Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van…
ECLI:NL:CRVB:2026:1237 · Centrale Raad van Beroep · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/proceskostenveroordeling/ecli-nl-crvb-2026-1237
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 24/2367 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- ProceskostenveroordelingProceskostenveroordelingDe partij die de zaak verliest, moet (een deel van) de proceskosten van de andere partij betalen.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1237
Samenvatting
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 juni 2026 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
24/2367 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 september 2024, 23/1687 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 september 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 5 juni 2025. Voor appellant is verschenen mr. Van Helden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft verzekeringsarts G. Sprenkels als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 april 2026 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport.
Het Uwv heeft 19 juni 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellant per 4 februari 2022 een WGA-uitkering toegekend.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 juni 2026 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 juni 2026 heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed. Dit betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellant in verband met zijn beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-). Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten voor rechtsbijstand bedraagt € 4.203,-.
De door appellant gevraagde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep komt voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 16,62.
De kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoek van de deskundige verzekeringsarts Sprenkels worden door de Raad vergoed.
Het door het Uwv te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt hiermee in totaal € 4.219,62.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.219,62;
-
bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) J.A. Achterberg