februari 2020 heeft mr. Hanenberg namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de beslissing van
12 juni 2019 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.050,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting), € 1.050,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.837,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 3x 0,5 punt voor een inhoudelijke reactie op verzoek van de Raad en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.937,50.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van
L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
16 september 2020.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.R. Scherpenzeel-Carlier
IvR