Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Vergoeding wettelijke rente. Schadevergoeding wegens…

Centrale Raad van Beroep, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
23/1139 WIA
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1377
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Vergoeding wettelijke rente. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/1139 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 maart 2023, 20/2277 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld. Op 8 mei 2026 heeft mr. S.J.W.C. Lipman de zaak overgenomen.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het Uwv heeft op 21 mei 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Appellante heeft verder verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de Raad laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met het nieuwe besluit op bezwaar van 21 mei 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.

Schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente

Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012.

Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.

Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 8 april 2020 tot de datum van het tegemoetkomend besluit van 21 mei 2026 zijn zes jaar en (naar boven afgerond) twee maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en twee maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.500,-.

Ook is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek.

Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep

Appellante heeft vergoeding van kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep geclaimd, heeft vijf facturen van de door haar in beroep en hoger beroep ingeschakelde medisch adviseur (Triage) overgelegd en heeft twee facturen overgelegd in verband met ingewonnen medische informatie.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv al veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 4.861,36. Appellante heeft zich daar in hoger beroep niet tegen gekeerd. Dat betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De drie ingediende facturen van de door appellante in beroep ingeschakelde medisch adviseur, alsmede de factuur van 20 oktober 2020 die ziet op in beroep ingewonnen medische informatie, blijven dus buiten beschouwing.

Op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Bij het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld.

De twee (resterende) facturen van Triage bedragen in totaal € 1.370,87 inclusief btw en zien op de werkzaamheden voor de in hoger beroep op 1 juni 2025 en 11 juli 2025 opgestelde rapporten door medisch adviseur E.C. van der Eijk. De kosten voor secretariële en administratieve werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van het Bpb niet in vergoeding van deze kosten voorziet. Alleen de uren van de medisch adviseur komen voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat, in overeenstemming met artikel 9 van het Bts afgerond, zeven uur voor vergoeding in aanmerking komen. Nu het door de medisch adviseur gehanteerde tarief van € 145,85 per uur lager is dan het in het Bts vermelde maximale uurtarief van € 162,63 per uur (op en na 1 januari 2025) wordt uitgegaan van het tarief van € 145,85 per uur. Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Het voorgaande betekent dat voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van (7 uur maal € 145,85 =) € 1.020,95 en een bedrag van € 214,40 aan omzetbelasting. In totaal dient daarom een bedrag van € 1.235,35 aan deskundigenkosten door het Uwv te worden vergoed.

Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand worden op grond van het Bpb begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, een maal 0,5 punt voor een reactie en een maal 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de (eerste) deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast is een factuur van 23 juli 2020 van € 104,75 ingediend, die ziet op in bezwaar ingewonnen medische informatie. Ook die kosten dient het Uwv te vergoeden.

In totaal bedragen de door het Uwv aan appellante te vergoeden proceskosten (€ 1.235,35 + € 1.332,- + € 2.802,- + € 104,75 =) € 5.474,10.

Bij de aangevallen uitspraak is al bepaald dat het Uwv het door appellante in beroep betaalde griffierecht moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellante hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.500,-;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;

  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van €5.474,10;

  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) M.D.F. de Moor

Zie de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.