Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
23/3242 WIA
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1397
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Uitspraak

23/3242 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2023, 22/5779 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 juni 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon en mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft psychiater dr. H.N. Sno benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 8 oktober 2024 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop hun zienswijze gegeven.

Naar aanleiding van een vraag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige bij brief van 23 december 2024 aanvullend gerapporteerd. Partijen hebben hierop gereageerd.

De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts drs. M. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. Zij heeft op 10 oktober 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop hun zienswijze gegeven.

De Raad heeft de zaak op 4 februari 2026 voor de tweede keer op een zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon en mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft de Raad vastgesteld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en dat dit besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom is aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 8:51d, van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Op 19 mei 2026 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellant alsnog met ingang van 6 april 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is toegekend. Het Uwv heeft ook de kosten van bezwaar vergoed.

Desgevraagd heeft appellant verklaard dat hij zich kan verenigen met dit gewijzigde besluit. Bij brief van 3 augustus 2026 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

De Raad heeft partijen verzocht om toestemming om de zaak af te doen zonder een behandeling op een nadere zitting. Partijen hebben niet om een nadere zitting gevraagd. De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot wijziging van het bestreden besluit.

Aldus is aan appellant tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een gewicht van 1) en € 4.203,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 26 juni 2024, tweemaal 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op de deskundigenrapporten, 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2025 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 januari 2025, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting op 4 februari 2026 en 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op de gewijzigde beslissing op bezwaar met een waarde per punt van € 934,- en een gewicht van 1). Totaal € 6.071,-.

Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 6.071,-;

  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.S. van Veller